Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Vennen
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


De Vennen, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "Ligt in 't heujg"  De oligotrofe vennen


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


De Vennen
Bovenin de hoogste terreinen, waarop zich uit lichte bossen van eiken en berken uitgestrekte heiden ontwikkelden,
liggen midden in de ruimte blanke waterschijven in ondiepe laagten, de vennen.
Plassen van geringe diepte, waarvan er in de zomer vele droogvallen; ook in normale minder tropische zomers dan die van het jaar vóór het Torenjaar.

Ze zijn allemaal verschillend, naar ontstaanswijze en naar verschijningsvorm. Niet één ven is gelijk aan een ander; omvang, diepte, vorm, open of beschutte ligging en zuurgraad van het water variëren van ven tot ven. De begroeiing is (daardoor!) steeds weer anders van samenstelling. Maar alle vennen hebben wel deze bijzonderheid gemeen: ze zijn zeer voedselarm; 'oligotroof' heet dat met een wetenschappelijke term. De vennen liggen in terreinen die eeuwenlang door menselijke beïnvloeding (haalprocessen) zijn verarmd. Het karakter van de vennen is vooral bepaald door de armoede aan mineralen. De vegetatie is soortenarm en zeer schraal; het dierenleven van de vennen is navenant. Door de lage ligging te midden van wat hogere terreinen is het milieu van de vennen nat. Het stilstaande water is zuur (pH ± 4.5 - 5.5), evenals de omgeving. De waterhuishouding wordt uitsluitend bepaald door regenwater en andere neerslag, en door de verdamping. Daardoor zijn de venmilieus sterk op de seizoenswisselingen ingespeeld. Door de geïsoleerde ligging is er geen toestroming via sloten of beken van water van elders.

In venmilieus heerst een betrekkelijke rust. Lichte onrust is er eigenlijk alleen door de verticale waterbeweging ('s winters hogere waterstanden, 's zomers lagere) en door de wind, die plaatselijk het afgestorven materiaal van de bodem loswoelt, van tijd tot tijd een licht 'brandingeffect' veroorzaakt en kleine hoeveelheden materiaal (bijv stuifmeel, licht zand) aanvoert.
Venmilieus hebben daardoor een zeer hoge inwendige stabiliteit; zo tonen van jaar tot jaar vrijwel hetzelfde beeld. Hoewel er door afstervende plantendelen en inwaaiend spul wel enige toevoer van organisch materiaal is, groeit toch de veenlaag op de venbodems onmerkbaar weinig aan. Vennen blijven eigenlijk altijd open plassen. Venmilieus zijn zuiver. Maar ze zijn zeer gevoelig voor ingrepen; afwijkingen in vooral de waterkwaliteit kunnen funest zijn voor het behoud van de rustige venmilieus. Al geringe verontreinigingen kunnen grote storingseffecten teweeg brengen.
Door een ven een tijdlang te gebruiken als bijv zwem- of baadwater (waarvoor het eigenlijk meestal te ondiep en te modderig is) kan het door loswoelen en opwervelen van bodemmateriaal en de toevoer van 'tenenkaas' en urine voor lange tijd verstoord zijn. Het in het water gooien van één zakje stikstofhoudende kunstmest kan een ven voor altijd ontregelen, evenals kunstmatige - meestal plotselinge - veranderingen in de waterstand: wateronttrekking, ontwatering in de omgeving en toestroming van voedselrijk water via sloten of via het grondwater.

Het voorkomen van vennen is beperkt tot zandige streken met een vochtig klimaat, waar westenwinden overheersen. Vennen komen alleen voor aan de Westkust van Frankrijk (Les Landes, Lessay, Bretagne, Artois), België, Nederland, Denemarken, Schotland en Ierland. De meeste Nederlandse vennen liggen in Noord-Brabant. Vennen kunnen op verschillende manieren zijn ontstaan. De Leendse vennen zijn meestal eenvoudig laagten in hoger gelegen dekzandafzettingen; de laagten zijn dikwijls resten van dooiwaterdalen, die in het Laatglaciaal met dekzand verstopt raakten. Andere - jongere ­vennen ontstonden in uitwaaikommen in het stuifzand. Stroomdalvennen, ontstaan uit vroegere rivierbeddingen (zoals de Malpievennen en de Vaarvennen in Valkenswaard en het Bultven in Deurne) komen hier niet voor.

PINGO
Wel is er nog een heel bijzonder en zeer oud ventype, waarvan het ontstaan terug gaat tot minstens de laatste IJstijd. Dit zijn altijd ronde vennen met een grotere diepte (er kunnen o.a. waterlelies in groeien), die omgeven zijn door een duidelijke zandrug. Zo'n ven noemen we pingoven of smeltgatven.
Pingo is een Eskimo-naam voor een ijsheuvel in poolgebieden, die bestaat uit een min of meer ronde maar afgeplatte lensvormige ijsmassa, die een doorsnee kan hebben van tientallen tot enige honderden meters en die bedolven kan raken onder dekzand en/of sneeuw. De ijsmassa is aangevoerd door een poolzee. Ook in onze streken zijn in het Pleniglaciaal (ca 10.000­60.000 v X) van de laatste ijstijd pingoos gevormd, die bedolven raakten onder dekzand. Na het zeer langzaam wegsmelten van het ijs ontstond een pingosmeltgat, een kuil met een dekzandbodem, omgeven door een cirkelvormige dekzandrug, die in jongere tijden plaatselijk kan zijn verstoven; zie de tekeningen. Tot dit ventype behoren zeer waarschijnlijk ons Klokkeven en waarschijnlijk ook het Galbergven, die erg lijken op vennen bij Elsendorp (Krimheide) en Mierlo (t Rond Venneke), waarvan de pingogeschiedenis door de Geologische Dienst is aangetoond. Deze dienst zal binnenkort ook aan onze twee vermoedelijke pingovennen onderzoeken of het inderdaad pingosmeltgaten zijn(1974) . Een pingosmeltgat is in zuidelijk Nederland een zeldzaam geologisch verschijnsel.

Sommige vennen hebben een eigen waterstand, een schijnwaterspiegel, veroorzaakt door een ondoorlatende laag, die het ven isoleert van het lagere grondwater: een dicht podzolprofiel, een leemlaag of een door het ven zelf gevormde dichte bodemafsluitende laag of resten van algen en waterplanten.

Bij wat grotere doch ondiepe in de vlakte gelegen vennen kan de wind een zgn. brandingeffect veroorzaken. De ZW-wind duwt het venwater op de NO-oever, waar wervelingen (branding, golfslag­erosie) optreden. Plantendelen en zwevend organisch materiaal worden door het over de bodem naar de ZW-kant terugkerende water meegezogen, waardoor aan één kant van zo'n ven een 'schone' blote zandbodem blijft bestaan en aan de andere kant een veen- en modderlaag is afgezet. Aan de brandingkant kunnen zeldzame planten­gemeenschappen uit de oeverkruid-klasse zich vestigen. In Leende komt van deze klasse alleen de gemeenschap van de veelstengelige waterbies voor, en dan meestal nog fragmentarisch.

PLANTENLEVEN
Het plantenleven in en om de vennen is zeer bijzonder, hoewel het aantal soorten beperkt is.
Het zijn steeds gevoelige soorten en soortencombinaties die zijn afgestemd op het specifieke rustige oligotrofe milieu. Juist daardoor komen in die plantengroei duidelijk de verschillen tot uiting in vengrootte, diepte, graad van oligotrofie (voedsel­armoede), chemische samenstelling van het water, oeverhelling en invloeden van de omgeving. We zien zowel op het water drijvende en in het water zwevende planten als onder water wortelende planten met drijvende bladeren, boven het wateroppervlak uitgroeiende planten en ondergedoken op de venbodem wortelende planten. De vegetaties zijn in zones gegroepeerd, waarbij in andere waterdiepten en op plaatsen met een afwezige, een dunne of een dikkere veen- of modderlaag ook de vegetatie anders is. De zoneringen zien we ook op de oevers, waar periodiek onder water komende vegetaties verder van de gemiddelde waterlijn overgaan in vegetaties van drasse, vochtige, minder droge en zeer droge plaatsen. De flora van de vennen bestaat verder uit een zeer groot aantal eencellige wieren.

Rond bepaalde vennen, die liggen in de overgangen van de heide naar de beekdalen, ontwikkelden zich op de iets minder arme bodem in een venige sfeer dikwijls uitgebreide begroeiingen van gagel, een kleine struik, waarvan de katjesbloemen prachtig geel en oranje bloeien in april en mei. Bladeren en bladknoppen verspreiden vooral bij wrijven een sterk aromatische geur (harskliertjes).

Vroeger werden gageltwijgen geoogst voor het opvullen van beddekoetsen; de plant heet daarom hier 'vlooiehout'. In het strooisel onder gagelstruiken vinden we elk voorjaar kleine mini paddenstoeltjes, niet groter dan een centimeter, die alleen kunnen leven op dode afgevallen mannelijke gagel katjes. De paddenstoeltjes van deze soort, Ciboria acerina, een schijfzwam, verschijnen precies in de tijd dat de gagel bloeit; ze reageren dus precies hetzelfde op de temperatuur als de gagel. De sporen uit de vruchtlichamen infecteren de bloeiende mannelijke katjes, die korte tijd later afvallen en na precies een jaar die kleine paddenstoeltjes dragen.

De meeste Leendse vennen zijn ondiep schoteivormig. Het water staat in normale zomers in het midden niet hoger dan 40-60 cm. De oevers zijn altijd flauw of wat minder flauw glooiend, nooit steil en 'plotseling'. In bijna alle vennen leeft het zwevende waterveenmos Sphagnum cuspidatum en komt ook de knolrus of moerasrus voor, drijvend op het water of wortelend in de bodem van ondiepe vennen en op 's zomers droogvallende oevers. In de oevergedeelten die 's winters onder water komen groeien dikwijls fijne kleine mosjes als Cladopodiella f/uitans, broedkelkje Gymnocolea inf/ata, dat zelfs op de loodrechte zijkanten van pijpestrootjesstoelen groeit, en de sikkelmossen Drepanocladus exannulatus (vrij zeldzaam) en D. f/uitans. Plaatselijk groeien bodemveenmossen op de oevers. Draadalgen in allerlei tinten groeien zowel in het water als op droogvallende vengedeelten. Mossen, algen en veenmossen vormen bronsgroene, heldergroene, grijsgroene, diepgroene, bruine, paarsbruine en zelfs oranjegele en oranje veldjes. Vooral aan de ZW-kant hebben de meeste van onze vennen een min of meer dikke modder- en veenbodem.

De zones in het water bestaan uit maar weinig soorten, soms is het maar één soort. In het midden op de diepste plaatsen vinden we meestal de gewone waterbies, die door uithangende gele helmknoppen lichtgeel bloeit bovenaan onvertakte donkergroene sprietstengels. Op ondiepe plaatsen volgen dan de blauwgroene snavelzegge of de slanke vrij zeldzame draadzegge; beide soorten kunnen tegelijk in één ven voorkomen, maar ze groeien nooit door elkaar. Op nog ondiepere plaatsen, liefst aan de venige ZW-kant, groeit veenpluis of wollegras. Tegen en op de oevers groeit meestal pijpenstrootje, soms op hoge 'stoelen'.

Minder algemeen zijn veelstengelige waterbies en gewone zegge. Wat hoger groeien dopheidegemeenschappen in allerlei typen, of gagelveldjes, die geleidelijk overgaan in droge struikheidegemeenschappen. In de dopheide- en pijpenstro begroeiingen komt soms klokjesgentiaan voor. Het hierboven geschetste algemene beeld komt in veel vennen onvolledig voor. Hieronder volgt nu een globaal overzicht van Leendse vennen, die sterk afwijken van het gemiddelde.

De Kraanvennen
De beide Kraanvennen behoren wel tot de meest voedselarme typen. Het Groot Kraanven is erg ondiep, in het water is nauwelijks enige begroeiing.

De Klotvennen
De Klotvennen zijn een complex laagten op de westflank van de Strijper Aa nabij de Heg. De vennen liggen op de diepste plaatsen temidden van pijpnestro- en gagelvelden. Het mooist ontwikkeld zijn het noordoostelijke grote en het zuidoostelijke kleine Klotven. In het grootste Klotven groeit op de NO-kant veel mannagras met op het water drijvende bladslierten. Poelveenmos (Sph. crassicladum) is een soort van minder zure en minder voedselarme milieus. Het voorkomen van deze soort wijst op enige verontreiniging, mogelijk vanuit de nabij gelegen landbouwgronden.

    V
oor een fotoreportage over de "heg' klik hier


Het Hoefven
Het Hoefven is een langgerekt ven bij het oude akkercomplex De Hoeven bij Bruggerhuizen. Het valt 's zomers gewoonlijk helemaal droog. De begroeiing is één pijpenstrootjesveld met weinig klokjesgentiaan.

De Hasselsvennen
De Hasselsvennen vormen een complex van zeven vennen, vier grote en drie kleinere. In een der vennen is een dichte vegetatie van riet en pitrus, soorten die wijzen op ernstige verrijking met voedingsstoffen als gevolg van een vroegere broedkolonie van kokmeeuwen. In de veertiger jaren was deze kolonie vrij talrijk, in 1963 broedden er nog maar 10 paartjes. In 1970 is de kolonie, die toen 30 nesten telde, met opzet verjaagd, omdat kokmeeuwen oligotrofe milieus met hun uitwerpselen verontreinigen en voldoende uitwijkmogelijkheden hebben naar reeds verstoorde vennen en plassen (in onze omgeving o.a. Vaarvennen Valkenswaard, natuurreservaat De Astense Peel, Ringselven Dorplein).

Het Brilven
Het Brilven bestaat eigenlijk uit twee vennen, die door een smalle laagte zijn verbonden. De veenlaag in deze vennen is op de diepste plaatsen 60-80 cm dik. De begroeiing bestaat uit zwevende veenmossen en knolrus.

Het Eijerven
Het Eijerven is een diepgelegen kom met een vrij dikke veenlaag. Op de diepste plek groeit een eensoortige vegetatie van mattenbies, een soort van voedselrijke wateren, die waarschijnlijk is ingeplant.

Het Bierven
De levensgemeenschap van het Bierven op Valkenhorst is verstoord door activiteiten tbv visserij en jacht. In dit ven wordt een kunstmatige hoge waterstand op peil gehouden. Het water dat daarvoor nodig is wordt door een elektrische pomp aan de ondergrond onttrokken. Dit lokt veel eenden naar deze plas, waar ze bovendien op grote schaal worden gevoerd. De schuilschermen op eilandjes in het ven verraden jachtactiviteiten. In het ven is vis (karper) uitgezet, waarvoor vermoedelijk ook meststoffen in het water werden verspreid. In het gestoorde milieu treden pitrus en andere storingsplanten op.

Ronde Vlaas
Ook de Ronde Vlaas is verontreinigd; de brede rietkragen wijzen daarop.

Het Klein Hasselsven of Klokkeven
Het Klein Hasselsven of Klokkeven is een diep en beschut gelegen komvormig ven. Vermoedelijk is het ontstaan uit een pingosmeltgat. Dit ven is een 'ringven': het bestaat uit een drijvend boven water uitkomend veeneiland dat omgeven 'is door een brede ring water. Zowel op het eiland als in de ring van open water en op de oevers groeien zeer bijzondere plantengemeenschappen. Het eiland is in het mesotrofe (matig voedselarme) en wat minder zure (pH 5.5 - 6.6) water in een zeer langdurig ontwikkelingsproces ontstaan uit een dikke drijvende veenmosdeken. Dit veenmospakket is steeds met de wisselende zomer- en winterwaterstanden op en neer gegaan, waarbij in de zomer een ringvormige oeverzone droog viel, waarin de veenmosgroei werd geremd, terwijl in het centrum het veenmospakket dikker werd. De groei is in het midden zo ver gegaan, dat een dikke laag ontstond die onderaan bestond uit dood veenmosmateriaal en bovenaan uit levende veenmossen, die tenslotte boven het water uitgroeiden. Het milieu werd toen geschikt voor andere veenmossoorten, die ook boven water kunnen groeien.
Een dergelijk ringven is ook het Kanunnekensven in de Stratumse Hei, pal ten zuiden van het houten-huisjes-dorp van Tivoli. Door de mesotrofe omstandigheden en de grote variatie ter plaatse kan zich in het Klokkeven een zeer rijk samengestelde zeldzame plantengroei handhaven. Het water in de ring is in de zomer niet ver van de kant al ca 1.20 m. diep; op de bodem ligt een vrij dik veen/modderpakket. De diepe waterring is begroeid met vooral waterlelies; op de wat ondiepere plaatsen groeit drijvend fonteinkruid. Hiertussen drijft overal een merkwaardig vleesetend plantje, klein blaasjeskruid dat onder water in kleine vangfuikjes tussen de in draadvormige slippen verdeelde blaadjes kleine waterdiertjes vangt en dat boven water bloeit met prachtige citroengele 'Iip'bloempjes. Naar de oevers toe groeien gemeenschappen van o.a. het Caricion curto-nigrae, het verbond van zompzegge en gewone zegge, met o.a. draadzegge, inave/zegge, (weinig) gewone zegge, veenp/uis, iwaterdrieb/ad, vee/stengelige waterbies en (weinig) knolrus, het mosje Gymnoco/ea int/ata en de 'veenmossen Sphagnum recurvum en Sph. (subsecundum. Veenpluis groeit bij voorkeur in de buitenste rand en wordt daar begrensd door een  (zone met pijpestrootjespollen, waartussen o.a. nog Sph. recurvum en plaatselijk ook wat pitrus en gewone waterbies groeien. De pijpestrootjesrand  { gaat over in een vrij steile en dus smalle oeverzone met dopheide. Het veeneiland komt boven water uit; de dikte van het veen van de oppervlakte tot op de zandbodem is ongeveer twee meter. In de vegetatie op het eiland liggen ondiepe slenkjes, ijl begroeid met de zeldzame witte snave/bies en veenpluis. Voor de rest bevat de mooie begroeiing vormen van het dopheide-veenmos-verbond met o.a. dopheide, zeer veel rondbladige zonnedauw en minder kleine zonnedauw, veenpluis, kruipend struisgras en enkele hoogveenvormende veenmossen: Sph. recurvum, Sph. compactum {kussentjes veenmos), Sph. papil/osum en (minder) Sph. fimbriatum (gewimperd veenmos). Aan de N-zijde van het eiland breidt een bosje van zachte berk, ruwe berk en grove den zich langzaam uit.
Op de zandheuvels bij het Klokkeven groeien enkele mooie jeneverbesstruiken.
 

    Voor een fotoreportage over het klokkeven klik hier



 

 

Het Galbergven
Ook het Galbergven is een vrij diep ven, omgeven door zandheuvels. Het is helemaal gevuld met een indrukwekkend drijvend waterlelieveld. Op één plaats, waarschijnlijk op het diepste punt, groeit een pol mattenbies. De randvegetaties bestaan uit smalle zones van achtereenvolgens (van nat naar droog) draadzegge, mosjes en veenmossen met kleine zonnedauw, pijpenstrootje, en een zeer smalle rand dopheide, die overgaat in struikheide. Aan de westkant groeit een strook pitrus, op een plaats waar de jagers geregeld voeder strooiden (strooien?).

Het Laagveld
In het Laagveld ligt temidden van een gagel/pijpenstrootjesveld een ven dat in vorm sterk afwijkt van de andere vennen: het is hoefijzervormig. De bodem van dit ven en zijn omgeving is erg venig. Omdat venmilieus arm zijn is ook het dierenleven er zeer beperkt. Uiteraard ontbreken dieren die kalk nodig hebben (slakken, mosselen, vissen). Alleen enkele zeer sterke visjes komen voor en die zijn nog geïmporteerd ook: zonnebaarsje (zeldzaam), honds visje en klein honds visje , maar in extreem oligotroof water kunnen deze ook niet leven.

De larven van enkele libellensoorten leven in vennen. Vrij veeloppervlaktewantsen komen alleen voor in mesotroof of oligotroof water van vennen.

Echte venvogels zijn de ranke zwarte sterns (venkraaien of kie-kewwe), die in kleine kolonietjes broeden op drijvende waterplanten (bijv knolrus) in vennen, maar ook wel in drassige laagten. In '73 waren er in heel Leende hoogstens 2 broedpaartjes; vroeger waren het er elk jaar 20 à 30. In mei '68 waren er op de Hasselsvennen steeds een paar kuifeenden. De geoorde fuut broedde omstreeks 1950 in de Klotvennen; vroeger broedde daar ook wel eens een paartje dodaars. Over de kokmeeuwen van de Hasselsvènnen hebben we het al gehad. Rond de vennen broeden jaarlijks grutto, tureluur, kievit, watersnip, rietgors en diverse eendachtigen. In herfst en winter zijn de vennen belangrijke pleisterplaatsen voor rietganzen en eendachtigen en allerlei soorten steltlopers en weidevogels.

In de zeer droge zomer van '73 vielen de meeste vennen, die door enkele droge winters toch al een lage waterstand hadden, geheel droog. In september '73 bood alleen het Klokkeven nog min of meer het normale beeld, hoewel ook daar het waterpeil belangrijk was gezakt. In het Dorven en het Eijerven stond nog een klein beetje water. Alle andere vennen stonden helemaal droog, het Bierven niet meegerekend. Veen en modder en ook lagen afgestorven algen op de venbodems droogden ver in. De altijd gezwollen natte puddingbodems veranderden in nooit gekende minilandschappen van gekrulde korsten en diepe scheuren en spleten. Regenbuien, die er af en toe wel waren, hadden op de vennen geen enkel nuttig effect, omdat het water via de droogtespleten direct naar onderen verdween. Pas bij een ononderbroken periode met veel neerslag, liefst met sneeuw, die gelukkig begin december '73 ook kwam, konden de ingedroogde venbodems langzaam opzwellen en weer gesloten raken. De droogte zal vooral voor de dieren van de vennen funest zijn geweest; de venfauna zal vanuit andere milieus weer moeten immigreren. Verwacht wordt dat het plantaardig leven zich vrij gauw weer zal hebben hersteld.

Voor haar uitgebreid proefschrift (juni '73) bezocht Margriet Schoof in de jaren 1968-1973 veel vennen, waardoor de huidige toestand daarvan kan worden vergeleken met de vroegere toestand die door eerdere onderzoekers in Nederland vanaf 1936 werd vastgelegd. In de meeste eerder onderzochte vennen blijkt de karakteristieke vegetatie geheel te zijn verdwenen of nog slechts in sterk verarmde of gestoorde vorm voor te komen. Zeer veel vennen bleken verdwenen of veranderd. Alleen in sterk geïsoleerd gelegen vennen bleken flora en vegetatie zich grotendeels te hebben kunnen handhaven. De voornaamste oorzaken hiervan zijn ontginning, waterstands verlaging, eutrofiëring (verrijking van het water), gebruik van herbiciden, massarecreatie en uitbreiding en aanleg van woonwijken en industrie­terreinen. Van de 900 in de vijftiger jaren door de Stichting Onderzoek Levensgemeenschappen in Nederland onderzochte vennen blijken er al 500 min of meer ernstig verontreinigd.

Van de waterlobelia,een plant van zuivere vennen met een blote zandbodem, die in 1956 in Nederland (niet in Leende) op nog 25 groeiplaatsen voorkwam, werden in 1973 nog maar 6 groeiplaatsen terug gevonden. Ook de Leendse vennen hebben de laatste 40 jaren belangrijke peildalingen ondergaan door ontwatering tbv bosbouw en landbouw. Veel vroegere vennen zijn daardoor veranderd in drogere laagten. De overgebleven vennen waarvan de waterstand daalde werden tevens kleiner. Een aantal vennen veranderde in cultuurgronden.

Meer Leendse vennen zijn geschaad door het in het water of op de oever strooien van voeder tbv de jacht (eenden lokken), vooral in vroeger jaren toen gevoerd werd met spul van de schilleman (groenten- en broodafval, schillen). In het Leenderbos is het inrichten van voederplaatsen verboden; toch vonden we in de herfst van '73 nog belangrijke voeder activiteiten (zakken vol tarwe), o.a. in het water van het zeer kwetsbare Klokkeven. Recreatie in vennen en in hun nabijheid is ontoelaatbaar. Sleetje rijden, 'slibberen' en schaatsen kunnen echter gerust worden toegelaten op weinig begroeide vennen (zoals het Schaatsven op Valkenhorst), zeker wanneer bij hoge waterstand de oevers door ijs beschermd zijn. Als men maar geen afval achterlaat. De kostbare ven- en venoevervegetaties zijn zeer gevoelig voor betreden, dat dan ook door alle eigenaren en beheerders verboden wordt.
 



   naar het begin


einde