Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Sint Janstros
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


De Sint Janstros, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "inne pestoor, honderd kiendjes en duujzend bloeme";  over de Sint Janstros


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder  (
zie ook het gedicht "witte nog")


Foto's: september 2007 Erik van Asten

Zaalstraat Leenderstrijp


Ter bescherming van huis en haard :
"De gewijde tros wordt aan de buitengevel gehangen,
 meestal naast de meest gebruikte deur, de achterdeur, maar ook wel aan de voordeur"


 Het ophangen op sintjansdag (24 juni) van gewijde bloemenruikers of Sint-Janstrossen aan de huis­gevels was vroeger een algemeen verbreid gebruik. In de Kempen, in Peelland en in Vlaanderen is dit gebruik het langst gebleven. In onze streken wordt de tros alleen nog gehangen in plaatsen waar sint Jan de Doper patroonheilige is van een kerk of kapel: Duizel, Oerle, Zandoerle, Soerendonk en Strijp bij Leende, maar ook wel in de andere dorpen van de betreffende gemeenten: Eersel, Steensel, Veldhoven, Meerveldhoven, Maarheeze, Leende. Tegenwoordig worden zelfs niet alle gemaakte trossen meer gewijd; men hangt ze zonder meer op.

De schoolmeester P.N. Panken, die in de vorige eeuw veel gebruiken, sagen, oudheidkundige bizonderheden en dergelijke heeft genoteerd, schrijft daarover:
"Daags voor St. Jan plegen hier en daar te Bergeik de jonge dochters van de stengels van het St. Janskruid, de korenbloem en de bladeren van den notenboom of linde een krans te maken en dien boven de voordeur harer woningen te hangen. De Sintjanstros, zoals die krans heet, laat men daar hangen totdat die vergaat".
En elders: "Op Sintjansdag zijn te Bergeik de jonge meisjes, die nog geenen vrijer hebben gewoon de voorspraak van de H. Johannes den Dooper in te roepen
om er een te krijgen en krijgen zij er een dan noemen zij dien hunnen St. Jan".


Dominee Hanewinkel vond op zijn 'Reize door de Majorije' in 1799 het volgende:
"Men is op sommige Dorpen gewoon, om op het Feest van Joannes den Dooper, den 24 van Zomermaand, Bloemen boven de deuren en vengsters der Huizen te hangen. Dit geschied zegt men, om dat St. Jan een liefhebber van Bloemen was. Andere geeven deeze reden voor dit gebruik op: Joannes kwam eens in eene Stad, waar de Inwooners hem wilden dooden; hij ging, wijl het avond was, in een Huis; de Stedelingen versierden dat Huis met Bloemen, om toch niet te vergeeten, waar hij in gekeerd was, en hem dan 's anderendaags te dooden. Maar toen zij den volgenden dag ontwaakten, en hun boos voorneemen wilden uitvoeren, waren alle Huizen door een Wonderwerk, op even dezelfde wijze met Bloemen versierd, zoo dat men niet meer wist, in welk Huis Joannes zich bevond, en hij ontkwam dus het hem dreigend gevaar. Om dit Wonder, het geen men voelen en tasten kan, te vereeuwigen, blijft deeze gewoonte nog in zwang".

In andere versies zijn de bloemen vervangen door notentakken. In bepaalde streken worden op sint jan nog wel notentakken aan de huizen gehangen, vooral als een der huisgenoten Jan, Hans, Sjang of Tiest heet. Het gebruik gaat terug op heel oude niet-christelijke, maar wel godsdienstige rituelen, waarmee men grotere vruchtbaarheid van mens en dier en een rijkere oogst wilde verkrijgen en waardoor boze geesten, duivels en heksen en de kwade werking daarvan (ziekten en dood, brand, blikseminslag en andere natuurrampen) werden bezworen. De kerkelijke viering van Sint Jan de Doper, de rebel, de lefhebber, de martelaar, is eigenlijk een natuurfeest, een boze-geesten-verdrijvend feest ook. Geen kerkelijk feest zit zo vol symboliek en folklore als juist St. Jan, en Kerstmis trouwens ook. Twee katholieke feesten, op merkwaardige dagen: midzomer en midwinter. Deze feesten zijn restanten van heel oud 'heidens' geloof, écht geloof en enorme verbeeldingskracht.

Predikers en zendelingen treffen in de kerstenings­periode bij de inboorlingen allerlei 'bijgeloof' aan, dat het bereiken van hun doel enorm in de weg staat. Ook hier, want tot vandaag zijn veel van die 'heidense' gebruiken nog in zwang, weliswaar vervormd door vele eeuwen kerkpraktijk. Het Concilium germanicum van 21.4.742, een soort synode, door Bonifatius en Karloman, een Frankisch hofmeier, speciaal bijeengeroepen om maatregelen te nemen tegen grove resten van bij­geloof, bepaalde,
"dat de geestelijkheid ervoor heeft te zorgen, dat het kristenvolk geen heidense gebruiken in ere houdt, en zich daarom stipt ont­houdt van dodenoffers, waarzeggerij, toverij, amuletten, het voorspellen van de toekomst uit de vlucht der vogels, bezweringen, van alle godslaster­lijke vuren die noodvuren genoemd worden, het hangen van bloemen en kruiden en van alle andere heidense gebruiken van welke aard ook".
Het vervolg daarop, het Concilium listinense in Estinnes-au-mont in Belgisch Henegouwen, verbood in 745 nadrukkelijk "het gebruik van dit kruid" (bedoeld is de sintjanstros) als zijnde een "indiculus superstitionem paganarum", een duidelijke aanwijzing van heidense bijgelovige praktijk.
In 572 had bisschop Martinus van Braga in NW-Portugal al bepaald, dat het kristenen niet betaamt heidense gebruiken in ere te houden, zoals "het sieren van de huizen met bloemen, groen en boomtakken" .

Na enkele eeuwen gepoogd te hebben de kwalijke gebruiken uit te roeien zag de officiële kerk in, dat ze dit onmogelijk voor elkaar kon krijgen. De kerk accepteerde daarom de resterende oude gebruiken, wijdde ze toe aan een of andere geliefde heilige en ging er plechtig met de kwast over. Tot op de dag van vandaag; bij de Strijper Kapel werd in 1973 vóór de wijding van de trossen dit gebed gesproken:
"Heer God, almachtige Vader, wij mensen leven temidden van uw schepping .... Daarom vertrouwen wij ons toe aan U. Op voorspraak van St. Jan vragen wij U: bescherm ons en zegen ons. Zegen ook de trossen, welke wij hebben geplukt en verzameld, want daarin geven wij uiting van ons geloof, dat Gij ons aller Vader zijt, die zorgt en beschermt tegen alle onheil vandaag en alle dagen, tot in de eeuwen der eeuwen. Amen".

De Sint-Janstros bevat bijna overal een aantal magische planten. Het groen van notenblad, varens en takjes van de op palmzondag gewijde palm worden er in verwerkt om de heksen te ergeren, die dan verdwijnen; groen is nl de kleur van de hekserij. Maar de varens in de tros, oude toverplanten, hebben ook wel duidelijk met St. Jan te maken: de koningsvaren (eerbewijs) slaat op de Doper, de adelaarsvaren eert de Evangelist, vanwege de beschreven visioenen in de Apocalyps. Alleen de sintjansnacht is geschikt om toverkrachtige varens en varen'zaad' te verzamelen. Varens zouden ontstaan uit het bloed van Joannes en ze 'bloeien' alleen in de Sint-Jansnacht. Het geheimzinnige fijne 'zaad' moet worden opgevangen door een schone doek, liefst een kelkdoek, te leggen onder de varenplant; rond de doek moesten zeven kruisjes van vliertakjes worden gestoken. Varens komen nog voor in de sintjanstrossen ondanks de decreten van verschillende bisschoppen. Varenzaad van de Sint-Jansnacht in de schoenen zou onzichtbaar maken.

Koeien, die peterselie te eten krijgen, die op Sint-Jansdag of een dag later werd geplukt, zouden niet betoverd kunnen worden. Met venkel, geplukt en gezegend op Sint-Jansdag, kunnen tovenaars worden geweerd, als daarmee de sleutelgaten zijn bewerkt of het aan de deur is gehangen. Venkeltakken werden in Frankrijk negen maal door het Sint-Jansvuur gezwaaid en hadden dan een heksenverdrijvende kracht. Horens en uiers van geiten en koeien werden met Sint-Jansvenkel gewreven tegen betovering van de melk. Heksen werden onzichtbaar met boerenwormkruid dat in de Sint-Jansnacht was geplukt. Op Sint-Jansdag moet men vooral niet onder een boom in slaap vallen. Het langdurige en krachtige licht van die dag verdrijft de duivel uit de bomen, die wel eens in een slapend mens zou kunnen kruipen. Sint-janskruid, een hertshooi, zonder praten en zonder omkijken geplukt precies om twaalf 's middags op Sint-Jansdag, helpt tegen bliksem, brand en toverij, als het aan de zoldering of voor de ramen wordt gehangen. Elders helpen vlier- of notenbladeren tegen hetzelfde. Wortel van salomonszegel geeft voorspoed, mits uitgegraven op sintjansdag. En met klavertjesvier, geplukt op de vooravond van St. Jan, kon men heksen en tovenaars opsporen, maar ook verborgen schatten. Hazelaarstokken, die als wichelroede moesten dienen, werden in de Sint-Jansnacht gesneden; met deze stokken kon men bronnen' en schatten ontdekken. Sint-Jansgordels, kransen van bijvoet om het middel gedragen, hielpen tegen ziekten en ander kwaad. De planten moesten wel op sintjansdag worden geplukt en de gordels moesten na toepassing in het Sint-Jansvuur worden gegooid. Als men op St. Jan voor zonsopkomst marjolein, ijzerhard, mirte, drie venkelwortels en drie venkel­bladeren verzameld had, kon men met dit mengsel, gedroogd en tot poeder gewreven, een meisje in de kortste keren in haar hemd zien dansen als het in haar richting werd geblazen. Een aardig liefdesmiddel vinden we in Die Evangelien vanden Spinrocken, een boekje dat in 1480 in Brugge verscheen en in 1662 in een nederlandse vertaling uitkwam:
"Wil een vrou, dat haer man haer hartelijck minne, die legge in sijnen slin'cken schoen een blad van een noteboom, gheraept op St. Jansavont totdat men noen luijdt, en hij sal se wonderlijck lief hebben".
De walnoot gold als symbool van vruchtbaarheid. Men hing wel verzilverde of vergulde walnoten in de kerstbomen. In een goed notenjaar zou der er ook veel kinderen geboren worden. Er zijn met St. Jan meer vruchtbaarheids- en boze­geesten-werende gebruiken. Het sintjansklokluiden in Limburg heeft iets te maken met verjagen van duivels. In Vlaanderen werd op sintjansavond een krans van graan gevlochten, die werd bewaard om er op voorspraak van St. Jan ziek vee mee genezen te krijgen. In West-Vlaanderen, o.a. in Kachtem, wordt St. Jan aangeroepen tegen de seskens of stuipen van mens en vee, die daar sintjansziekte heet. Regen op St. Jan voorspelt een natte oogst. Tot voor kort werd in Leende en Strijp in alle vroegte op sintjansdag nog dauwwater verzameld door met schone doeken door het bedauwde gras te slaan en die uit te wringen in een fles; dit Sint-Janswater werd bewaard tegen oogaandoeningen en hoofdpijn. In Beugen werd op 23 juni de sintjanstak - meestal een notetak - boven de deur gehangen. Als de hooioogst binnen was werd deze offertak versierd met linten en bloemen en tussen het hooi gelegd tegen hooibroei en brand.

De sintjansvuren zijn eigenlijk levensvuren, vrucht­baarheidsvuren ; vgl paasvuur, meivuur, sintmaartensvuur, kerstlicht, kerstvuur. Hier en daar werden katten in het sintjansvuur gegooid. Elders werd het vee een aantal malen rond het vuur geleid. De kermis van Domburg (Walcheren) begon op sintjansavond met het stoken van grote vuren in de duinen. Er werd daarbij rond en over het vuur gedanst; het vlas zou zo hoog groeien als de hoogste springer boven de vlammen uit sprong. Verkoolde stokken uit het vuur werden tegen blikseminslag op de daken gegooid. Waar de rook van het vuur bleef hangen, zou de oogst het rijkst zijn. Het buiten dansen in de sintjansnacht, al of niet rond het vuur, gold als zuiverend en genees­krachtig, vooral bij huiduitslag. Het naakt rollen door gras met Sint-Jansdauw helpt trouwens nog beter tegen huidziekten. Bij Poitou in de Auvergne worden met St. Jan zonneraderen, met stro omwonden wielen van een boerenwagen, met een gewijde kaars aangestoken, waarna de brandende wagen door de velden werd gereden. In Duitsland werd op veel plaatsen een brandend rad van een hoge heuvel gerold.

De sintjansvuren gaan terug op de Balderverering van de Germanen. Op 24 juni vierden de Germanen het feest van de zomerzonnekeer. Balder is de god van de witte dag (midzomer), van licht en zomer, van mannelijke schoonheid, van rechtschapenheid en welsprekendheid. Het lag voor de hand dat het St. Jan werd, die de plaats van Balder moest innemen en niet een andere heilige. Op tempelwijdingdag, 24 september, werd aan de oude Zacharias de geboorte van een zoon aangekondigd, die Joannes zou moeten heten; 24 juni moet dus de geboortedag van die zoon zijn geweest. Sintjanneke was boven­dien precies een half jaar oud toen Christus op mid­winterdag geboren werd, en ook werd hij gezien als een nog wel door de hemel gegeven teken van vruchtbaarheid. Omstreeks zomerzonnewende zijn er duidelijke keerpunten in de natuur te bespeuren. De voorjaarsplanten zijn uitgebloeid en de uitbundige bloei van de volle-zomer-planten is op het hoogtepunt. De meeste grassen dragen zaden; het hooi is binnen. Bij de houtige planten is het eerste lot, het voorjaarslot, uitgegroeid; maar er zijn tevoren nieuwe knoppen gevormd, waaruit na midzomer nog eens loten uitbotten: het zomerlot of sint janslot, dat veel korter blijft en bij veel houtsoorten vóór de winter niet eens meer volledig verhout. Omstreeks St. Jan is het daarom de gunstigste tijd voor het knippen van de haag en het snoeien van bomen. Met het steken van asperges wordt opgehouden met St. Jan en de asperge­bedden worden geslecht; de uitlopende Sint-Jansknoppen kunnen dan nog zorgen voor het aansterken van de aspergeplanten. De linden en de vlieren bloeien omstreeks St. Jan. Dan bloeit ook het vlas, al is het maar een handbreed hoog. Noten, appels, peren, druiven en mispels beginnen aan de diktegroei . En ook de zaden van het graan worden dikker en voller.

De sintjanstros is een kruidenruiker van planten, die niet gesneden, maar met de hand geplukt moeten worden. Vroeger gebeurde dat plukken onder plechtig stilzwijgen in de avond van 23 juni na de eerste Sint-Jansmis. De tros moet eigenlijk worden gemaakt door de oudste nog thuis wonende dochter. De ruikers worden meestal samenge­bonden. In Duizel,Oerle en ook wel in Strijp ziet men prachtige boeketten, die op karton worden genaaid. Soms worden de bloemen en bladeren in een aard­appel gestoken; ze blijven dan langer fris. Door de Sint-Janstros is een huis volgens oud geloof gevrij­waard van blikseminslag, brand, veeziekten, mis­oogst en andere onheilen. Maar de tros heeft ook een algemene gelukbrengende kracht.

Meestal was er een of andere vorm van processie op St. Jan. In Laren is er nog altijd een versoberde vorm van de vroegere zeer grote processie naar het Sint-Janskerkhof. In Duizel trekt op de zondag na St. Jan de sintjansvaart, tevens sacramentsprocessie. In Strijp trekt de schut, het gilde van Sint Jan Baptista, op de avond van sintjansdag naar de Sintjanskapel, gevolgd door de mensen van Leende en Strijp. Het is de enige dag waarop in deze kapel weer een H. Mis gelezen wordt. Op verzoek van de schutterij gebeurt dat weer sinds St. Jan 1962. In het jaar voor het torenjaar was dat erg schoon. St. Jan viel op zondag en de mis was toen in de voormiddag. Een groter aantal mensen dan gewoonlijk trok achter de schut aan naar de Kapelberg. Het ruime land met veldvruchten en koeien, omzoomd door bossen, de Blaos in de verte en de bomen rond de stille kapel vormden een prachtige omlijsting van dit gebeuren. Zeer storend waren wel de vele automobieltjes. De kinderen droegen de kleurige trossen. En ze staken die bij de wijding hoog op om maar zeker daarop enkele druppels van de zwaaiende kwast te vangen. Vroeger werden er drie trossen gehangen, symboliek van de Drievuldigheid. De drie trossen werden soms bijeengebonden, gescheiden door vergeetmijnietjes. Er waren trouwens vroeger op St. Jan, het 'zomerkerstfeest' ook drie H. Missen. De eerste mis is op de vooravond van St. Jan waarna de kruiden voor de tros werden geplukt. De nachtmis van St. Jan begon om twaalf uur 's nachts. De derde mis was in de dageraad. De troswijding had plaats in de nachtmis. De gewijde tros wordt aan de buitengevel gehangen, meestal naast de meest gebruikte deur, de achter­deur, maar ook wel aan de voordeur. In Oerle links en in Duizel gewoonlijk rechts van de deur, hier veelal aan de bovenstijl van het bovenlicht boven de deur. In Gelderland werden vooral Sint-Janskronen gehangen, waaronder werd gegeten, gedronken en gedanst. Dit oude vruchtbaarheidsgebruik leidde tot seksuele uitspattingen, waarom de sintjanskronen werden verboden: in 1548 in Nijmegen, in 1603 in Grave. In zijn eenvoudigste vorm bestaat de sintjanstros uit maar één plant. Dikwijls is het eenvoudig een tak, van vlier of walnoot. Hier is dat meestal sintjans­kruid. Maar nu zijn er twee soorten, die sintjanskruid heten: een hertshooi, Hypericum perforatum, en een vetkruid, Sedum telephium, dat ook hemel­sleutel heet. Beide planten komen in het wild voor, maar de wilde hemelsleutel en een enkele tuinvorm daarvan wordt ook in tuintjes gekweekt, vooral in sintjansdorpen. De Hypericum heet ook wel wonderkruid, wond­kruid, duvelsjacht, jaag-den-duvel of godewaar, en dat zegt al genoeg. Van de bloemen maakt men sintjansolie tegen brandwonden, kneuzingen, gezwellen en verstuikingen. De plant bloeit omstreeks midzomer. Het andere sintjanskruid of hemelsleutel heeft dikke vette bladeren. Het bladsap helpt tegen eczeem en wratten en heet daarom ook wondkruid en smeer­wortel. De plant is net als de huislook een donderkruid tegen onweer. Het is zeker een sterk magisch kruid, dat lang nadat het geplukt is nog leeft. Afgeplukte blaadjes vormen worteltjes en kunnen tot een nieuwe plant uitgroeien. Hemelsleutel bloeit nog niet met St. Jan, maar de stengels in de aan de huizen hangende trossen richten zich op, en daarom heet de plant in de Kempen wel zolderklimmer. De hangende stengels kunnen zelfs in bloei komen. Die bloei valt dan omstreeks 29 augustus, St. Jan Onthoofding en de bloemen zijn nog roodachtig ook. "Ziede nou wel !?" zegt men dan tegen hen, die niet 'in de tros geloven '. De sintjanstrossen hebben in elke plaats of streek een andere samenstelling, maar sint-janskruid moet er altijd in zitten. De sintjanstros van Leende en Strijp bevat veel wilde planten: één of beide sintjanskruiden (Hypericum perforatum en Sedum telephium), een of andere varen (liefst koningsvaren, Osmunda regalis), een zeggesoort (meestal cyperzegge, Carex pseudocyperus), korenbloem (Centaurea cyanus), koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi), gele lis (Iris pseudacorus), madeliefjes (Bel/is perennis). Uit de tuin worden nog aan de tros toegevoegd witte en rode rozen, viooltjes en spaans gras, (een witbont-gestreept siergras, meestal Holcus lanatus 'albovariegatus'); notebiaren vormen de ondergrond van de ruiker. Dit geheel mag worden aangevuld met graanhalmen, witte snoffe/s (Dianthus plumarius), rode of roodbonte lievermennekes (Dianthus barbatus), witte hemdskneupkes (Chrysanthemum parthenium), witte, gele of oranje lelies (Lilium spec.) en andere ouderwetse tuinbloemen. De varens mogen vervangen worden door zilverschoon (Poten til/a anserina) of duizendblad (Achil/ea mil/efolium). De witte en blauwe bloemen in de tros eren de onschuld en de maagdelijkheid van Sint Jan, de rode bloemen zijn martelaarschap. De gele bloemen houden nog verband met de vroegere zonnesymboliek.

 



   naar het begin


einde