Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Toponiemen
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Toponiemen (plaatnaamkunde van Leende), naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "Hoe hèjte ze't hier en daorg",  beknopte toponymie (plaatsnaamkunde)


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder  (
zie ook het gedicht "witte nog")


De mensen hebben altijd alles een naam gegeven.
Ook de verschillende onderdelen van het landschap, de wegen, de paadjes, de wallen, het water, de landerijen en de woongebieden. De vroegere mensen hebben een heel precieze onderscheidings­zin gehad voor ogenschijnlijk subtiele verschillen in het gegeven en de mogelijkheden van het landschap. Die eigenschap kwam tot uiting in de naamgeving van alle delen van het landschap, dat door hen werd bewoond en gebruikt. De percelen, die nu allemaal een kadasternummer hebben, hadden vroeger dikwijls elk een naam. Zeker gaf men namen aan complexen bij elkaar gelegen soortgelijke percelen. Omdat uit de kennis van de veldnamen of toponiemen veel in het land­schap begrijpelijker wordt hebben we een hoofdstuk hierover in ons boek gevoegd. De namen kennen we van oude en jongere kaarten, uit literatuur en uit oude akten, verbalen, en brieven. Oudere Leende­naren hebben ons percelen, complexen en wegen met de bijbehorende namen in het veld of op de kaart aangegeven.

In het jaar van het torenjaar vonden we een kopie van het Landboek van Leende van 1766, een overzicht van alle percelen mét oppervlakte en belastbare opbrengst, per eigenaar gegroepeerd: het "Register vant Nieuw Lant oH Set Boeck van Leende vernieuwt 1761 en 1766". Aan het slot is vermeld: "Quohier der Beede en verponden van Leende: geformeerd ingevolge haar Ed: Mog: refe van den 24e september 1765 en door de Ed: agtbaare Heere die van de Leen en Tolkamer te 's Bosch geëxamineerd en geapprobeert den 5e aug. 1766 en accordeerende attesteere ik ondersecretaris der vrije grondheerlijckheid van Heeze, Leende en Ses Gehuchten den vijfden september 17 C ses en sestigh", getekend P. Eckringa. Het afschrift telt drie delen en 668 pagina's. Omdat een kadaster (registratie van genummerde percelen op kaarten) nog niet was aangelegd, zijn in het land boek alle percelen omschreven, dikwijls met een naam. In het landboek werden kostelijke veldnamen gevonden; van de meeste echter weten we de ligging niet.

Veel namen kregen we van Sjef van der Zanden Sr., dikwijls met historische gegevens die op de naam zelf of op de eigenaar, de weg, de straat, het akkercomplex, het ven e.d. betrekking hebben. Vele middagen en avonden hebben we met hem ons kaartsysteem van toponiemen doorgenomen, kaarten bestudeerd en getracht de namen te verklaren. Alle namen, waarvan de ligging bekend is, zijn op kaarten verwerkt. De veldnamenkaart van Leende is te uitgebreid geworden om helemaal in dit boek te worden opgenomen. Het verklaren van veldnamen is erg moeilijk. Veel namen zijn zo oud, dat ze uit een vroegere taal stammen; vooral met complexnamen is dat het geval. Bovendien zijn veel namen verkeerd geno­teerd op kaarten. De kaartenmakers, ­dikwijls afkomstig uit een andere streek, hebben de namen, die ze van de plaatselijke bevolking hoorden, dikwijls verkeerd verstaan, of - helemáál fout natuurlijk - verhollandst, óf ze hebben een dialectisch woord niet kunnen noteren, eenvoudig omdat ons alfabet daarvoor niet genoeg letters heeft. Enkele voorbeelden van verschrijving door kaarten­makers en ambtenaren kennen we. De Bronzen Weide (Zesgehuchten) is eigenlijk D'n Baron z'n Wei. De Rieloop (Heeze) heeft een tijdlang op de kaart gestaan als Drieloop. De Dianastraat (Aalst), volgens ambtenaren ten gemeentehuize "afkomstig uit de Romeinse mythologie", is een straat, die genoemd is naar niets anders dan 'de Jaone', 'd'n akker van Jaone' daar in de buurt. Het Greveschut­ven (Heeze) is het Grevens' Hutven, het ven bij de hut van Greven; de Heezer Hut werd een tijdlang bewoond door de familie Greven. Het Dikke Tonnen Drieske aan de Langstraat in Leende is niet het drieske van een gezet persoon, die Toon of Tonna heette; er is vroeger een schat gevonden, bestaande uit Dukatons, 17e eeuwse zilveren drie-gulden­stukken. Rijthoven werd Riethoven. Turkije ergens in de Peel moet zijn 't Hurkje (eerder den Hurk, nog eerder den Hork). Het Fietsenbos (Luijksgestel) is het Beneficiebos. De Neerbeemden of Eerbeemden (Leende) aan de Kleine Aa heten nu Heeren­beemden. 't Raadbroek (Leende) heet eigenlijk Robbreuwk; Robbroek zou ook nog kunnen. En onze Pomperschans is waarschijnlijk de Pompers Camp. Er kunnen groepsbenamingen worden onderscheiden voor bepaalde duidelijk van elkaar verschillende typen van landschapsonderdelen.

Daar moeten we 't eerst even over hebben. Maar let op. De meeste aanduidingen gelden alleen voor onze streek en het aangrenzend Kempenlandschap. Op de leemgronden van de Meierij, langs de Maas, in Peelland en in Limburg zijn de complexnamen heel anders, zoals ook bodem en landschap daar oorspronkelijk al anders waren dan hier en op andere wijze na het in gebruik nemen door de mens zijn vervormd. Met eenzelfde naam kan dus elders iets heel anders zijn bedoeld. De meeste benamingen voor landschapsonderdelen ontstonden in en na de tijd van de Frankische nederzettingen (6e en 7e eeuw), toen ons gebied behoorde tot de gouw Taxandrië. Een plaatse is het centrum van een zandakkerdorp. Het is een driehoekig 'plein' dat inderdaad ook wel eens plein of pleintje heet, en dat ook wel heuvel wordt genoemd; vgl. Strabrechts Pleintje (Heeze), Broekerheuvel, de ruimte bij de kerk van Leende heet nu plein. De boerderijen en later ook de ambachtswoningen staan om de plaatse gegroepeerd. Het plein is eigenlijk niet meer dan een grasveld, dat meestal met eikenbomen is beplant. De plaatse wordt begrensd door wegen. Ergens op de plaatse is steeds een drenk-, tevens bluskuil. Op de plaatse werd het vee verzameld, dat in verschillende kudden naar de weide- of graasgronden werd gedreven; de driekantige vorm was voor dit doel heel praktisch.

Gehuchten en buurten kunnen verder allerlei namen hebben: -huis. -huizen, -hof, -have, -wijle Ook afzonderlijk gelegen boerderijen kunnen -huis, -hof, -have of -hoeve heten. De buurten, die -eind, -eindje, -hoek of -staart heten, liggen gewoonlijk buiten de oorspronkelijke kernen en zijn dus jonger. De plaatse moest uiteraard deel uitmaken van de gemeynt. Tot de gemeynt behoren de terreinen, die gemeenschappelijk eigendom zijn van een gemeenschap (vgl. Meneeuwsels). Hier is de gemeynt echter meestal eigendom van de heer van Hees en Leen, die dit bezit tegen vergoeding in geld en diensten in gemeenschappelijk gebruik gaf aan de bevolking, de 'goede luiden'.

Op de plaatse komen allerlei wegen bijeen, die konden worden afgesloten met hekken of draaibomen. Buiten het gehucht vertakten zich de wegen. Ieder type weg heeft een eigen aanduiding. Veel wegen heten eenvoudig weg. Maar een weg parallel aan de beek heet haast altijd straat (Langstraat, Oosterikkerstraat, Leenderstraat, Strijperstraat). Meestal is een straat de verbindingsweeïg tussen twee dorpen of gehuchten. En weg, die de beek kruist, heet altijd dijk. De Strijperstraat is een heel ander type weg dan de Strijperdijk. Het is mogelijk, dat in veel gevallen bij de kruising met de beek ivm hoge winterwaterstanden de weg is opgehoogd, wat de aanduiding dijk zou kunnen verklaren. De plek, waar een dijk door of over de beek gaat, heet voorde of voort. Dikwijls zijn de voorden heel oud. Oorspronkelijk is een voorde een doorwaadbare of doorrijdbare plaats, een oudere naam is gewad. Later kan een voorde een brug, dam. duiker, ezel, hooI (duiker), schoor (dam met houten duiker), stap of vonder zijn geworden. Een dreef is een weg, waarover het vee naar de graasgronden werd gedreven (hier ook de Veestraat). Meestal was een dreef aan weerszijden dicht begroeid met houtgewas, dat nog in elkaar werd gevlochten ook. Een pad of paajke is een smal wegje, dat voornamelijk werd gebruikt door verkeer te voet.

Een dijk heet dikwijls naar de plaats, waar deze begint, bijv Strijperdijk, Oosterikkerdijk. Straten, wegen en paden werden meestal genoemd naar de plaats waar deze heen voerden: Hoogeindweg, Kapelstraat, Mesienpaajke, Molenweg, Oeienstraat, Schoolpaajke, Voordenweg. En ook wel naar plaatsen waar deze over en langs gingen: Speelweg, Tuintweg. Er zijn natuurlijk uitzonderingen.

Akkers zijn bouwlandcomplexen met vele percelen van diverse eigenaren. Een akker kan doorsneden zijn door wegen en paden en was vroeger dikwijls omwald; achter en binnen de wallen liepen dikwijls wegen. De percelen van de verschillende eigenaren hebben geen duidelijk zichtbare scheidingen. De perceelgrenzen werden aangegeven door veldkeien of palen. De grenzen zelf zijn slechts te zien aan het verschil in gewassen of aan ploegvoren, die overigens vroeger steeds werden dichtgeslecht. Percelen in de akkers kunnen een afzonderlijke naam hebben, dikwijls naar een (vroegere) eigenaar of gebruiker, of naar een gewas. Tot voor kort werd in de akkers voornamelijk rogge verbouwd. In de akkers ontbreken bomen en boomgroepen. Soms treffen we er wel bosjes aan, aangelegd in tijden van lage landbouwopbrengsten, bijv de landbouwcrisis van 1870, toen hier eikenhakhoutbosjes werden gepoot voor de winning van run (looistof).

Een kamp is een losliggend stuk land, meestal bouwland en meestal door wallen en of heggen omgeven. Binnen elke omwalling is de grond meestal van één eigenaar. Kampen zijn meestal van jongere datum dan de akkers. In de Molenheide liggen een aantal van die kampen; de Dijksche Kampen zijn ouder. Het komt voor dat een perceel uit vroegere overstoven akkers bij opnieuw in gebruik nemen de naam kamp krijgt. Vergelijkbaar met kampen zijn bogten en smelen.
Bogten kunnen zowel bouw- als grasland zijn; smelen zijn verlaten bouwlanden, die met gras begroeid zijn.

Beemden zijn min of meer voedselrijke weide- en hooigronden, gewoonlijk gelegen langs een beek, dicht bij een dorp. Ze zijn al vroeg enigszins ontwaterd, maar 's winters kwamen ze altijd onder water. De oudste beemden dateren van omstreeks het jaar 1000; hun verkaveling geschiedde kort voor 1300. Velden zijn wat jonger. Het zijn zgn. wisselgronden (afwisselend bouw- en weiland), die werden aangelegd in de flauwe helling naar de beek, dikwijls ergens tussen plaatse, akkers en beemden in. In Leende hebben veel velden ook wel een complexnaam, waarin de aanduiding veld of velden ontbreekt; behalve Brugger Velden, Dijksche Velden, Kerkeveldjes en Tuintvelden hebben we daarom ook de Schammerden, de Schavijen, de Voorden, de Zoeijen. Om wat verwarring te zaaien: ook 'woeste' grond heet wel eens veld; in Saksische streken heet een plaatse brink en heten de akkers es, de beemden groengronden en de gemeynt (de heide) veld; in Noord-Limburg is veld de benaming voor akkercomplex. Ook afzonderlijke percelen buiten de velden kunnen bij ons wel eens veld heten; veld betekent dan eenvoudig perceel.

Een dries is een bij de woning gelegen niet te groot graslandperceel, dat meestal werd beweid. Behalve deze 'thuisweiden' heten ook verder weg gelegen minder vruchtbare graslanden wel eens dries. De aanduiding weide (of waai) wordt gegeven aan stukken grasland, waar het vee dag en nacht kon blijven, en de naam ontstond eigenlijk pas na de ontdekking van de kunstmest, het vervallen van de potstal methode en het ontginnen van heide en vennen. Vroeger kwam de benaming weide nauwelijks voor.

Langs de beken liggen een aantal typen gronden, onderling verschillend door bodem, ligging, vochtigheid en gebruik. We beginnen bovenaan, bij de oorsprong van de beek en we zakken af met de verschillende namen mee in de richting van het dorp. Allereerst is er dan een del, hier ook wel rijt genoemd, een tongvormig nat gebied op de flank van een waterscheiding, min of meer komvormig gelegen tussen hogere zandruggen; in de kom is veenvorming. Uit een del begint altijd een beekje of loopke, de eigenlijke rijt of riet; het woord is afgeleid van ri = stromen, de t is onecht. Een del of rijt heeft nooit open water, tenzij er een veen pakket groeide van voldoende dikte om er turf te kunnen winnen; het open water is dan kunstmatig en verlandt na verloop van tijd weer. Vrijwel alle rijten zijn ontgonnen. Voorbeelden zijn: de Roonrijt (nu Rodenriet) bij Achel waaruit de Voorterloop begint, een der takken die de Tongelreep vormen; de Riet (Keunenhoek Budel), een kort zijstroompje van de Kleine of Buulder Aa; verder tientallen voorbeelden in de oorspronggebieden van Beerze, Reusel, Dommel en Tungelroysche Beek.

Een goor ligt verder stroomaf. Goren zijn laagten met een dikkere venige bodem. Ze zijn matig voedselrijk; door de ontginning van de rijten zijn ze voedselrijker geworden, zodat er nu riet, lisdodde en els groeit. Bij hoge waterstanden is er waterafvoer naar de beek, die door het goor stroomt. Oorspron­kelijk groeide er weinig hout. Gewoonlijk is een goor een turfwinningsgebied met veel kuilen. Op de verlande turfkuilen groeit tenslotte wilg en els. De meeste goren hebben in de loop van deze eeuw een belangrijk lagere waterstand gekregen. Veel goren zijn ontgonnen tot weiland.

Een broek lijkt op een goor, maar ligt meer stroom­afwaarts en is dus nog wat voedselrijker. De beek loopt langs het broek. Een broek heeft gewoonlijk een minder dik veen pakket en is minder nat dan een goor.

Een zigge, zig, zigske, zegge of saar is in het al oude verleden door veeweiderij en maaien ontstaan uit een broek. Zeggen zijn tamelijk drassig, matig­voedselarme hooilanden, waar veel Carex-soorten (zeggen) groeien.
Eeuwsels zijn hooilanden (eeuwen = voederen), die ook uit een broek ontstonden. Mogelijk was een eeuwsel niet zo nat als een zegge. Door enige ontwatering en bemesting kon een eeuwsel in deze eeuw daarom gemakkelijker dan een zegge tot weiland worden gemaakt.
Een kunstmatig verkregen vijver heet weier. De meeste weiers zijn door opstuwing van water verkregen; ook vennen zijn door uitdiepen en bemesten in weiers veranderd. Weiers zijn steeds aangelegd met de bedoeling er consumptievis te kweken, in enkele gevallen mogelijk ook voor het houden van tamme ganzen en eenden. Veel weiers waren in eigendom bij de geestelijkheid. Denk aan de vroegere talrijke onthoudingsdagen, waarop geen vlees mocht worden gebruikt; en vis was geen vlees. Op de waterscheidingen tussen de beken liggen op de hoogst gelegen plaatsen de gewoonlijk zeer uitgestrekte 'inculte' of 'woeste' gronden, die vroeger van grote betekenis waren voor de dorps­gemeenschappen. Men won er voeder, mest, strooisel, een deel van de brandstof, en verder honing, was, wol, vlees. Ze heten heide of aard en maakten gewoonlijk deel uit van de gemeynt. In de heide liggen in de lagere plaatsen waterplassen, die ven, vlaas, meer of bleek heten.

Een ven is een met water gevulde ingesloten laagte, die geen natuurlijke afvloeiing heeft en gelegen is in hogere zandgronden. Het venwater is zuur en voedselarm ; vennen hebben weinig begroeiing en zijn tamelijk ondiep. Er is zeer langzame vorming van een veen pakket in het midden van het ven, bij grotere vennen meestal duidelijk alleen aan de zuidwestkant. Schönfeld legt uit dat vlaas, flaas, vlas, vlies, fles en floos allemaal ven namen zijn, die zijn afgeleid van flache (Fr. voor poel). Maar een vlasven is een ven, waarin vlas werd geroot.
Een bleek is een ven, dat in de meeste zomers droog valt; bleek duidt op het blanke, het witte van het water, vgl. namen als Blankven en Witven elders. Een meer is een groter en dieper ven. Langs de beken onderscheiden we nog wielen (kolkdiepten aan de 'botsoevers' van meanders), waarden ('eilandjes' in de punt, waar twee beken samenstromen), putten en kuilen (turfgaten, maar ook het terrein, waarin turfgaten zijn gemaakt).
Een ham is het land, dat 'omarmd' wordt door een beek­kronkel; dit heet ook waard of werdje. Een dolech of doodlage is een afgesneden beekkronkel; zie Den Dolling.

Voor de hoogste plekken in het landschap zijn allerlei benamingen. In het zwak golvende landschap kan een verhoging van veel minder dan een meter al een aparte aanduiding krijgen.
Bergen zijn gewoonlijk het allerhoogst; meestal zijn het stuifzanden, die door 'overkultuur' (te veel ontgin­nen, beweiden of plaggen) konden ontstaan. Ze heten ook wel heuvels; maar een heuvel kan ook een plaatse zijn. De hoogste toppen kregen gewoonlijk een eigen naam: Kraaienberg, Veters­berg , Zandberg, enz. De bergen of heuvels liggen meestal ten westen van een dorp, tussen (soms over) de oude cultuurgronden en de heide. In Leende is nog een ander type bergen.
De hoogste akkers (o.a. bij de Halvennen en de Loofvennen) werden uitgelaagd om zand te verkrijgen voor het ophogen van de modderige plaats (erf) en het aanvullen van de uitgereden potstallen. Deze - nu lagere - akkers heten bergen, een complex aan de Halvennestraat heet De Bergen. Veel boeren hadden in de bergen hun eigen 'bergske'.

Geringe verhogingen in het landschap kunnen nog andere namen hebben.
Een donk is een zandige hoogte in een moerassig gebied.
Een bult is een ­geringe - hoogte.
Kloten duiden ook op een hogere ligging.

Overige toponiemen zijn Aa (stromend water); bos; daal of dal (laagte); horst (kreupelhout, schaarhout); hork of hurk (hoek, uithoek); hut, laar (open - meestal grazige - plek in het bos); graaf, loop (gegraven waterlossing, dikwijls een vergraven oorspronkelijk stroomke);
 paal (grenspunt, waar een grenspaal stond of staat; ook de omgeving daarvan heet dikwijls paal); ren en run (stromend water); rade en rode (zeer oude ontginning, van rooien); reen (akkerwal ; zie akkers, bogten, kampen, smelen); schoot of schut (afgesloten land); stal (plek, veeberging). De veldnamen kunnen we behalve naar de samenstellingen met een der bovenbesproken aanduidingen ook indelen naar: soort en kwaliteit van de bodem: De Verloren Kosten, De Kooyen, Zand berg; verschillen in hoog en laag: Berkenheuvel, Kievitenbult, Kloten, Neerbeemden, Vetersberg, Watervelden , Zoeiakkers ; de begroeiing: Biesputten, Dennebos, Eikendonk, Zeggen; de dieren, die er voorkwamen of voorkomen: Grietenveld , Kraaijenberg , Kraanvennen , Vogelenzang ; maat en grootte: Vatsent (vat zaad), Drieleupense, de Groote Heide, de Kleine Tuint; vorm en indeling: Bijlke, Lange Bleek, Brilven, Eegske, Langakkers, Tip, Vier Veldjes, Ronde Vlaas;
de ligging (bij iets anders): Brugger Velden, Kerkakkers, Schaarakkerdries, Tuintakkers ;
ook: Oosterik, Voorden, achtersten hegakker ; een afsluiting, omheining of grensteken : Dijksche Kampen, Molenschut, Paaldijk, Paalvenneke; een gebouw of een ander ding: Kapelberg, Kerk­akkers, Mesienpaajke, Molenheide, Groene Stal; de duur van gebruik: Nieuwland, Oude Beemden, Ouden Dijk; een weg of dijk: Hanneke Raassendijkske, Dijksche Velden, Heerstraatakkers ; een persoon: de Kloten van Geert van Gaal, Moesse Hei, Smitakker van Jan Nippen, Pompen Eeuwsels, Papenbroek, Sechelendries, Simkes Bos, Wullemsakker, Gat van Winters; een gebeurtenis: Bivak, Bliksem, Dikke Tonnen Drieske, Galgenberg, Verdwaalde Herder, Kattenput, Pèrdekerkhof; het water: alle aa-, ven- en vlaasnamen, maar ook: Gat van Winters, Putten, Watervelden ; het - vroeger - gebruik: Klotkuilen, Looikom, Schaatsven , Schietberg , Steenakkers. een gewas: Boonhof, Vlesserakker, Wortelveldje ; een gewas werd dikwijls lang achtereen met tussenpozen voor vruchtwisseling op hetzelfde perceel verbouwd; het kan ook zijn, dat aan een perceel de naam werd toegevoegd van het gewas, dat werd verbouwd in het jaar van aankoop of vererving. We gaan nu alle in Leende gevonden toponiemen (het zijn er ruim 500! maar er zullen er ongetwijfeld nog meer zijn) noemen en de ligging ervan aangeven, als die tenminste bekend is. Ook proberen we de veldnamen te verklaren, waarbij we vooral gebruik maken van wat anderen publiceerden of aan ons vertelden. Hier en daar is uit eigen kennis of beredenering een naam verklaard. Iedereen mag dat (graag!) verbeteren en aanvullen. Waar ligging en naamsverklaring niet werden gevonden, wordt de naam eenvoudig genoemd. Gissingen zijn zoveel mogelijk beperkt. Bij de weergave zijn fonetische tekens vermeden; de in geschriften gevonden namen zijn ongewijzigd daar uit overgenomen.

Eerst iets over de namen Leende en Strijp.
Leende is al op veel manieren verklaard. Er zou verband zijn met leengoed. Leende werd wel geschreven als Leen. Maar Leende bestond al voor Leende leengoed werd. We zeggen: 'Lind'. Er zou dus verband kunnen zijn met lindebomen, die hier veel voor de huizen staan. Maar het is 'leendenbom'. 't Is lang niet zeker en zelfs onwaarschijnlijk, dat het gebruik van het planten van lindebomen voor de huizen begon terstond nadat Leende werd gesticht en toen ook direct of gauw daarna een naam kreeg:

Lind of Leende. Er zou misschien, veronderstellen anderen, een lindebos geweest kunnen zijn, waarin de eerste Leendenaren open plekken hakten, en daarom zou de eerste nederzetting Lind heten. Maar er is geen enkele aanwijzing voor een lindebos of een mengbos met veel linden ; de aanwezigheid daarvan, zo blijkt uit pollenanalytisch onderzoek, is zelfs zeer onwaarschijnlijk. Bovendien zou het dan zeker Lindelo, Lindrode, Lindrade of zoiets zijn geworden. Volgens Schönfeld zijn Linde, Lind en Lent waternamen. Als de Aa een Lind is - en niets wijst daarop - zou de naam van het water op de woonplaats kunnen zijn overgegaan. Leende zou verder kunnen afgeleid zijn van belenden; Leende grenst aan de voornaamste plaats van de heerlijkheid (Heeze). Er is inderdaad meestal sprake van Hees en Leen, eerst Heeze en dan pas Leende, maar het komt ook wel anders voor: Leen en Hees. Ook taal historisch moet deze verklaring aangaande belenden worden verworpen.

Wat zitten we toch moeilijk te doen. Er is nl maar één verklaring. En dat is nog wel dezelfde als die voor de naam Strijp werd gevonden. Leen of Lind is iets langgerekts (vgllint, lijn), een langgerekte plaats, een reeks woningen, een lijnvormige straat. In 1429 schrijft men Leijnde. Leende en Strijp zijn twee wat uitgerekte dorpen aan één straat, die parallel aan een toevallig (!) tamelijk recht beekdal liggen. Zie ook het vorige hoofdstuk betr. de Romeinse historie van zowel Leende als Strijp.
Leende en Strijp zijn twee aanduidingen voor ongeveer hetzelfde.
Want ook Strijp (in 1527 'de Strijpe Straete', in 1563 'Strijpenstraten', in 1671 'aen de straet genaempt Strijp', vroeger ook wel eens 'Striepe', is iets langs, een streep.

De toponiemen van Leende zijn alfabetisch verzameld volgens meer algemene aanduidingen als aa, akker, beemd, berg, enz t.e.m. zegge; meestal betreft dit samenstellingen of samenkoppelingen. Tenslotte een groep toponiemen, die niet bij een der voorgaande groepen zijn onder te brengen.

Aa,
hier Ao. Alle beken worden eenvoudig met Ao aangeduid. Maar we onderscheiden de Strijper Aa of Kleine Zoer, de Kleine Aa, die ook Buulder Aa, Marezzer (Maarheezer) Aa, Robbroekse Aa, Soerikker of Soerikse Aa of Grote Zo er wordt genoemd en die in 1590 in het Cijnsboek van Cranendonck 10e Gemeijne Aa' heet, en tenslotte de Groote Aa of Rul, die bij de Maarheezer Dijk wordt gevormd uit de samenvloeiing van Kleine Aa en Strijper Aa. Een complex gronden in de buurt van deze samenstroming heet De Geley Aa of Gleejao. Dat 'glee' kan duiden op glijden, bewegen, maar ook op gelegd, verlegd, nieuw gegraven dus. We komen er niet uit. Sm" 23.5.1430: 'die Ghelada naast die Aa'.

Akker.
Zowel complexen (d'ekker) als afzonderlijke percelen. De Broekakkers of Den Broekekker, complex tussen Dorpsstraat en Broekerstraat. Hier kwam de eerste moderne uitbreiding van Leende tot stand: huizenbouw in Lindenlaan, Beukenlaan, Eikenlaan en Broekerstraat; uitvoering begonnen in 1952, voltooid in 1962. Volgens sommigen heetten de Broekakkers vroeger Boekenderstraat; boekend = boekweit. De Heerstraatakkers of kortweg De Heerstraat, akkercomplex ter weerszijden van de Heerstraat, ten zuiden van de kapel. Heer zou kunnen betekenen 'zandige hoogte' (van: haru); Sm' verwijst naar kaartsysteem van F.W. Smulders op de Bossche Protocollen, Rijksarchief 's Hertogenboseh; Lb' verwijst naar het Nieuw Lant oft Set Boeck Leende 1766; het landboek is niet volledig doorzocht. mogelijk echter is er verband met heer (voornaam, belangrijk) en heir (leger); er ligt een Romeinse percellering in de buurt, waarvan de Heerstraat overigens geen deel uitmaakt. De Heiakkers liggen tussen de hei en het complex Over de Krekelweg in Strijp; Lb * : 'den heijacker' en 'den heiacker ontrent de kuijl', zie De Kuilen. De Hoogeindakkers, d'Hoogeen of d'Egeenakkers, complex ten N van Strijp, ten W van de Krekelweg ; wel hoge akkers, doch niet hoger gelegen dan bijv de aangrenzende Hoeven en Over de Krekelweg.
Hoogeind kan duiden op voornaam, aanzienlijk; d'Hoogeen valt binnen een Romeinse percellering en kan een Frankisch domein zijn geweest.
De Kapelakkers liggen ten NW van de Sint-Janskapel.
De Kerkakkers, complex ten Wen ten Z van de kerk.
De Laang Akkers, complex ten N van de Veestraat ; in dezen ekker liggen veel smalle lange percelen, maar dat is in andere akkercomplexen ook wel het geval.
De Molenakkers liggen tussen de Laang Akkers en de Kerkakkers, aan weerszijden van de Molenweg.
De Padakkers zijn een complex aan de pad, tussen Lijkstraat, Kerkpad en Lange Pad, ten ZW van het Worteleindje.
De Steenakkers zijn een complex akkerpercelen ten 0 en ten W van de oude vervallen weg van Oosterik naar Heeze, ten Z van de grens met Heeze. Steen - duidt er hier zeker niet op, dat er veel stenen in de bodem zitten. Waarschijnlijk is er leem gewonnen voor steenbakkerijen die ter plaatse werden opgericht; Joost van Meijl deed op 14.5.1858 het verzoek een steenoven te mogen oprichten op zijn perceel Den Tip, gelegen in de Steenakkers.
De Tuintakkers liggen nabij den Tuint tussen de vroegere Strijperstraat en de Kerk­pad/Lange Pad.
De Zoeiakkers liggen aan weerszijden van den Hoge Weg, ten W van het Eindje, ten N van Strijp; Lb: 'de Zoeijen', 'den Soeacker', 'den Soeiacker'. Zoei duidt gewoonlijk op moerassig, zuur, nat, maar dit complex is niet lager gelegen en (thans) zeker niet nat. Uit het landboek kennen we nog een aantal nader aangeduide bouwlandpercelen : 'die acker op de Nop', 'dat ackerken aant weerken', 'de bosacker', 'dat doevenaekerken', 'den agtersten hegacker', 'den St. Jansacker', 'den Libben Truijen-acker', 'den lobben acker', 'den makelaaracker', 'den nasenacker', 'de Santacker', 'den schaeracker' en 'dat land aen den Schaerackerdries' (misschien een vorm naam : schaar, misschien ook verband met inscharen), 'den Smitacker van Jan Lzn Nippen', 'dn Suethof-acker', 'den veulenacker', 'den Vlesseracker', elders 'de Vlessert' en 'den vies ser' (ook Nol van Dijk, Strijp, heeft wel gehoord van den Vlessert', maar weet hem niet liggen; wellicht een vlasakker), 'den wersacker' (misschien een dwarsgelegen akkerperceel), 'den Wullemsacker' en 'den Wullenacker'.
Verder weten we het bestaan van een Kerkenakker, een perceel in de Groote Speel, eigendom van de kerk. In het complex Over de Krekelweg liggen nog een Grote Schutakker (ruim 25 are) en een Kleine Schutakker (ruim 12 are), eigendom van het gilde van St. Jan Baptist; de twee percelen zijn met de ruilverkaveling van 1959 in één perceel verenigd. Beemd. De Broekbeemden, complex lage gronden aan de Strijper Aa ten ZO van het Broekske. De Buulder Beemden, complex ten 0 van de Groote Aa tegenover de Schammerden, ten N van de Maarheezer Dijk. De Driesbeemden liggen op de W-oever van de Strijper Aa ter hoogte van 't Eindje; Sm: twee dagmaten beemd 'die Driesbeemt op Strijp', last: 'een penning aan een altaar in Liedrop'. Lb noemt meermalen 'den Eerbeemt', maar ook 'den Neerbeemd' en 'dat kerkenvelt in de Neerbeemden'. Nu kennen we de Heerenbeemden ten N van de Kleine Aa, ten Z van De Zevenhuizen en de E9. De naam Heerenbeemden komt in het landboek niet voor. Wellicht heeft de landmeter het destijds te mooi willen weergeven en zijn de Heerenbeemden dezelfde als de Eerbeemden en de Neerbeemden ; neer- duidt dan natuurlijk op de lage ligging.
De Oude Beemden liggen ten N van de Kleine Aa, ten Z van het viaduct van De Zevenhuizen ; 'oude' duidt haast zeker op de ligging aan Den Ouden Dijk, zowel de beemden als den dijk zullen al lang in gebruik zijn. Lb: 'den beemt in de oudebeemden genaamt den blixem van Adriaan van de Velde'.
De Stropersbeemd ligt vlakbij de Achelse Kluis aan onze kant van de Tongelreep. Sm 1428: 'die Stroepersbeempt', in het denombrement van 1440: 'eenen pale staende aen Stroppersbeemd' ; akte 3.2.1798: 'den Stroopert'. Strop kan duiden op stropen, maar ook op boomstobben.
De Zwanebeemd is een perceel aan de voorde in de Oosterikkerdijk, ten Z van deze dijk, ten 0 van de Aa, nu gemeentelijke vuilstort. Was wellicht eigendom van de eigenaar van de brouwerij de Zwaan op Oosterik. In deze eeuw is er nog 'gemoerd'. Uit het landboek kennen we nog een aantal beemd­percelen : 'belemans beemt', 'den blasenbeemd', 'den blakenbeemd' en ook 'den baeten oft blaken­beemd' (blaak of blek kunnen duiden op de lage ligging), 'den bonenbeemd' (een vormnaam? de vorm van een boon?), 'den Cruyt-Ansem beemt', 'den Dijkbeemd', 'den Goorbeemd', 'de heeseren­beemt op de Hulst', 'de Hellemensbeemt', (vermoedelijk naar: Helmus), 'den hoevenbeemd' (zie De Hoeven), 'den koppenbeemd in de Meulenschutten' (kan zijn: een hoger gelegen stuk, maar ook: .dwarsliggend perceel op de kop van anders gerichte percelen), 'den langenbeemd' , 'den morsenbeemd', 'den papenbeemd' en 'den Pappenbeemd', 'den Soerenbeemd', en verder: 'den beemd aan de Sig tot Strijp', 'den beemd in de Voort', 'den beemd in de Craanseden', 'dat beemtjen in den Ooleg vanTonis IJwens', 'den beemd aan den Ketelbueter', 'den beemd in de Jansborghen' , 'de halven beemd tegen de heg', 'dat beemtjen op t eijntjen', 'den beemd op de hooijstraat of Ouijvelsbroeken', 'den beemd aan de Wiel'. Sm 1440: een dagmaat beemd 'die Voerbeemt', 1440: 'den Hoefbeempt opten Tongelreep' (zie De Hoeven), 23.5.1430: 'die permoersbeempt in die Ghelada, naast die Aa', 2.5.1477: 'de Overleenderdijk aan de gemeynt den gruenen Beempt', 16.12.1444: 'des Ridders beempt', 1447: 's Costersbeempt'. In een verbaal van 1527 is sprake van Brebeemden, welcke plaetse sij seggen te heytene den Gemeynen Beempt'. uit de verdere tekst bi ijkt dat dit een eigendom van de Leenderstraat is, waarvan ook de Meneeuwsels deel uitmaken.

Berg.
De Bergen zijn een complex 'afgelaajen' gronden in de Halvennen.
Het Bergske is een klein perceeltje in de Bergen. De aanduiding Bergske komt meermalen in het landboek voor: bijv 'het bergske nieuw aengemaeckt'; uit het landboek blijkt dat een 'bergske' niet bepaald in De Bergen behoeft te liggen.
De Biblibomsenberg of Biblibonsenberg lag juist ten Z van het bungalow­park, voor de aanleg van de E9 vergraven. Deze berg is haast zeker een bekend speelterrein geweest voor de Leendse kinderen van vroeger; verstoppertje spelen heet in Strijp nog piejpenbergen; in Bergeyk piepelenbergen, hier ook wel zes-en-dertigen (na tellen tot 36 moest de aan de beurt zijnde zoeker heel hard 'ik kooooh-hom' roepen). De Frankenberg is een wat hoger gelegen deel tussen Hoogeind­akkers en Kapelakkers, ten 0 van de St. Janskapel ; dit akkercomplex valt binnen de door ons ontdekte Romeinse percellering.
De Galberg ligt bij het Galbergven in de Leenderhei (nu een natuurreservaatje in het Leenderbos). De meeste galg-toponiemen bevinden zich ver van de bewoonde plaatsen.
De Galgenberg, ook een oude terechtstellingsplaats, ligt op de grens van Heeze en Leende, juist ten W van de E9. In het denombrement van 1440 is o.a. sprake van 'den Nuwegen (= de nieuwe) Galichberch', die ergens nabij de Aalster Hut moet hebben gestaan.
De Sint Jansberg was een met schaarhout begroeid heuveltje van nauwelijks een meter hoog tussen de Sint-Janskapel en de Heerstraat. Het bergje is met de ruilverkaveling van 1959 afgegraven; er zijn toen ook puisten begraven.
De Kapelberg is een opgeworpen hoogte (29.41 + NAP), waarop de oude kerk van Strijp stond en waar nu de Sint-Janskapel staat, omgeven door oude eiken- en lindebomen. Al in 1425 is sprake van de 'Capelle van Sint-Jan' en in 1440 van de 'SintJanskapelie'.
De Kraaijenberg is een opgestoven hoogte (27.59 + NAP) in het huidige bungalowpark, tussen de Fazantlaan en de E9. Oe Molenberg, een stuifberg in de heide ten W van Leende, waar de Heimolen stond; 29.82+ NAP. De Noppenberg is een stuifberg (30.51 + NAP) aan de Veestraat ten W van de Noppen in de Strijper Akkers; Lb: 'dat land aan de Noppenbergh'.
De Schietberg is een heuvelcomplex van bijna 30 m + NAP in de O-flank van de heide ten W van de Groote Speel. Vroeger werden er schietoefeningen gehouden.
De Spinsterberg of Spinserberg ligt vlak bij de Biblibomsenberg in het bungalowpark, ca 28.60 + NAP.
De Vetersberg ligt in Strijp ten W van het Nieuwland in de heide; is door de ontginnings­ en egaliseringwerkzaamheden tbv de bebossing niet nauwkeurig meer te lokaliseren.
De Zandberg is een bouwlandcomplex N en Z van de Zandbergstraat, tussen Strijp en de heide, maar de laatste huizen van de Zandbergstraat vallen in dit complex. 't Is er niet veel hoger dan in de naaste omgeving. Mogelijk was er een Zandberg in de stuifzandzoom van de Leenderheide langs de cultuurgronden van Strijp. Lb: 'den hoft in den Sandbergh'.

Bleek.
De Bleek, ook 'de bleek van Vugts' in de overgangszone tussen Dijksche Heide en Strijper Aa. Een ven, dat is vergraven tot een gracht rond een eilandje. Lb: 'den beemd op den bleek'.
De Lange Bleek, een ontwaterd en ontgonnen tamelijk ondiep ven in de Dijksche Heide, aan weerszijden van de huidige Paaldijk, ter hoogte van de Putten. Dit ven was ca 300 m lang en 20 - 80 m breed.
De Steenbleek is een laagte ten Z van de huidige Valkenswaardse Weg, even voorbij het huis van G. de Werdt. Volgens de overlevering zou hier de leèm gedolven zijn voor het bakken van de stenen van de huidige kerk van Leende; de honderdduizenden stenen zouden met de hand door een rij mensen tot bij de kerk zijn doorgegeven. Later zouden ook de stenen voor de bouw van het Brouwershuis van Oosterik hier zijn gebakken.

Bos.
Den Bosch is een perceel aan de Korte Straat. De Bus of De Bös is een complex bosjes, weilanden en bouwlanden aan de Paaldijk ter hoogte van De Riesten; Lb: 'dat veld in de Bus'. De overlevering verhaalt van een vrouwtje, dat op haar sterfbed zou hebben gezegd: "In de Bös, onder 'nen rös, zit 'ne pot mee geld".
De Böskes is een perceel in de Langstraat, gelegen naast het Dikke Tonnen Drieske en achter het erf van G.P. de Groot. Het land boek noemt herhaaldelijk 'den Daalbos'; ligging onbekend.
Het Hondsböske is een bosperceeltje in de Steenakkers, juist ten Z van de grens met Heeze.
Den Hulsbosch is een huis met hof en aangelog op Strijp; Lb: 'dat huysken in den Hulsbos tot Strijp van Goort Henrick Bull met een gedeelte vant gelog zoo en gelijck het afgesteken is', en: 'dat land aen den hulsbosch'. Het bezit was vroeger van G. H. Bull; in 1741 werd het geërfd door François Vermeulen, valkenier; nu is het eigendom van W.K. Westmijze. Tegenover de voordeur groeien enkele grote hulststruiken, die er volgens Strijpse mensen 'al ze leven' hebben gestaan; er zijn ook hagen met hulst.
Het Hutbosch of Het Hutböske lag in het huidige bos van Valkenhorst ten N van Jagershorst ; er heeft misschien ooit een hut gestaan.
Het Leenderbos , nieuwe naam voor de vroegere 'bos­wachterij Leende'; jong bos complex met heiderestanten op de voormalige Leender of Groote Heide. Het landboek noemt verder nog tientallen bosjes, zoals 'een dennenbos genaamt het dennebos' ,'dat bosje in de rey', 'dat gebust aant Rouwven'.

Broek.
De Broekbeemden, zie Beemd.
De Broeken zijn een groot complex venige gronden ten 0 van de Strijper Aa nabij de Heg.
Broekerheuvel en Broekerstraat, zie Heuvel resp. Straat.
Het Broekske, een complex tussen het huis van meester Vugts en de voormalige school en de Stijper Aa; Lb: 'den beemd aant bruxken'.
De Broekskens zijn een smalle strook vrij korte percelen ten Z van de Kleine Aa, niet erg ver stroomopwaarts van de Ren.
Het Ceelkensbroek is het Z deel van het Cijnsgoed, nu gem. Maarheeze.
De Donkerbroeken , broekgronden ten 0 van de Strijper Aa; donker- duidt wellicht op de kleur van de venige grond.
De Duivelsbroeken liggen ergens ten Z van Strijp; Lb: 'den beemd op de hooijstraet of Duijvelsbroeken'; Sm 16.12.1444: 'dat Duvelsbroeck'. De toevoeging duivels- heeft meestal betrekking op slechte kwaliteit.
De Hulsbroeken, lage beemdgronden ten 0 van de Groote Aa, ten N van de Oosterikkerdijk. Verband met hulst, de wintergroene Ilex aquifolium, is mogelijk; maar ook elke andere doornige struik (sleedoorn, meidoorn, wegedoorn, hondsroos) kon huIst worden genoemd.
De Kooybroeken liggen ten N van de Kleine Aa tegenover de Meneeuwsels ; kooi- is wellicht kwaai, slecht. Het Leenderbroek is het 'cijnsgoed' van de Leenderstraat, waarvan ook de Meneeuwsels deel uitmaken; gelegen ten Z van de Kleine Aa. Het Robbroek ligt tussen de Kleine Aa en de E9, ter hoogte van kuurchalet en Mariahoeve, deels onder Soerendonk. Men zegt 'Robbreuk' ; mogelijk is het rotbroek. 'Raapbroek' (in een brief van 16.4.1873 van burgemeester Maas) en 'Raadbroek' zijn dan wel erg vrij vernederlandst.
Het Zwartbroek is een drassig deel in de Leenderhei/het Leenderbos, ten Z van de dienstwoning van G. de Werdt. Andere broeken uit het landboek, waarvan de ligging onbekend is: 'de fratenbroek' (Sm 1449: 'Vrathenbroec aan de stroom'), 'papenbroek', 'dat peertsbroek. In de verschillende broeken werd turf gewonnen; Lb: 'dat torffveld in de Broeken', 'de putten in de donker broeken' e.d.

Brug, schoor.
Dijkster Brug of Strijper Brug in de Strijperdijk,
Renbrug in de Waterstraat,
Riestenbrug tussen de Pompen Eeuwsels en de Riesten, alle over de Strijper Aa.
Robbroekse Brug en Oudendijksche Brug lagen over de Kleine Aa.
Oosterikse Brug en Zevenhuizense Brug liggen over de Groote Aa in resp. Oosterikkerdijk en Maarheezerdijk; in de gemeentebegroting van 28.11.1881 wordt de eerste Oostenrijksche Brug genoemd.
De Leenderbrug ligt in de Bruggerdijk over de Tongelreep ; ook de brug in de Oosterikkerdijk over de Sterkselsche Aa heet Leenderbrug. De Steenen Brug ligt bij de Achelse Kluis over de Tongelreep.
De Zeelbergse Brug ligt in de Buulder Baan over de Tongelreep; bij deze brug zijn omstreeks de eeuwwisseling twee nieuwe bruggen gelegd in nieuw gegraven toevoerleidingen naar stroomafwaarts gelegen vloeivelden, waardoor de aanduiding De Drie Bruggen ontstond.
De Kortsbruggen zijn een complex percelen ten Wvan de Groote Aa, N en Z van de Oosterikkerdijk; de Voorden maken hiervan deel uit: Lb: 'de Cortbruggen'.
Het Luiks Schoor is een brug in de Strijper Aa ten Z van de Blittersvennen; de brug naar Rouwven ,Donkerbroeken en Wekenshorsten .
Het Sterkselsch Schoor ligt over de Sterkselsche Aa ten Z van Sterksel.

Bult.
Het Bultje is een akkerperceel ten W van de Zwartlandse Straat in de Groote Speel; ligt niet hoger dan de omgeving; kan afgegraven zijn.
De Kievitenbult, erf en huis op Boschhoven, vh Janus Bax; de hoogte waarop het huis staat, is waarschijnlijk kunstmatig opgeworpen. Donk. Eikendonk; Sm 1.9.1464; 'die Eickendonck naast den gebroeck 't Sijnsgoed'; een hoogte ten 0 van de Biesputten, nu gem. Maarheeze.
De Ulken­donken (in 1527 Vuylkendonck) liggen nabij de gemeentegrens onder Maarheeze ten N van de Kleine Aa. Dries. Dikke Tonnen Drieske, perceel aan de Langstraat, waar Jos Kaerts, de vorige eigenaar, 16e eeuwse dukatonen rijers vond. Tielens Dries is een perceel aan het Leenderfietspad in de Watervelden, ten N begrensd door een fraaie oude wal eikenhakhout. Het landboek noemt er nog een aantal, waarvan we echter de ligging niet kennen: 'den dries van Hr Rogier', 'dat kooijdriesken' (het kwaaie? drieske; het drieske in de Kooijen?), 'Ioeffens dries', 'den Schaerackerdries', 'den Sechelen dries' en 'den Vechelen dries'.

Dijk.
De Bruggerdijk is de weg van Strijp naar Brug­gerhuizen.
Het Hanneke Raassendijkske is een klein grasperceeltje aan de Oosterikkerdijk.
Het Kerk­dijkje liep van Euvelwegen naar de schuilkerk de Grashut in het Weerter Broek; het dijkje werd aangelegd in 1651 en verliep ca 4.5 km over voor­malig Leends grondgebied (Cijnsgoed, nu gem. Maarheeze). Leenderdijk , oudere naam voor de weg van de kerk over de Broekerheuvel naar de Zevenhuizen.
De Oosterikkerdijk is de weg van Oosterik naar Sterksel.
Den Ouden Dijk van de Zevenhuizen naar de Waterstraat, verhard en deels verlegd in 1972.
De OverLeenderdijk 'aan de gemeijnt den Gruenen Beempt' (Sm 2.5.1477) is mogelijk den Ouden Dijk;
de Groene Beemd is dan het Leender­broek (Meneeuwsels). In een verbaal van 1527 is nl sprake van 'neffens den Leenderdijck int dorp van Leende liggende zuytweerts een groote groen weyde ende gemeynte geheyten den Groenen Beempt aldair liggende neffens den dijck'.
De Paaldijk, weg van de Strijperdijk door de Dijksche Heide, ongeveer parallel langs de moerassen van de Strijper Aa; buigt bij de Paal af naar Soerendonk; zie ook De Paal.
De Strijperdijk is de weg van Strijp naar Soerendonk; aan de Z-kant ligt de Dijksche Heide, aan de N-zijde de Renheide.
De Maarheezerweg is ook een dijk, vroeger 'Dijk van Leende naar Maarheeze'; men zegt nog wel Marizzerdijk. De huidige Valkenswaardse Weg is eigenlijk ook een dijk, maar de weg is vrij nieuw (eind vorige eeuw). Vroeger kon men over allerlei wegen door de hei via Leenderbrug , Zeelbergse Brug of Heezer Brug naar Valkenswaard.

Eeuwsel.
 'T Jeuwsel, enkele percelen in de Dollinger Putten, nu van Sjef Bax; de vroegere baggerkuilen zijn gedicht. De Meneeuwsels, onderdeel van het Leenderbroek (mogelijk hetzelfde als de Groene Beemd, zie hiervoor), het cijnsgoed van de Leenderstraat ; men- duidt op gemeen­schappelijk (eigendom); zie ook Pestvelden.
De Pompen Eeuwsels liggen ten ZO van Strijp bij de Riestenbrug; de fam. Pompen zal hier veel eigendom gehad hebben; zie ook Grietenveld.

Eind.
'T Eindje of 't Endje, buurt van Strijp, de laatste huizen ten N van het dorp.
Ook de laatste, meest noordelijke groep huizen van Oosterik heet 't Eindje.
Het Hanneneind; Akte 1713: 'het Hannen eynd', een huis, hof en aangelag ; waarschijnlijk het huidige Hannenhöfke van Tinus van Son aan de Zandbergstraat. D'Hoogeen, zie Akker.
Het Wortel­eindje is een buurt tussen Renhoek en Kattestraat ; zie ook Wortelveld . Lb: 'aen de Lijkeijnde'; de vroegere Lijkstraat begon bij 't Eindje van Strijp.

Gat.
Het Gat van Winters is een diepe ontgraving van ca 4 ha over enkele percelen in De Kuilen ten N van Strijp; de ontgraving dateert uit de zestiger jaren.
'T Zwannegat of Zwanengat is een nauwelijks bebouwde ruimte tussen Oosterikkerstraat en Broekerstraat, of beter: tussen de brouwerij De Zwaan (nu Brouwershuis) en de korenmolen De Zwaan, beide in eigendom geweest van Willem Maas. De molen was "een houten bovenkruijer met twee paar Steenen tot het breken van graan en een paar dito om haver en gerst te pellen, zijnde alies zeer klein van omvang ..... , hebbende mede eene vlugt van 26 EI, door zijne ligging te midden van het dorp en de huizen veel wordende benadeeld en belemmerd ten aanzien van den wind"; deze tekst komt uit de Tabel van classificatie van grond­eigendommen, en dat is dan de verdediging en berekening van de belastbare opbrengsten van gronden en gebouwen voor de eerste kadastrale leggers van 1832. In deze tabel ook een beschrijving van de brouwerijen: "De voornaamste is in gebruik bij en toebehoorende aan Willem Maas gelegen op het gehucht Oostrik in Sectie A no 749 bestaande in een groot ruim en wel onderhouden lokaal waarin zich bevindt eene ketel groot 43 vat 41 kan, eene roerkuip groot 14 V 22 K, eene geilkuip, een koelbak en eene zeer groote bergplaats; deze brouwerij mede bij vergelijking begroot zijnde is gebragt op eene huurswaarde jaarlijks van f 70.00. De andere Brouwerij van weinig aanbelang ..... ". Mogelijk heeft het gat van de zwaan van het uithangbord van het bijbehorende café naar het Zwanengat gewezen. Goor. Lb: 'dat Molengoorken van Reijnier Willems'; omdat deze Willems op Bruggerhuizen woonde is molengoorken wellicht een verschrijving van mollengoorken, een perceel in de Mollenveldjes (zie bij Veld). Goorsche Putten, zie Put.

Heide.
De Dijksche Heide aan de dijk (Strijperdijk en Paaldijk), op enkele kleine stukjes na geheel ontgonnen, ca 16 ha tot dennenbos, de rest tot bouw- en 'weiland; er staan sinds kort een aantal nieuwe ruilverkavelingboerderijen voor zgn. 'verplaatste' boeren.
De Groote Heide was een uitgestrekt heidegebied op de waterscheiding van Tongelreep en Strijper AalGroote AalKleine Dommel tussen Stratum en Achel. Het grootste deel hiervan is bebost, maar er zijn nog enkele forse restanten bewaard. Het grappige is dat twee van deze tamelijk ver uiteen gelegen resten nu allebei hetzelfde heten:
De Groote Heide ten 0 van de E9 tussen Stratum, Heeze en Leende, en De Groote Heide bij de Achelse Kluis, een natuurreservaat van Staatsbosbeheer, ondergebracht bij de boswachterij Het Leenderbos. De Kluisse Hei is het deel van De Groote Heide nabij de Achelse Kluis. De Leenderheide is het deel van de vroegere Groote Heide gelegen in de gem. Leende.
De Moesse Hei is het deel van De Groote Heide, waar de heer J.A.J. Moes uit Leende al tientallen jaren jachtgerechtigd is; dit gebied ligt ten Z van de Strijperheg op Leends grondgebied.
De Molenheide is het gebied van de Leenderheide ten W van de vroegere Heimolen ; grotendeels stuifzand. De Nieuwe Heide is de heide ten 0 van Den Ouden Dijk; deel van de Renheide, dat pas na de ontginning Nieuwe Heide ging heten. Ook de ontginningsgronden tussen het Leenderbos en de Heg noemt men De Nej Hej.
De Oosteriksche Heide ligt tussen het Molenschut en De Zevenhuizensche Heide; geheel ontgonnen.
De Renheide is de geheel ontgonnen heide tussen Kleine Aa en Strijperdijk.
De Zevenhuizensche of Zevenhuizer Heide ligt ten 0 en ZO van het gehucht De Zevenhuizen ; ontgonnen, grotendeels tot bos; het bezit Mariahoeve valt geheel in deze heide. Heuvel.
De Berkenheuvel ligt in het vroegere Cijnsgoed nabij De Groene Stal. De Broekerheuvel, buurt nabij Broekakkers en Broekerstraat. Op de plaatse van de Broekerheuvel staat ongeveer op de plek van de vroegere bluskuil (bij café Roothans) nu een zware treurwilg, die in 1938 is geplant.

Hoek.
De Foeks Hoek, een bocht in de Maarheezerweg (E9); wordt genoemd in een brief van 14.3.1879 van de burgemeester van Leende aan de Officier van Justitie betr. het aldaar aantreffen van het lijk van Jac. van Asten. De Renhoek, buurt ten W van de Ren (zie Overige toponiemen).

Hoeve,
hof, hoven. Boerderij of tuin. Boschhoven (Sm 1443: Boschoven), langgerekt gehucht bij Leende; vormde met de Oosterikkerstraat een afdeling of hertgang. Wellicht genoemd naar een eerste hoeve, mogelijk een domeingoed, de hoeve (of hoeven) in het bos. De Eikhoeve; in een akte van 21.1.1471 (Sm) is sprake van een "Eyckhoeve, een 'gelaech' met huizen, beemden, landerijen, weiden en houtgewassen op die Doelegghe", dus gelegen in Strijp. nabij den Dolling. Hannenhöfke, zie Hanneneind. De Hoef of De Leenderhoeve werd in 1790 gesticht door de Broeders van de Eremitage van Achel, bedoeld als vluchtoord i.v.m. op handen zijnde oorlog. De Hoef ligt vlakbij de Kluis in de Leenderhei , werd al in 1798 verlaten en met alle eigendommen onder Achel en Leende verkocht aan J.D. Baron van Tuyll van Serooskerken, die haar verhuurde aan Jan van Keulen. Later - 1846­ verplaatsten de Paters Benedictijnen van West malle hun nieuwe stichting van Meersel naar de verlaten en vervallen Achelse Kluis; op 17.11.1844 werd bij voorlopige koopakte de Kluis met gronden gekocht van de familie van Tuyll van Serooskerken. De Leenderhoef , die later werd aangekocht werd niet meer opgebouwd. De Hoeven, akkercomplex bij Strijp tussen Krekelweg en Molenpad. Ook: complex omwalde percelen (nu bos, vroeger akkers en velden) tussen Hasselsvennen en Bruggerhuizen. Het is niet denkbeeldig, dat er vroeger, zeker in De Hoeven van Strijp, een domeinhoeve is geweest. Lb: 'dat Land genaamt de hoeve', 'dat land in de Hoeve tot Strijp'. De Kerkenhof, perceel op de Klein Kerk, dat hoorde bij de vroegere schuilkerk. De Leenderhoeve, zie hiervoor; is ook nieuwe boerderij naam in de Zevenhuizer Heide. De Maria­hoeve, vrij nieuwe naam voor boerderij en boscomplex op ontginningsgronden in de Zevenhuizer Heide; er is nog een Mariahoeve aan de Valkens­waardse weg, eveneens vrij nieuw. De Pèrdekerkhof, perceel in de Steenakkers. In het Zwartland op de grens van Heeze en Leende werd op 8.10.1482 de slag bij Leende geleverd. Grote troepen soldaten van Maximiliaan, hertog van Brabant, terugkerend van de bedwinging van Utrecht, hadden zich in deze streken genesteld. Vooral de 2.600 Duitse huurlingen - voetvolk en ruiterij - gedroegen zich 'driest en ontdeugend'. Het landvolk van Heeze, Leende, Geldrop, Eindhoven, Valkenswaard, Aalst, Asten, Someren, plunderingen en plagerijen beu, verzamelde zich en trof het leger tussen Heeze en Leende. Er sneuvelden 250 landlieden. De gesneuvelde paarden werden waarschijnlijk op de Pèrdekerkhof begraven. De Petershof, een hoog bouwlandperceel ten 0 van Luiks Schoor; eigendom van Nol van Dijk, Strijp. De Pesthoven : uit een oud Leends doopboek, dat in 1818 werd overgeschreven: "dat alhier in 't jaar 1637 een verwoestende pest heeft geregeerd, die 366 (de helft der inwoners) naar het graf gerukt heeft. De inwoners waren om de ziekte te ontwijken naar zekere velden of bosschen gevlugt, die nog de naam van pesthoven dragen". Zie ook Pestvelden en Hel. Renhoeve, boerderij in de Renhoek ; Lb: 'den Renhoff'. De Suethof; Lb: 'de suethof-acker', 'de Suethoven', 'den Suethof van Tonis Iwens', 'den halven acker aen den Suethove'. Suet = zoet, smakelijk; duidt misschien ook op goede grond. Er zou een Zoethoeve geweest kunnen zijn, maar ik denk toch dat suethof een algemene aanduiding is voor moeshof of zoete-vruchten-tuin; vgl hophof.

Uit het landboek kennen we verder nog: 'dat Bletersheufken' (verband met Blittersvennen? is Bleters of Blitters een familienaam?), den Boonhof ('den boonhof van Arien Jan Pompen'; verband met teelt van bonen? of boonvormig perceel?), den Garsthof, een aangelag op Oosterik, den Hophof (o.a.: 'den hophof aen het broexken', wellicht aanduiding voor perceel met hopverbouw), 'den Keijzershoff van Jacob Jan Potters'.

Horst.
Jagershorst, vrij nieuwe naam voor een hotel-restaurant aan de Valkenswaardse weg. De Schoorhorst, complex N en Z van de Strijperdijk tussen Strijp en de Dijksche Velden. Lb: 'dat halve beemtjen den Schoorhorst' ; men zegt tegenwoordig 'de Schoorest' . Valkenhorst, vrij nieuwe naam; het huis en het bos- en heidebezit van de fam. Loudon ten N van de Valkenswaardse weg. De naam komt 't eerst voor op de top. kaart van 1927; de aanduiding horst is misleidend. De Wekenshorsten, complex tussen Dollinger Putten en Donkerbroeken. De naam komt al in 1428 voor; verband met de familie­naam Tillekens?

Huis.
Bruggerhuizen, gehucht aan de Tongelreep ; de huizen, het huis aan de brug.
Het Hooghuis, huis in Strijp, gebouwd door een valkenier Vermeulen; het huis, ook Groothuis genoemd, is een tijdlang schoolhuis geweest; later werd het pakhuis van de Eierbond en van de NCB, er was een fabriekje in (N.V. Punat), nu is het eigendom van J. Winters.
De Zevenhuizen , gehucht aan de Maarheezerdijk ; ook een complex gronden nabij het gehucht heet De Zevenhuizen.

Hut
stal. De Groene Stal; wordt al genoemd in een verbaal van 1527; in de buurt stond een grenspaal. Plaats in de Zevenhuizer Heide. Een voormalige schaapskooi? Een nabijgelegen thans ontgonnen ven heeft nog lang De Groene Stal geheten. De Heezer Hut, oude posthut herberg aan de postweg van Valkenswaard naar Heeze, ten N van het Bierven, waar de postweg de grens Leende-Heeze kruist. In het begin van de 18e eeuw werden op afstanden van ongeveer een uur langs de postbanen posthutten gebouwd. In de vorige eeuwen nog in 't begin van deze eeuw werd de Heezer Hut bewoond door de fam. Greven. Men sprak dan ook wel van de Greven Hut of van Greven's Hut; een nabijgelegen ven werd het Grevens' Hutven. Nu wordt de hut (!) bewoond door Thijs van de Velden, vroeger smid in Leende. Jan de Waalhut ; veestal en woning van Jan de Waal in de Oosteriksche Heide. In de nacht van 25.7.1845 brandde de hut af; alle 25 stuks rundvee verbrandden. In het vers geploegde land is de aftekening van de hut nu nog in de bodem te zien; de hut werd in 1883 afgebroken. De Jan de Waalhut en bijbehorende grond was de eerste ontginning in de Oosteriksche Heide. Kamp.
 

Kamp
De Dijksche Kampen is een complex al vrij oude bouwkampen aan de Strijperdijk ten 0 van de Aa. De Ekelkamp, bekend uit het landboek, nu 'd'n Ikkelkamp van Adams', gelegen in de Dijksche Kampen. De Joppenkamp, een kamp in de Leenderheide, ten NO van het Klokkeven ; nu bebost. De Kampen, losliggende omwalde percelen in de Leenderheide, in en grenzend aan het stuifzand van de Molenheide. Veel van deze kampen zijn nog te herkennen, sommige zijn nog in gebruik als bouw- of weiland, andere zijn bebost, andere verdwenen onder de Eg en door villabouw ; er werd vooral boekweit geteeld. Peer Bax-kamp, ontginning van Peer Bax nabij het Luizevenneke ; nu bebost. De Pomperskamp, akkercomplex tussen Boschhoven, Dorpsstraat en Valkenswaardse weg; over een deel ervan is thans een uitbreidingsplan in uitvoering. In het land boek komt de huidige naam Pomperschans niet voor; steeds is het Pompers Camp; ook in een akte van 7.4.1808 vinden we nog 'de halve Pomperskamp'.

Kuil.
De Kuilen, akkercomplex over de Krekelweg tussen Heiakkers en Molenpad ; het Gat van Winters maakt er deel van uit, maar de naam is veel ouder: 'den heiacker ontrent de kuijl' (Lb). Ook: complex beemdgronden tussen Renhoek, Klein Kerk en Strijper Aa, deels onder de Eg; er zal vroeger wel geturfd zijn. Met klotkuujle werden allerlei percelen met turfgaten aangeduid. Land. Het Nieuwland is een akkercomplex ten NW van de Sint-Janskapel. Dit complex valt niet binnen de Romeinse percellering; ook de naam duidt wel op een latere ontginning. Het Zwartland, enkele akkerpercelen in de Groote Speel. Zwart heeft een ongunstige betekenis en zal wel te maken hebben met de Slag bij Leende (zie Pèrdekerkhof); volgens Schönfeld kan zwartland ook braakland betekenen, dus afw. grasland en bouwland zijn.

Paal.
De Paal of De Keie-paal, stenen grenspaal tussen de Baronieën van Hees en Leen en van Cranendonck, aan de Paaldijk op de gemeentegrens. Bij de ontginning van het Goor (eind vijftiger jaren) is de loop van de Strijper Aa verlegd, waarbij De Paal is uitgegraven. De Paal heeft nog lange tijd in de verlegde Aa gelegen en is later naar de Prins Willem Alexanderweg in Soerendonk bij de Perkhoeve gebracht. De Paal is nu in bewaring bij de gemeente Maarheeze. De Paal zou - evenals andere verdwenen palen - op de juiste plaats moeten worden terug geplaatst; een mooie activiteit voor het Torenjaar. De stenen grenspalen zijn in 1765 geplaatst, kennelijk op initiatief van de Heer van Heeze en Leende; ze staan nl alleen langs de grenzen van diens heerlijkheid, de buurheerlijk­heden hebben elders geen of andere grensaan­duidingen. Den Afgebroke Paolof Wrissak.  Den Dubbele Paolof grenspalen aan Kattenput. Op het vijfgemeentenpunt, waar Leende, Soerendonk, Budel, Hamont en Achel aan elkaar grenzen, tevens knikpunt in de rijksgrens België-Nederland, staan twee grenspalen: de ijzeren rijksgrenspaal nr 176 (geplaatst in 1843) en de fraaie stenen baroniegrenspaal (geplaatst in 1765). Zie ook Kattenput. De Jan Ottenpaal, ook een baroniegrenspaal, die stond op de plaats, waar de Strijperdijk de grens met Soerendonk kruist; de grens maakt daar een flauwe knik. In 1440: 'eenen pael geheiten Jan Ottenpael voer Zuerendonck'.

De paal op het erf van de Hoeve Ulkendonken is waarschijnlijk de Jan Ottenpaal. Andere grenspalen worden genoemd in het denombrement van 1440 en in een verbaal van 1527; we weten de plaatsen, waar deze palen stonden nauwelijks terug te vinden. 1440: 'eenen pale aen Stroppersbeemd' ; 1527: 'Pael genoempt den Groenen Stal', 'den Mickpael' (bij het Molenschut), 'den Langenpael', 'den Reynkens pael aen Aertkens eussel', 'den pael aen der Ouden Dijck tegen d'eussel wijlen Aerts Verbraken' (elders 'den Ouderdijckspael'), 'de pael voor den Nieuwendijck', 'den Staeck .... geheyten den Wijtriet' , 'den Jansborchpael', 'den pael t'Ruwen'. De Rooi Paalkes is een perceel W van de Langstraat tegen de grens met Heeze, waar twee' rood (nu groen) geverfde korte stenen palen de gemeentegrens aangeven.

Pad.
Bedelaarspad van Oosterik door Kleine Speel en Steenakkers langs Hondsböske naar 't oude centrum van Heeze. De bedelaars, komend van Heeze, begonnen te bedelen bij 't eerste huis van Oosterik, waar nu Mertens sr woont. Boetepaajke, een karbreed pad ten W en Z van de kerk; het pad begon tussen de huizen van Jan Kerkhof en kruidenier Piet van Engelen, liep rond de kerkhof en kwam uit bij mulder Kees. De Diefpad liep van de Broekerheuvel naar het Zwannegat, ongeveer over de huidige Beukenlaan. Het Fabriekspaajke van Boschhoven door de Pomperskamp naar de sigarenfabriek van De Wit. Het Hazepaadje van Boschhoven langs de Watervelden naar de hei. Het Kerkpad, oud pad van Oosterik (bakker van Weert) ten ZO langs de achtertuinen van de Dorpsstraat naar de kerk. Er was ook een Kerkpad tussen de Hoogeindweg en het Worteleindje ; het N stuk hiervan heette De Lange Pad. En dan was er nog een Kerkpaajke van Boschhoven door de Pomperskamp naar de kerk. Het Kluizerpad, weg van Strijp naar de Kluis. Het Leenderfietspad van Boschhoven langs de Watervelden door de hei naar Stratum. Het Mesienpaajke van Boschhoven naar de boterfabriek naast het doktershuis. Het Molenpaadje (Muilenpèjke) van Boschhoven naar de Heimolen. De Molenpad, weg van de Strijperstraat door de akkers en het stuifzand naar de Heimolen ; Lb: 'dat voorste molen paeijken'. Het Schoolpaajke liep van den Diefpad door het Zwannegat naar de Oosterikker­dijk; werd gebruikt door kinderen van Sterksel, die hier naar school gingen. De Strijperpad, oud pad door de hei van de Kapelstraat naar de Heezerhut. Het Wolverpaajke loopt van De Zevenhuizen (Jos van Weert) naar het Molenschut.

Put.
De Biesputten, hakhoutgebied aan de Sterkselsche Aa in het Cijnsgoed. De Dollinger Putten, complex met turfkuilen bij den Dolling doch aan de overkant van de Aa. De Goorsche Putten, strook venige gronden ten 0 van de Strijper Aa ten N van Het Goor en Turfwater van Soeren­donk; veel dichtgegroeide turfgaten en moerpIas­sen. Kattenput, bekend punt nabij Den Dubbele Paal, zie hiervoor; in 1440: 'pale aen Cattenput'. Meester P.N. Pan ken schrijft in zijn dagboek (1857): "In deze uitgestrekte heide, in de rigting van Leende naar Hamont, is een zogenaamde Heksendans aanwezig, in welks kring of rondte, niets dan één soort van kruid groeit, zijnde overigens dit gedeelte dier plaats kaal, want daarover plagten de heksen te dansen (zoo spreekt het bijgeloof) ... " En in 'Spokerijen in de Kempen', een verzameling 'Noordbrabantsche Sagen', heeft Pan ken het over een smalle strook van mager altijd groen gewas, dat 'heksendans' wordt genoemd, waar rondom nooit iets groeit en de grond altijd kaal en hard is. Zelfs als de grond wordt omgespit is die na korte weer hard gelopen door katten, die er sinds onheuglijke tijden 's nachts vergaderen en er poot aan poot ronddansen. Zodoende is de kring ontstaan, die door het volk ter plaatse de naam 'Kattendans' is gegeven. Pan ken beschrijft deze kattendans van Westerhoven, maar ook in Luijksgestel, in Eersel en 'in de hei bij Soerendonk' zouden die bestaan. Kat is synoniem voor heks. De meeste veraf gelegen kat­toponiemen voeren ons dan ook dikwijls naar hardnekkige oude spook- of heksenverhalen. In veel heksen-, spoken- en kabouterverhalen spelen grenspalen een rol. Toponiemen met duivel-, kabouter-, alf-, geest-, kat- en heks- èn oude grens­punten verraden bovendien dikwijls archeologische vindplaatsen. Vlakbij de grenspalen aan Kattenput ligt minstens één oude grafheuvel. De plant heksendans, heksenkrans of kattendans moet zijn een Lycopodiumsoort, een wolfsklauw, een altijd groene sporenplant. Waarschijnlijk is het cypres­wolfsklauw of kleine wolfsklauw, Lycopodium complanatum ssp. chamaecyparissus, waarvan bekend is dat die in kringen kan groeien; op de Veluwe is een 'heksenkring' van deze wolfsklauw met een doorsnede van 24 m bekend. De moeras­wolfsklauw, L. inundatum, is algemener, maar groeit op kale nattere venige plaatsen en daar zullen de heksen wel niet samengekomen zijn. Katten hebben een hekel aan nattigheid. Hoewel: er is een put; met Kattenput kan een lage plek in de heide zijn aangeduid, maar daarvoor komen heel wat plaatsen in aanmerking. Alle wolfsklauwen kunnen groeien in banen, en ook wel in kringen. De wolfs­klauwen hebben ruige kruipende stengels en staande vruchttakken , die wel wat op zoogdier­pootjes lijken. Aan wintergroene planten is dikwijls "in deze uitgestrekte heide, in de richting van Leende naar Hamont, is een zogenaamde heksendans aanwezig, in welks kring of rondte, niets dan één soort van kruid groeit, zijnde overigens dit gedeelte dier plaats kaal, want daarover plagten de heksen te dansen ..... onder: den dubbele paol een magische betekenis gegeven.

De mensen van Gastel noemen de heide ten N van Kattenput nóg 'Heksendans' en ze weten ook van de vroegere aanwezigheid van wolfsklauwkringen. Een halve dag met twee man naar wolfsklauw of katten­dans zoeken, alsmaar wijdere kringen om Den Dubbele Paal heen beschrijvend, leverde helaas geen wolfsklauwvondst meer op. Ook bij het Klokkeven groeiden volgens mededeling van de vroegere boswachter Breevaart enkele wolfsklauw­planten ; bij het Klokkeven speelt eveneens een magisch verhaal, zie aldaar. Er was nóg een Heksendans: in het stuifzand bij Strijp ter hoogte van de Hei-akkers. De Putten, broekgronden aan de Paaldijk ; veel langgerekte turfkuilen. Speelmansput, een café nabij een put in de Oosteriksche Heide op de grens van het Cijnsgoed ; de put hield altijd water. Ligt nu ongeveer op de grens Leende-Maarheeze.

Rijt.
Lb: 'den Rijtgraaff', 'de Wijtrey'; zie hiervoor 'den staeck den Wijtriet'. Ligging onbekend. Smelen. De Smelen, percelen ten ZO van De Zeven­huizen, deels onder, deels ten W van de oprit naar het viaduct over de E9; Lb: 'de smeel'.

Straat.
Broekerstraat, vroegere hoofdweg naar Heeze. Halvennestraat, van de Voordenweg naar de Halvennen ; nu Halfeindsche straat, verhard in 1965. Heerstraat, weg in Strijp, ook het akkercomplex aan weerszijden van de Heerstraat heeft die naam; Lb: 'Herstraat'. Kapelstraat, weg langs de Sint-Janskapel; Lb: 'den campenaer aen de Cappelstraat'. Kattestraat, zijstraat van Dorpsstraat. De Korte Straat, complex percelen tussen Langstraat en Groote Aa. De Langstraat, buurt, straat (van Oosterik naar de Ven) en complex velden en akkers; de straat werd in 1855 verhard met klinkers; toen werden er ook eikenbomen langs geplant. Leenderstraat, vroegere naam voor Dorpsstraat; met Leenderstraat werd ook bedoeld de hertgang Leenderstraat : heel Leende (met zijstraten) zonder Strijp, Oosterik en Boschhoven. Lijkstraat, (vervallen) veldweg tussen Strijperstraat en Kattestraat. Molenstraat, weg naar de Heimolen, nu Valkenswaardse weg. Mollenstraatje, wegje van Bruggerhuizen naar de Zeelbergse Brug; ligt in de Mollenveldjes. Naamloos Straatje, tussen Oosterikkerdijk en Oosterikkerstraat. Oeienstraat; Lb: 'd'Oyenstraat', van Boschhoven naar de heide. Ooi, oei = hooiland, wilde weidegrond. Oosterikkerstraat, weg van Boschhoven naar Langstraat. Met Oosterikkerstraat werd ook de hert­gang of afdeling bedoeld, waartoe ook Boschhoven, Langstraat en Oosterikkerdijk behoorden. Scheper­straatje, vervallen veldweg ten W van Strijp tussen Zandbergstraat en Heerstraat. Strijperstraat, weg vanaf de Klein Kerk naar en door Strijp; verlegd en verhard in 1927. Met de afdeling of hertgang Strijperstraat werd heel Strijp bedoeld, inkl Brug­gerhuizen. Veestraat, weg van Kattestraat naar de heide, veedrift ; ged. vervallen. Waterstraat, weg van de Renhoek over de Renbrug parallel aan de Kleine Aa naar de Renheide. Een complex percelen ten N van deze weg heet Aan de Waterstraat. Zaalstraat, straat in Strijp. Zaal kan zijn afgeleid van sala; een sala is een 'uithoeve' van een Frankisch herengoed, een domein; vgl Heerstraat, Hoogeind, ook Zeelberg (Valkenswaard). Zandbergstraat, weg van Strijp naar de hei door het akkercomplex De Zandberg. Zwartlandse Straat, akkerweg van Boschhoven naar de Ven, verlegd in 1959; de Veulenweg is het verlengde van deze weg op Heezers gebied. Straten, die we niet of niet precies weten liggen zijn 'de hooghstraet' (Lb; de eigenaar van een perceel aan deze Hoogstraat woonde op Oosterik), ' 'de hooijstraet of Duijvelsbroeken' (Lb; ergens in Strijp), 'de Steenakkerstraat' (akte 24.4.1797).

Tip.
Den Tip, driehoekig perceel in de Steenakkers. De Zoeren Tip, andere naam voor De Poel aan de Voordenweg ; plaats waar afvoer van overtollig water stagneert.

Veld.
De Brugger Velden, percelen bij Bruggerhuizen. De Dijksche Velden, graspercelen N en Z van de Strijperdijk aan beide zijden van de Aa. o 'Endjezevelden , aan de Strijper Aa ter hoogte van 't Eindje. Het Grietenveld, Lb: 'werdende nu genaamt het Pompen Eeusel'. griet = grutto, kan ook vrouwenaam zijn. Het Grootveld, vlg De Bont in Strijp; waar? Het Hoogveld, zie Weyveld. Het Hefveld of de Hegvelden, tussen de Broeken en de Heg. Het Kaatsveld, driehoekig plein met dikke linde; dorpscentrum van Strijp; vroeger met bluskuil ; de tegenovergelegen tip is 't Pleintje. Kaats; wellicht van kaatsen, een balspel, enlof van ketsen = vervolgen, tikkertje spelen; het dorpscentrum was uiteraard ook het centrale speelveld, vgl Speelheuvel (Someren), Speulplakke (Steensei). De Kerkeveldjes , percelen ten 0 van de Kleine Aa bij de Zevenhuizen, ten N van en grenzend aan de E9. Het Kerkenveld ; Lb: 'dat kerkenvelt in de Neerbeemden' , ook: 'dat kerkevelt in de Craenseden'. De Kien z'n veldje, in de Korte Straat, naar de vroegere eigenaar Dukino, vroeger groenteboer en paardenvilder. Het Laagveld, vochtig venig niet bebost restant heide met twee vennen in de Leenderheide in de flank naar de Tongelreep. De Mollenveldjens , complex tussen Tongelreep en Leender Heide, ten N van Bruggerhuizen ; mol = zacht, week, mogelijk ook verband met familienaam Mollen. De Oudendijkse Velden, percelen aan de Kleine Aa, W en 0 van den Ouden Dijk. De Pest­velden •. in het pest jaar 1637 vluchtten de mensen naar de moerassen van o.a. de Meneeuwsels, die nu nog Pestvelden heten. Jan Verhoeven (den Bels) vond hier na de oorlog een zware bronzen pot met twee oren; die bij hem waren vluchtten, want ze dachten, dat Jan een bom had gevonden, die met de oren onder aan een vliegtuig zou hebben gehangen. In zijn dagboek vermeldt meester P.N. Panken (1844) dat den hospes van Engelen in de Pestvelden twee ijzeren potten vond in het veen. Ook de Hel (zie aldaar) heet Pestveld. Het Prinseveldje in de Korte Straat. De Bont noemt een Sluis veld voor Leende; mogelijk de Slui, zie hierna. De Tuintvelden, gras­percelen tussen Tuintweg en Strijper Aa. De Vier Veldjens (Lb: 'de vier veldekens van Jan Verschueren'), enkele ontginningspercelen in het Molenschut ; op de kaart 1832 waren het al 7 percelen. De Watervelden, complex lagere gronden tussen Leenderfietspad en het bungalowpark; ze liggen ca. 1 m lager. Het Weiveld; het land boek geeft als eigendom van de Hermijten (van de Kluis) 'het Weyveld genaamt het hoogveld aan den vonder'; dus een hoger perceel ergens aan de Tongelreep. De Wolf z'n Veldje, twee percelen in de Langstraat aan de Groote Aa van Peer Wolfers. Het Wartelveld; in Lb wordt dit veld herhaaldelijk genoemd. Misschien veldencomplex nabij 't Worteleindje. Het Lb noemt echter ook 'de halven frankenbergh met het wortelveld' ; dit doet denken aan een algemene gebruiksaanduiding, als hophof, garstakker e.d. Andere velden uit het landboek; 'dat capelleveld' (eigendom van de Kapel), 'dat helmens­veltjen in de Cooybroeken', 'dat hutveld', 'jenneken thijs veld', 'dat Lant aent Moerwortelvelt' (deel van het Wortelveld , waarin werd gemoerd?), 'het veld aan de paal', dat nieuwland of waterveld aent Weerken'. Verder: Sm 1440 'twee dagmaten beemd Loeckmansveld' in Strijp, Sm 16.12.1444 'dWinrixvelt'.

Ven.
Bierven, ten Z van de Heezerhut. Biesven in de Groote Heide, NW van de Kraanvennen ; er groeien wel biezen in en om. Op de topogr. kaart van 1837 foutief als Riesven aangegeven. De Blittersvennen, percelen ten Z van de Zandberg, beslist niet laag gelegen en niet slecht ontwaterd; Lb: 'dat blitters­ven'. De Breedvennen, akkercomplex tussen Boschhoven en Molenstraat ; een der percelen heet 't Breedven. Sm 23.4.1450: 'dBreetvenne'. Brilven, eigenlijk twee vennen, door een smalle laagte verbonden; twee spiegels, als een bril. Gelegen in de heide van Valkenhorst; op diverse uitgaven van topogr. blad 57E staat de naam Brilven aangegeven bij het Eierven en omgekeerd. Dorven, nabij de Buulderbaan in het Leenderbos. Beslist niet dor, zelfs enigszins begroeid; in droge jaren (1973) heeft het Dorven nog water als de meeste andere vennen droog staan. Eijerven, eivormig ven op de grens met Heeze, ca 900 m 0 van Heezerhut. Galbergven bij de Galberg in het Leenderbos ; omsloten door ring van hoge stuifruggen. De Halvennen, complex gronden ten Z van Halvennestraat, ten NW van Oosterikker­straat. De gronden Iiggen wat lager. De naam houdt zonder twijfel verband met halen (van zand, zie De Bergen). Misschien ook met half of met alf of elf. Sm 1447 ' 't Halve Venne' , Sm 1449 'den hof int Halfvenne' . De Hasselsvennen, een aantal bij elkaar gelegen vennen aan de Bruggerdijk in de Leender Heide; de naam is onduidelijk. Klein Hasselsven, zie Klokkeven. Heezerven, ontgonnen ven ten N van Boschhoven op grens met Heeze. Hoefven, in de Leender Heide ten W van de Hasselsvennen; het ven ligt midden in het complex De Hoeven. Klokkeven of Klein Hasselsven, laag temidden van stuifheuvels gelegen vrij diep ven met drijvend hoogveeneiland, tussen Bruggerdijk en Kluizerpad. In de kerk van Strijp hingen vroeger twee klokken, die men bij een naderende oorlog in het hooi in een boerderij aan het Kaatsveld verstopte. Om huiszoeking door soldaten te voorkomen werd het bericht rondgestrooid dat de klokken door een gek of een vreemde waren gestolen en in een ven gegooid, natuurlijk het dichtst bij gelegen diep ven. Zo ontstond de naam en ook de legende, die vertelt dat het gelui van deze klokken nog in elke kerstnacht te horen is. Er Iiggen ook klokken verzonken (!) in: de Breeput (Westerhoven), de Dieprijt (Strijp, Eindhoven), de Doodenput (Luijksgestel), de Duivelsput (Riel), het Duivelswiel (Engelen), het Fresseven (Bergeijk), het Goor (Steensei), de Kattekuil (Budel), de Klokkekuil (Baarle, ook in Veldhoven), de Maatjes (Achtmaal), het Malpieven (Borkel), het Rondven (Dommelen), het Soemeer (Liessel). Klotterven, ontgonnen ven ten Z van Bruggerhuizen ; klot = brandturf. De Klot­vennen, drie vennen en drassige laagten in de hei nabij de Heg. Groot Kraanven, Klein Kraanven. Lankven, ontgonnnen langgerekt ven in het voormalige Cijnsgoed van de Oosterikkerstraat. De Loofvennen (Lb: 't lofven' , 'de Lofvennen'), complex gronden ten N van Boschhoven, ten W van de Zwartlandsche Straat; deze gronden liggen 1 à 1.50 m lager dan de Groote Speel en ze maken deel uit van dezelfde ingesloten lagere strook, waarin ook de Watervelden liggen; nu ged. sportvelden. Luizevenneke, klein ven in vak 121a van het Leenderbos, ten W van de Kluizerpad.
Osseven, kleine laagte aan de Speelweg ; ligt ruim 1 m lager dan de naaste omgeving. Waarschijnlijk drenkplaats voor ossen. Ossevenneke, ontgonnen ven in de Dijksche Heide nabij de Goorsche Putten. Paalvenneke, klein ven aàn de Paaldijk ter hoogte van de Broeken; nu een aardige vrijwel geheel ver­lande laagte met lisdodde en grijze wilg. Rouwven, percelen in de Donkerbroeken ten W van Luiks

Schoor,
gedeeltelijk schaarhout; Lb: 'dat gebust aant Rouwven'. Rouw- duidt op ruige begroeiing of op ongelijk bultig terrein. Schaatsven aan de Eikenlaan in de hei van Valkenhorst; de jeugd van Leende komt h ier schaatsen. Waaiven, op de eerste kadasterkaart (1832) 'Het Weiven' ; vóór 1928 ontgonnen ven in de Renheide, een der eerste ontginningen in deze heide. Waai- kan duiden op uitwaaien en op beweiden. Wasvenneke, klein ven in de hei van Valkenhorst, ten N vande Lange Vlaas.Was­kan duiden op wassen (van schapen), maar ook op het helder, blank zijn van een waterplas, vgl schijf was. Willekesvenneke, ontgonnen ven in De Kooijen ten N van het huis De Koekoek.

Vlaas.
De Lange Vlaas, lang ven tegenover De Twee Zalmen op Valkenhorst. De Ronde Vlaas, rond ven aan de Valkenswaardse weg in de bossen van Valkenhorst.

Vogels.
Grietenveld, zie Veld; griet = grutto. De Kievit; Lb: 'den halven kiviet'. Kievitenbult, zie

Bult.
De Koekoek, huis (vroeger café) aan de Oosterikkerdijk. De Ronde Koekoek, vennetje aan de Kluizerpad, in vak 110 van het Leenderbos. Kraaijenberg , zie Berg. Kraansent en Kraanven. De Nachtegaal, perceel aan de Broekerstraat in De Schammerd; nu een jong sparrebos. De Vogelenzang, perceel in De Hulsbroeken. Er is natuurlijk verband met zangvogels; er zal daarom zeker hout gegroeid moeten hebben, maar dat is er zelfs vandaag nog. De aanduiding vogelzang en vogelwei werd ook gegeven aan onbebouwd, onbewerkt of braakliggend land. Zwanebeemd, zie Beemd. Zwannegat, zie Gat.

Voort.
De Voorden, complex enigszins venige percelen ten N van de Oosterikkerdijk, nabij de voorde over de Groote Aa. Vgl Voorden weg , dwarsweg tussen Langstraat en Oosterikkerdijk, in het verlengde van de Halvennestraat. L. b: 'den beemd in de voort', 'de kIemensvoort'.

Weg.
Berkweg in de Berken; Lb: 'den berckweg'. De Hageweg, akkerperceel in de Kleine Speel; Lb: 'dat land aan de Haaghweg'. De Hegweg, van de Zandbergstraat naar de Heg. Hoogeindweg, verlengde van de Lijkstraat, ten ZO van De Hoeven en de Hoogeindakkers ; verhard in 1972. De Hoge Weg, vervallen weg tussen 't Eindje en de Hoogeindweg, door De Zoeijen; Lb: 'den hogen weg ofte schuurbraeck'. Hulschbroeksche Weg, ook Hulschbroeksche Straat, weg door de Hulsbroeken, parallel aan de Groote Aa; verlegd, verlengd en verhard in 1971. Klinkerweg of Kluizeweg, bochtige weg door Het Leenderbos, van Valkenswaardse Weg' naar de Kluis; aangelegd in klinkers in 1937, geasfalteerd in 1964. Kloosterhoefweg van Bruggerhuizen naar de Kluis. Kooijenweg, door de Kooijen. Krekelweg en Dwarsche Krekelweg, haaks op elkaar komende akkerwegen in de akkers van Strijp. Over De Krekelweg is een bouwlandcomplex ten NW van de Dwarsche Krekelweg. Is krekel­ afgeleid van krakeel, ruzie, rumoer, twist? De Lage Weg is waarschijnlijk dezelfde als de Zwartlandsche Straat, die lager lag dan de velden, een enigszins holle weg. Lijk weg, andere naam voor Hoogeind­weg. Molenweg door de Molenakkers, van Kattestraat naar Molenstraat ; ongeveer onder de huidige Irislaan. Speelweg, verliep van Boschhoven door De Groote Speel naar de Schietberg ; met de ruilverkaveling van 1959 vervallen. Tuintweg, parallel aan de Strijper Aa ten ZO van de Tuintakkers; de oude Strijperstraat van 't Eindje naar de Renhoek. Valkenswaardse Weg van Leende naar Valkens­waard; een deel van de provinciale weg van Leende over Valkenswaard , Westerhoven en Bergeyk naar Luyksgestel en Lommel, in 1873 als grindweg aangelegd, deels over bestaande wegen, bijv over de vroegere Molenstraat in Leende. Voorden weg, zie Voort. Uit Lb nog: 'dat veld in de Steenwegen', 'dat land aan de weyden wegh '. Akte 7.4.1808: 'dat land aan de Wijdeweg' .

Wielen.
De Duivelswielen aan het Mollenstraatje ; worden genoemd in een brief van 1.10.1879 van de inwoners van Bruggerhuizen aan het gemeente­bestuur. De Wiejle; kunnen overal langs de beken liggen. De naam komt veel voor in het landboek, o.a. 'de Wielkens'

Weier.
'T Weerken ; Lb: 'dat land aent weerken' , 'dat nieuwland of waterveld aent Weerken' . De Zandwijer; Lb: 'den halven Santwijer' ; tussen De Putten en De Broeken, ter hoogte van het Paalvenneke.

Zegge.
Lb: 'de Sig tot Strijp'. De Zeggen of De Ziggen; lage gronden tussen de Hulsbroeken en de grens met Heeze.

Overige toponiemen.
 'Den baeten oft blaken beemd' (Lb); zie Beemd; naar fam. Baeten van Strijp? 'Den Bellaint' (Lb).
De Berken, moeraspercelen ten 0 van de Strijper Aa; Lb: 'de halve bereken', 'den berckweg'; aanduiding naar de begroeiing.
Het Bivak, perceel aan de Oosterikkerdijk; in 1831 lag er een piketwacht van het Hollandse leger.
Den Bliksem, perceel in De Oude Beemden: Lb: 'den beemt in de oudebeemden genaamt den Blixem van Adriaen van de Velde'; er zal wel ooit de bliksem in een boom geslagen zijn.
De Bogten •. Lb: 'de cavel in de Bogt', 'den halven boogt'. Lb:
't Bulke' ; perceel, afkomstig van fam. Bull?
Het Bijlke
; percelen met de vorm van een bijl heten bijlke; de aanduiding 'dat Beijlken' of 'dat beilken' komt meermalen in Lb voor.
De Doelen, het 0 gedeelte van Boschhoven.
Den Dolling
, complex lage gronden tussen de Strijper Aa en de Zandbergstraat. De naam is afgeleid van 'dood lage', afgesneden arm van een rivier; dood = stilstaand water. In Lb ook: 'de dolegh'; Sm 21.1.1471 : 'die Doelegghe'; ook een familienaam, Sm 4.6.1428: 'Aleijt van den Doleggen'.
De Dreef, vrij rechte postweg van Bruggerhuizen langs het Zwartbroek, die uitkwam op de postweg Valkenswaard - Heeze, een eind voorbij de Heezerhut in de richting Heeze. Komt voor op de topogr. kaart van 1837, maar staat op de uitgave van 1871 als 'vervallen weg' aangegeven.
'T Eegtjen
•. in Lb meermalen 'Eegten' , 'Egt jen' en 'Eegtjen'. Er zijn twee Eegtjens: in de Steenakkers bij Den Tip, en tegenover Janus de Groot tussen de Veestraat en de (nieuwe) Strijperstraat. Een eegtje is een driehoekig perceel, een tip, die de vorm heeft van een driekante eg.
De Eikenlaan, bosweg op Valkenhorst.
De Gastelsche Ontginning, ontginningscomplex tussen 't Goor (Soerendonk), de Heg en het Z restant van de Groote Heide.
De Gelukt of 't Gelökt, complex aan de Groote Aa ten N van De Zevenhuizen. Een gelookt is een omwald of met houtgewas omhaagd complex ; beloken = afsluiten, omheinen.
De Glasemaker; Lb: 'dat ackerken genaamt den Glasemaker'. Ligging onbekend. In Strijp woonden rond 1900 twee gebroeders Sax tegenover het Sintjanshöfke. Deze lieden oefenden enige terreur uit. Ze werden genoemd 'Sax, de glazemaker, de koeieverkoper, de spinnemechiel'. Maar dit heeft natuurlijk niets met het ackerken te maken.
'T Groene Piepke, houtwal aan weg van Zandbergstraat naar Heerstraat (brand­toren) ; vroegere schuilplaats voor stropers.
Het Hazelnotenbier, het derde laatste huis aan de Zandbergstraat (nr. 69), vroeger café en gildehuis.
De Heg
of De Strijper Heg, het vroegere cijnsgoed van de inwoners van Strijp; was gemeenschappelijk eigendom. Grotendeels moeras. Heg duidt zeker op afsluiting; dit eigendom was duidelijk door palen afgebakend ter onderscheiding van de eigendommen van de heerlijkheid.
De Heimolen, de standerdmolen in het stuifzand van de Molenheide ten W van Leende. De molen waaide op 13.11.1940 kapot; de bouwval werd in 1944 afgebroken en het materiaal werd opgeslagen. De Engelse soldaten gebruikten er veel van; het restant werd tenslotte voor f 1700.- aan een molenbouwer verkocht. Van dit materiaal is een deel verwerkt in de gerestaureerde standerdmolen van Bergeyk. De plaats van de molen. ligt onder het fietspad ten W van de E9.
Den Heksendans, zie Kattenput.
De Hel, complex in de Hulsbroeken. Hel = hol, laag; veel moerassige plaatsen heten hel, hol of hooI. Kan ook duiden op helen, genezen; dit ivm een pestepedimie in 1637, toen veel mensen naar o.a. deze moerassen vluchtten. '
Dat heugt je' (Lb), een perceel teulland. Den Heurseman, een perceel in de Heiakkers ; Lb: 'den Heurseman', 'den heursman', 'den hoerseman'. Den Hond, percelen ten N van de Steenakkers aan de grens met Heeze, waar o.a. het Hondsböske in ligt. Hond is een landmaat: 100 roeden. De Hooge Peel, drassig deel van de Zevenhuizensche Heide; nu ontgonnen, deel van landgoed Mariahoeve.
Den Hork
, percelen ten Z van Oosterikkerdijk, tussen de Groote Aa en het Molenschut. Akte 18.8.1795: 'perceel groese den hurk'.
De Hulst •. Lb: 'den heeserenbeemt op de Hulst? De Hutstrommel, akkerperceel in de Groote Speel.
De Jansborg, complex percelen tussen Strijper Aa en Waterstraat ten Z van de Ren; in Lb ook: 'de Jansborghen' . Borg kan duiden op een versterkte hoeve.
De Kattestaart, wellicht een vormnaam; akte13.2.1724: 'perceel groese genaamt den Cattenstart'.
Den Kavel, algemeen voorkomende aanduiding voor uitgezette oppervlakte, waar geplagd of geturfd kon worden.
De Kenis of De Ketelbuten ; Lb: 'den Kenis oft ketelbueten', 'den beemd aan den ketelbueter'. Kenis = kom met water, keteivormige laagte; ketel­buter = ketellapper.
De Klein Kerk, buurt tussen Dorpsstraat en Renhoek. Hier was een schuur- of noodkerk, die door de Katholieken van Leende werd gebruikt. Het Klooster, buurt en gronden in Strijp. De naam duidt haast zeker op afsluiten, omwallen of omhagen.
De Kloten. Er moet ergens een complex ronde of bol gelegen percelen zijn; het land boek noemt dat herhaaldelijk: 'de Clooten' of 'de Klooten' ; nadere aanduidingen zijn o.a. 'dat land ontrent de Clooten van Geerit van Gaal', 'dat Clootjen van de Kinder Jan Franse Siegers'.
De Kluis of De Achelse Kluis, klooster van O.L. Vrouw van de H. Benedictus te Achel; de eigendommen liggen zowel op Belgisch (Achel) als op Nederlands (Leende, Valkenswaard) grondgebied. De Kluizerwittering, door de paters van de Kluis gegraven wetering parallel aan de Tongelreep. De Koloniëns, percelen ten Z van Luiks Schoor: ontgonnen na 1883, vóór 1902. '
Den dueren Coop' (Lb), een te duur gekocht perceel, nabij De Verloren Kosten in het Molenschut. Oe Kooijen, percelen ten o van de Hulsbroeken ; de bossen van De Koekoek vallen binnen dit complex. Kooijen kan duiden op koeien en op (schaaps-)kooien, maar waarschijnlijker is het verband met kwaaie, slechte gronden.
'De krekelseyck' (Lb), vermoedelijk een perceel aan de Krekelweg. Er stond wellicht een bekende oude eik, want het zal toch wel op eik slaan en niet op zeik.
De Krommen Distel,
perceel tussen Kleine Aa en Ouden Dijk, nu van Noud van Weert; een vorm naam : dissel.
De Kromvoor, gerend perceel in de Groote Speel; Lb: 'op de Cromvoor'; akte 24.4.1797: 'dat land in de Speel of Cromvoor'.
Steenen Kruis, grenssteen Cijnsgoed, nu grens Mariahoeve. De Kuilkant, buurt tussen Renhoek en Kattestraat nabij De Kuilen, zie aldaar.
De Kuilkant ligt deels onder de E9 (Strijper Tunnel).
De Lange, een der langgerekte percelen (260 m lang) in de Kleine Speel; ook een lang (210 m) perceel in de Steenakkers.
De Lokem of De Looikom ; Lb: 'de Lokom'. Kuil van de leerlooier. Vanwege de stank moest de looikuil ver buiten het dorp liggen; de kom ligt dan ook aan de Aa, ca 300 m van Strijp.
De Vier Linden, oud café, waarvóór vier oude linden, Dorpsstraat nr 99.
Miebette Keel, perceel in de Riesten; vormnaam, keel duidt op een smaller stuk in dat perceel.
'T Moerwortel' (Lb). 'De Moeshunek' (Lb); moes = slik, modder; honk = hoek, schuilplaats.
Het Molenschut, groot complex ten Z van Oosterikkerdijk; de naam komt in diverse variaties voor: 't Mulleschut', 'de Meulenschutten'. Schoot of schut = afsluiting; vgl
Gelokt
, Klooster e.d. In het Molenschut liggen oude bouwland­kampen en oude beemden.
De naam Molle­manneken voor een perceel of perceelcomplex komt meermalen in het Lb voor; mogelijk gelegen in de Mollenveldjes.
 'Den Neerhossent' en 'den acker op den Neerhossent' (Lb); ligging en naam onduidelijk. De Noppen, akkercomplex tussen Lijkstraat, Molenpad en Veestraat ; Lb: 'den acker op de Nop', 'dat land op de Nop', maar ook meermalen: 'de cleijn Tuijnt ofte Nop'.
 De Oekraïne, ten ZO van Bruggerhuizen, bouw- en weiland. De naam stamt uit de ontginningstijd en doelt op de afgelegen ligging.
 Oosterik; Sm 1449: 'Oesterwijc', in 1527 'Oisteryck', in 1659 'Oosterwijck'. Gehucht, samen met Boschhoven een der hertgangen of afdelingen van Leende. De ruimte bij het Brouwershuis, waar de Lieven Heer staat, heet 't Oosteriks Pleintje. Als Boschhoven het oudste deel van Leende is, waarvoor veel aanwijzingen zijn, is Oosterik de wijk ten oosten daarvan. '
T Pezeel, perceel in De Putten.
De Plas, tipje dennenbos ten N van de Zandbergstraat, eigendom van de gemeente. '
T Pleintje, driekantige door wegjes omgeven plek, midden in Strijp, ten W van het Kaatsveld, nu met linden beplant. Mogelijk de oude 'plaatse' van Strijp.
De Poel, lager deel ten ZW van de Voordenweg.
'De Pompert' (Lb), perceel afkomstig van fam. Pompen.
De Ren, landerijen tussen Strijper Aa en Kleine Aa. Sm 29.10.1434: 'aen die Renne'. Wellicht is ren een waternaam; Ren, Rennetje, Rijn en Run zijn namen voor stromend water elders. Maar ook is ren = reen = grens. Ook familienaam; akte 1469: 'Willem vander Rennen'.
De Reij, smalle strook tussen Meneeuwsels, Ulkedonken en Renheide aan de Kleine Aa; in 1527: 'de Rye'; men zegt 'Rèj'.
De Riesten, lage percelen tussen Strijper Aa en Paaldijk. De naam kan duiden op riet. Percelen in de Riesten uit het land boek : 'de agterste riest', 'de lange Riest' en 'dat bagijnevelt in de Riest'; ook herhaaldelijk 'den hommeier riest'. Een deel heet nu nog 'de dokterin z'ne Riest'.
De Ronde, perceel van ronde vorm tegen de Kortsbruggen.
De Rijders, complex in de Jansborg ; Lb: 'de Rijders in de Jansborgen' .
De Schavije, complex goede gronden ten 0 van de Groote Aa; Lb: 'de streepen of schavijen'; de betekenis is onduidelijk.
De Schammerd, complex gronden tussen Broekerstraat en Groote Aa; ook genoemd de SChammerden, in Lb soms 'de schambert'.
'Den Schrijver' of 'den Schruijer'; naar een familienaam Schrijvers? De Schuurbraak ; Lb: 'den hogen weg oft Schuurbraeck van Adriaan Pompen'. Braakland (afw. bouwlandlweiland); duidt schuur op scheuren, ploegen van grasland?
Simkes Wei in het Molenschut, tegen De Verloren Kosten. Ook genoemd 'de Kroon z'n wèj'; Jozef Simkes, een vorige eigenaar, noemde men 'de Kroon'.
De Seng. Lb: 'in de Sengh'; akte 24.4.1797: 'dat land in de Zeng op Oisterik'. Seng is duidelijk een laagte; ook in Mierlo is een Sang of Zaang, een laag broekland.
De Slui; Lb: 'dat land op de Sluy tot Oisterick'.
De Groote Speel en De Kleine Speel, twee aangrenzende akkercomplexen ten N van Boschhoven. Bij Hilvarenbeek liggen ook naast elkaar een Hoog Spul en een Laag Spul. Speel en Spul kunnen het verband aangeven met een vroegere maal, plaats waar rechtszittingen werden gehouden. Den Tiekewèver, perceel in de Schavije; een vroegere eigenaar was tijkenwever.
Tongelreep, rivier, vormt de westgrens van Leende; de rivier is genormaliseerd. Men zegt 'Tonnerup'. In 1440 was het Tonglrereep. Epe = waterloop; volgens Schönfeld is er verband met de Tongeren, een volksstam.
De Tuint, gronden aan de Renhoek. Er is verband met tuin = omheining; in de Acht Zalig­heden is d'n tuin de hofheg ; vgl ook Eng. town voor (ommuurde) stad. De Verloren Kosten; Lb: '
de Vlooren Kost'. Hoger gelegen perceel in 't Molenschut tegenover de Koekoek. Slechte gronden, verloren kosten, verloren moeite.
De Vloeiweide, vrij jonge naam voor boerderij met weidegronden, die vroeger bevloeid werden met Tongelreepwater; er zijn plannen voor de aanleg van viskweekvijvers aldaar.
De Vrijdegge, perceel in de Groote Speel; naar een eigenaar Vrijdag? of verband met vrijdag = ongeluksdag, slechte grond dus?
De Vugtsen Den, dennenaanplant in de Dijksche Heide aan de Strijperdijk tegen de grens met Soerendonk.
De Zeven Deelen, perceel tussen Korte Straat en Langstraat.
De Zoei, perceel in de Kleine Speel, inmiddels herverkaveld. De Zoeijen, zie de Zoei-akkers. De Zo er, zie Aa.

Na het gereedkomen van deze tekst (1974 de webbeheerder) zijn nog meer toponiemen gevonden, is de ligging van een aantal onvindbare toponiemen bekend geworden en konden zelfs nog enkele onduidelijke namen worden verklaard. Maar het was niet meer mogelijk dit nog in de tekst te verwerken.

In grote delen van Brabant zijn veel namen in het veld niet meer aan te wijzen. Door ontginning, ontwatering en wegverlegging zijn veel onderwerpen voor benaming verdwenen. Na een ruilverkaveling zijn vrijwel alle namen van afzonderlijke percelen vervallen, eenvoudig omdat de percelen verdwenen zijn, werden vervormd of doorsneden door nieuwe wegen of watergangen. Alleen de benamingen van grotere complexen zullen blijven. We zien veel vervalsingen optreden (te goeder trouw, maar toch vervalsingen) bij pogingen om fijne oude namen te behouden. Nieuwe boerderijen krijgen een oude naam. Dikwijls is zo'n naam foutief, omdat een naam uit de omgeving wordt gekozen, als de benaming van de plek zelf onbekend is. De boerderij 't Goor (Soerendonk) staat niet in 't Goor, dat bovendien vrijwel geheel is ontgonnen. Ook aan nieuwe (meestal geasfalteerde) landbouwwegen worden namen gegeven. Daarbij worden eveneens fouten gemaakt. De namen worden niet alleen verminkt (Hegweg - Heggerdijk, Halvennestraat - Halfeindsche Straat, Hoogeindweg -Hoogeindse Weg), maar ook worden deze wegen soms genoemd naar complexen, waardoor een groter gebied de naam krijgt van klein gebied of complex (Jansborg, loofvennen). De nieuwe weg 'Renheide' loopt inderdaad door de Renheide, maar voor een deel ook over de Waterstraat en door het complex Jansborg.

De Schammert is vanouds geen hotel-restaurant, maar een complex lage gronden aan de Groote Aa. Wanneer het hotel nu dáár zou zijn gebouwd, Zou het eerder zo mogen heten. Waar de Loofvennen lagen is nu een voetbalveld, dat De Grote Speel is genoemd. Het Kuurchalet Renheide ligt in De Reij, nabij de Renheide. Ook de namen SintJanshöfke, Leenderhof, Hubertushof, Mariahoeve en Zandhoeve zijn in zoverre misleidend, dat ze jong zijn en niet duiden op vroegere hoven of hoeven.

Het is jammer, dat veel straten in nieuwe uitbreidingen aan een oud dorp dikwijls zulke stomme namen krijgen. Tegel ijk met het verdwijnen van wilde bloemen en vogels en met het afnemen van de betekenis van het koningshuis stijgt het aantal bloemen-, vogel- en koningshuisnamen in alle nieuwe buurten, overal in Nederland. Ook in Leende helaas. Dit getuigt van weinig originaliteit en gering begrip voor eigenheid, en is een der vele nivel­lerings- en schaalvergrotingsverschijnselen van deze tijd.

Men zou de nieuwe straten beter kunnen noemen naar ter plaatse liggende toponiemen, naar vroegere ingezetenen, naar oude verenigingen en naar belangrijke gebeurtenissen. Waarom zouden we in Lind niet een Prins Pico Bellostraat, een Philharmoniestraat, een Gradje Willemsweg, een Katrien en Barbarastraat of een Torenjaarstraat kunnen hebben? Dat zou heel erg Linds zijn.



   naar het begin


einde