Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Ontstaan gebied
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Geologie, prehistorie, geschiedenis, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "hoe 't is gekumme";  over geologie, prehistorie en geschiedenis


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder  (
zie ook het gedicht "witte nog")


Geologie, prehistorie, geschiedenis

Het reliŽf van het landschap van Leende zoals dat nu is was in hoofdzaak al bepaald in het laatste deel van het geologisch tijdvak Pleistoceen dat eindigde ca 8.000 jaar voor Christus. Gedurende het geologisch tijdvak Holoceen (8.000 v X - heden) was de modellering van het landschap beperkt tot de vorming van stuifzanden en beekdalopvullingen (o.a. met veen) en tot bodemvorming. De bovenste reeds eerder door de rivieren afgezette materialen zijn op het laatst van de geologische geschiedenis door wind en water verplaatst en gesorteerd. Hierdoor ontstond de huidige verscheidenheid in hoog en laag. In de Jonge Steentijd maar vooral in de Bronstijd (zie hierna) begon de beÔnvloeding van de mens op het landschap. Diep onder de Leendse bodem bevinden zich steen≠koollagen, kalk, krijt en andere gesteenten. Op de vorming daarvan kunnen we binnen het bestek van dit boek niet ingaan. Bovendien hebben de dieper gelegen lagen voor de huidige verschijningsvorm van natuur en landschap een zeer ondergeschikte beteken is.

Twee verschijnselen zijn van grote invloed geweest op het landschap zoals zich dat nu aan ons voordoet. Allereerst waren dat tektonische bewegingen in de aardkorst, waardoor bepaalde gebieden van onderuit omhoog werden geduwd en op andere plaatsen inzinkingen optraden. Door het zeer langzaam opduwen van de dichts bijgelegen gebergten (Ardennen en Eifel) en het dalen van het Noordzeebekken ontstonden spanningen die in de flauw hellende aardkorst scheuren en verbrokkelingen veroorzaakten. De aardschollen verplaatsten zich ten opzichte van elkaar. Gestegen schollen heten 'horsten', gedaalde heten 'slenken'. Leende ligt in de zgn Centrale Slenk die aan de oostkant wordt begrensd door de Peelhorst en aan de zuid≠westzijde door het Kempisch Plateau. De breukrand tussen een horst en een slenk noemt men kortweg 'breuk'. Een bekende breuk is de Peel rand breuk ten oosten van de lijn Asten-Deurne-Milheeze-Erp; deze breuk is plaatselijk in het terrein goed te herkennen. Ook door Leende verloopt een dergelijke breuk tussen twee verschoven aardschollen, de Breuk van Sterksel, die ongeveer verloopt via de Molhoutsche Brug ten zuiden van Sterksel, door de Oosteriksche Heide en over de Klein Kerk naar Valkenswaard. Deze breuk is alleen op grotere diepte waarneembaar. Een andere breuk, de zgn Feldbiss, genoemd naar een plaatsje van die naam bij Brunssum, verloopt ZO / NW juist ten ZW van de Kluis.

Het tweede verschijnsel dat voor de vorming van het huidige landschap betekenis had is de verplaatsing van dekzanden. Het uitgestrekte dekzand landschap waarin het grondgebied van Leende is gelegen is gevormd in een periode tegen het eind van de laatste ijstijd, het Weichselien. Het klimaat was toen vrij koud en droog, de begroeiing was schaars en ijl. De wind kreeg vat op de reeds eerder afgezette zanden, verplaatste ze en legde ze in de vorm van een min of meer dikke en elders dunnere zanddeken over de oudere afzettingen. Hierbij is dit zand wat gesorteerd; plaatselijk bestaan de dek≠zanden uit grovere korrels, elders zijn ze fijner en bevatten ze zelfs een zeker percentage leemdeeltjes, die destijds als lŲss zijn afgezet. We komen hierop even verder nog terug. Opvallend in ons Brabantse dekzand landschap zijn de langgerekte hoger gelegen dekzandruggen, die ongeveer parallel ZW/NO verlopen volgens de in die tijd heersende windrichting. Er zijn vier duidelijke dekzandruggen. De best herkenbare zijn die over Dongen-Loon op Zand-Nuland-Heesch-Herpen en over Hooge Mierde≠Oirschotse Heide-Son-Boerdonk-Mariaheide≠Nistelrode. Minder duidelijk is de daartussen gelegen rug van Hilvarenbeek-Oisterwijk-Boxtel- St. Michielsgestel. Ten zuiden van Eindhoven ligt dan 'ons' dekzandrugsysteem Malpie-Groote Heide≠Strabrechtse Heide-Vlierden. Tussen de dekzandruggen liggen oudere leemhoudende zanden en lemen dichter onder het maaiveld of zelfs aan de oppervlakte.

De beken moesten onder invloed van het aanwaaiende dekzand vooral ter plaatse van de dek≠zandruggen hun bedding naar het oosten verleggen. Heel duidelijk is dat bij de Dommel tussen Son en Breugel. Maar ook de Leendse beken zijn door het dekzand hier en daar wat moeten opschuiven, waardoor oostelijke uitbochtingen ontstonden.

Het ecologisch net van Noord-Brabant wordt gevormd door het systeem van hoge drogere dek≠zandruggen afgewisseld door lager gelegen vruchtbaarder stroken, die beide ongeveer haaks doorsneden worden door tal van beken, die aan de oorsprongen smal en voedselarm en bij de uitmon≠ding in de Maas breder en voedselrijker zijn. Dit ecologisch web of weefsel blijkt vastgesponnen, ingespannen aan een lijst, die gevormd wordt door het Maasdal met rivierklei, de Peelhorst, het Kempisch Plateau en het zeekleigebied. De noordelijke en westelijke lijstkanten zijn laag gelegen, vruchtbaar en voedselrijk, de zuidelijke en oostelijke zijn hoger, droger en voedselarmer. De hoogteligging verloopt ongeveer van ZO (ca 35-40 m + NAP) naar NW (1 m -NAP).

De vele verschillen over tamelijk geringe afstanden die hierin tot uiting komen vormen even zoveel basisvoorwaarden voor steeds weer andere combinaties van levensvormen, waardoor het landschap waarin wij wonen werkelijk een zeer gevarieerd ineengeweven ecologisch gegeven is. Door het menselijk ingrijpen werd het landschap af≠wisselender en rijker aan planten- en dierenleven. Op de betere en wat hoger gelegen gronden ontstonden menselijke nederzettingen. De bossen werden deels gekapt; andere delen werden afge≠brand en beweid. Eenvoudige gebruikswegen ontstonden en verder akkers, velden, beemden, heiden. De verschillen tussen armere en rijkere gronden werden groter door het winnen van allerlei materiaal en het vervoeren daarvan naar de nederzettingen: dieren en vruchten als voedsel, heideplaggen en bosstrooisel voor in de stallen, maaisel als veevoer, hout en turf voor bouwen brandstof, zand en leem voor ophoging en bouw, biezen en riet, en via het vee ook mest. De processen van ophogen en af≠graven, kappen en planten, halen en brengen, verschralen en bemesten, hebben de bestaande landschappelijke variatie vergroot, hetgeen zich o.a. uitte in een grotere biologische rijkdom.

Door de gebrekkige verbindingen ontstonden geÔsoleerde gemeenschappen, waarbinnen mens en landschap een eenheid vormden. Binnen elke eenheid ontwikkelden de mensen een eigen karak≠ter, een eigen dialect, eigen bouwstijl, woning≠inrichting en klederdracht, eigen gewoonten, gebruiken en werkmethoden. De landschappen werden even typisch voor elk woongebied en zijn in aard en karakter verwant aan de mensen die er wonen: vgl landschap en mens van de Zeeuwse eilanden, de Groninger klei, Salland, Staphorst, Zuid-Limburg, Peelland en Kempen. De verrijkende invloed van de mens op het landschap wordt verduidelijkt in de middelste doorsnede van een dekzand landschap met een beekdal. De onderste doorsnede illustreert de nivellerende beÔnvloeding als gevolg van omkeringprocessen in de laatste tijd. De eenheid tussen mens en landschap gaat steeds verder verloren. De mens van thans verarmt steeds meer de biologisch rijke cultuurlandschappen van vroeger. Het vroegere land≠schap was gekenmerkt door scheidingen en verschillen, het moderne landschap door verbin≠dingen en eentonigheid. De verbindingsbanen worden steeds talrijker en dichter: wegen, paden, banen, kanalen, leidingen, draden, buizen, riolen, bruggen, viaducten, tunnels, zenders en ont≠vangers. Door het wegvallen van de isolatie vervielen ook de beslotenheid en de intimiteit, zowel van de steden als van het platteland. De steeds verder voortschrijdende egalisatie vervaagt en vervlakt de vroegere tegenstellingen en nivelleert tot overal gelijke uitbreidingsplannen, overal hetzelfde cultuurland, dezelfde verharde wegjes, dezelfde eentonige bossen, dezelfde rechtgetrokken beken, tot afgraven van de hoogten en opvullen van de laagten. De bedreigingen voor de levende natuur zijn zeer groot in zo'n vervlakkend land. Dit is ernstig. Juist omdat dit zo nauw samenhangt met onszelf, met onze rust, onze ontspanning, onze vrije tijd, ons geluk, onze lichamelijke en geestelijke gezondheid, en met ons voortbestaan.

In de leemarme en enigszins leemhoudende vrij fijne zanden die hier gedurende lange perioden door wind en water zijn neergelegd hebben zich onder invloed van klimaat, waterhuishouding, vegetatie, mense≠lijke bedrijvigheid en tijd bodems gevormd. De moderne bodemkunde, die de bovenste aardlaag tot ca. 1.20 m diepte bestudeert, onderscheidt een groot aantal bodemsoorten vooral naar de profiel≠opbouw die tot stand kwam in een min of meer langdurig proces van uitspoeling van opgeloste stoffen uit bepaalde lagen en inspoeling daarvan in andere dieper gelegen lagen (podzolering). De bodemlagen zijn o.a. kenbaar aan de verschillende kleuren.

De bodemgroepen die in Leende worden aangetroffen zijn de volgende:

Vlierveengronden, zwarte en donkerbruine tot 80 cm dikke en plaatselijk nog dikkere lagen broekveen. Een humuspodzol ontbreekt; deze gronden zijn onder water gevormd. Plaatselijk gaat de vorming ervan nog door. Deze gronden vinden we bij ons alleen in het dal van de Strijper Aa en in de Meneeuwsels en omgeving.

Veldpodzolgronden zijn humuspodzolen, ontstaan in heidevegetaties, met een zwak verkitte inspoe≠lingslaag. In de zgn C-horizont worden hier dikwijls onregelmatige ijzerhoudende oranje vlekken aangetroffen. De Oosteriksche en Zevenhuizensche Heide, de Dijksche Heide, de Renheide en de westzijde van het Leenderbos bestaan geheel uit deze bodems.

Haarpodzolgronden zijn heidebodems met een scherp begrensde zwarte tot roodbruine inspoe≠lingshorizont (oerbank) en een duidelijke grijze loodzand laag. Deze bodems worden vooral gevonden in een NZ gerichte strook over het midden van het Leenderbos. Zowel haar- als veldpodzolen zijn bij de ontginning door vergraving en egalisatie verstoord.

Lage enkeerdgronden, leemarme weidegronden in de beekdalen, meestal met een opgebracht zwart zanddek (opgebrachte 'beekbezanding') van 20-80 cm dik op donkerbruin broekveen dat rust op licht≠gekleurd humusarm zand. In de bovengrond een zwarte humeuze bouwvoor.

Hoge zwarte enkeerdgronden, de oude akker≠gronden nabij de dorpen, bestaande uit een tot wel 1.20 m dik opgebracht humusarm grijs-zwart plaggendek op een iets leemhoudende ondergrond met een meestal doorploegde humuspodzol. De grondwaterstand is diep.

Gooreerdgronden vinden we alleen in het dal van de Tongelreep, tussen Paaldijk en Strijper Aa en langs de Kleine Aa ter hoogte van de Renheide. Het zijn kalkloze zandgronden met een 20-35 cm dikke donkergrijze of zwarte bovengrond op een grijs≠bruine tot grijze ondergrond; een inspoelingslaag ontbreekt.

Duinvaaggronden, de jonge stuifzanden, ze liggen in een lange strook van Kattenput langs de gehele oostzijde van het Leenderbos en door Valkenhorst en het bungalowpark; ook in de Kooyen, in het complex Mariahoeve en op de grens met Maarheeze ter hoogte van de Vugtsen Den. Ze ontstonden door verstuiving van hoog boven het grondwater gelegen dekzanden. De ligging is hier en daar sterk geaccidenteerd. Het zijn grijsgele tot gele leemarme fijne zanden met 'vuile' humusbandjes. Plaatselijk zijn deze gronden beplant met grove den, elders verschenen spontaan vliegdennen, berken, grassen en heide; op enkele plaatsen is het stuifzand nog 'levend'. Onder het stuifzand bevindt zich dikwijls een humuspodzol, plaatselijk ligt er zelfs een oude akkerbodem onder verborgen, elders ligt het stuifzand op eerder afgestoven gronden.

Waarom liggen Leende en Strijp juist waar ze nu liggen en niet ergens anders? Dit is te verklaren uit de bodemkwaliteit. De beekdalen van Dommel, Ton≠gelreep, Strijper Aa/Groote Aa en Sterkselsche Aa bestonden al vůůr de dekzand periode. Deze beken stroomden alle net als nu ongeveer parallel aan elkaar in noordelijke richting. Tussen de beken lagen hogere gronden. In deze laatste ijstijd, het Weichselien, bereikte het landijs onze streken niet; de ijskap reikte tot Zuid≠Denemarken en Sleeswijk-Holstein. In de beekdalen waren door afstromend sneeuwsmeltwater zgn fluvioperiglaciale zanden afgezet. Deze zanden werden door de wind verplaatst en als dekzand opnieuw afgezet. Vooral in de beekdalen trad afbraak door de wind op, waardoor materiaal werd opgenomen. Dichtbij al, tegen de volgende helling, vielen de zwaarste korreltjes al neer, fijnere zanden en leemdeeltjes werden verder meegenomen. Aldus sorteerde de wind onder invloed van de hoogteverschillen grover en fijner materiaal uit en ontstonden bredere asymmetrische beekdalen met aan de westkant steilere en aan de oostkant flauwere hel≠lingen. De westelijke oevers bevatten de betere lemige fijnere gronden en juist daar werd dan ook het eerst de grond in cultuur genomen en is men gaan wonen. De meeste dorpen in ZO-Brabant liggen dan ook nu nog op de westelijke oevers van de beken. Ook Strijp en Leende. De vestiging van nederzettingen op de rand van de beekdalen stond behalve met de grondkwaliteit in verband met het bij de hand hebben van water en van zowel drogere als vochthoudende gronden, waardoor de verbouw van verschillende gewassen en ook de winning van gras mogelijk werd in de naaste omgeving van de nederzetting.

Om bovenstaande theorie te bewijzen werden in samenwerking met de Geologische Dienst in 1973 vanaf Boschhoven tot in het Molenschut een reeks boringen gedaan tot op ca. 2.50 m diepte. Inderdaad blijkt het oude oppervlak bij Boschhoven en Oosterik onder het opgebrachte plaggendek leemhoudend en dus iets vochthoudender en vruchtbaarder te zijn en liggen dan ook daar de oude nederzettingen, terwijl de wat grovere zanden aan de overkant van de Aa onbewoond en lange tijd 'woest' bleven. Bij Strijp is in de blootgelegde steile kanten van het Gat van Winters hetzelfde te zien; ook daar is onder het plaggendek van de oudste cultuurgronden de grond leemhoudend.

In de Tabel van Klassificatie der Grond-eigen≠dommen (1832), waarin de gronden in verband met de grondbelasting in kwaliteitsklassen worden ingedeeld, wordt de eerste klasse bouwland (de beste gronden, hoogste belasting) als volgt beschreven: "De gronden tot deze klasse behoorende worden met uitzondering van een enkel perceel gevonden ter plaatse genaamd Oosterik, bestaat in een zwart grijzen zandgrond gunstig gelegen, met een doorzijgend zandbed, hebbende de bovengrond eene diepte van 25 ŗ 30 duim, zijnde geschikt tot het teelen van winter en zomer vruchten, zijnde de bunder waardig geschat f 25.00."

De oudste bewoners van Leende zijn waarschijnlijk rendierjagers geweest. * Zij leefden aan het einde van de laatste ijstijd in een ijl begroeid toendra≠landschap. De cultuurperiode waarin zij leefden noemen we de Oude Steentijd (of Jong-Palaeoli≠thicum, 12.000-9.000 vX). Het waren zwervers die alleen in de winter hier woonden in tenten van rendierhuiden. In de zomer trokken zij de rendier≠kudden achterna tot aan de rand van de ijskap, die zich in die tijd uitstrekte tot bij het huidige Ahrens≠burg ten NO van Hamburg. Tot de zgn Ahrensburg≠kultuur (ca 9.000 vX) worden ook de rendierjagers gerekend die bekend zijn door de vele tekeningen en gravures die ze in grotten in Frankrijk (o.a. Lascaux) en Spanje (o.a. Altamira) hebben nagelaten. In 1961 werd in Geldrop nabij de Aalsterhut een rendier≠jagerskamp opgegraven, waarbij twee bijzondere.  In 1973 werd door H. Cuenen een stenen pijlpunt, een zgn teelspits gevonden, die de aanwezigheid van rendierjagers van de Ahrensburgkultuur in Leende verraadt. Wat ouder is de Tjongerkultuur (ca 10.000 vX), genoemd naar het Friese riviertje de Tjonger, waarlangs veel vondsten van deze cultuur werden ontdekt. De vondsten uit die tijd zijn merendeels spitse stenen pijlpunten en stenen krabbers. De Tjongermensen leefden in een wat gunstiger klimaat (meer begroeiing) langs meren en rivieren. Waarschijnlijk bestond men vooral van jacht en visvangst. Ze zwierven wel, doch minder ver dan de 'Ahrensburgers'. Vondsten uit de Tjongerkultuur werden o.a. door Piet Derks gedaan ten N en ten Z van het Soeriks Goor en in onze gemeente nabij de Goorsche Putten en de Klotvennen

Uit de Middensteentijd (Mesolithicum, 8.500 - 4.400 vX) zijn de vondsten in Leende talrijker. Het klimaat was al veel gunstiger; er groeiden hier dennen- en berkenbossen en op het laatst ook eiken en elzen. De mensen zwierven nog wel, maar over geringere afstanden. Ze leefden vooral van jacht en visserij en van in het wild groeiende planten en vruchten. De vondsten zijn meestal kleine stenen werktuigen (mikrolithen). Ze werden o.a. vervaardigd uit kwartsiet, afkomstig van Wommersom bij Brussel, hetgeen duidt op handel in gereedschap≠pen of in grondstoffen daarvoor. In '72 en '73 is op het perceel van Noud van Weert, Den Krommen Dissel aan Den Ouden Dijk en de Kleine Aa, wel  'nen hillen buujl vol' mesolithisch materiaal  gevonden: veel afslag en een aantal schrabbers.

Pas in de Jonge Steentijd (Neolithicum, hier ca 4.400 - 1.700 vX) gaan de mensen in vaste neder≠zettingen wonen. Door de vrij plotseling opkomende landbouw en veehouderij en de daarmee gepaard gaande veranderingen in het levenspatroon spreekt men van de 'neolithische revolutie'. De nieuwe cultuur werd door immigranten geÔntroduceerd. De oudste sporen in onze streken werden gevonden in de lŲssgebieden van Zuid-Limburg en Midden≠BelgiŽ. De vondsten bestaan uit vrij grote meestal gepolijste stenen bijlen (kappen van bos) en andere gebruiksvoorwerpen en gereedschappen, die een agrarisch bestaan verraden: stenen kouterpunten van houten ploegen, stenen beitels, hakken en houwelen, schrabbers, gebakken vaatwerk. Ook de jacht was nog van betekenis (stenen pijlpunten). De stenen gereedschappen werden vooral gemaakt van silex (vuursteen), dat in mergelafzettingen wordt gevonden. Bekende neolithische vuursteenmijnen zijn ontdekt bij St. Geertruid (Zuid-Limburg) en Spiennes (BelgiŽ). In de buurt van deze mijnen ontstonden belangrijke vuursteenindustrieŽn' (ateliers). De voorbewerkte silex'knollen' werden ver≠handeld; in de winter maakten de boeren daarvan allerlei gereedschappen. De doden werden begraven onder vrij hoge aarden heuvels (grafheuvels). Tegen het eind van het Neolithicum ontstaan de eerste (nog kleine) heidevelden.

In Leende is vrij veel Neolithisch materiaal gevonden. ń. Wouters vermeldt (Brabants Heem 1956) de vondst van een gepolijste beitel (20) tussen Leende en Valkenswaard, en een aantal aardewerk≠scherven (21). Het silexmateriaal van de beitel is bijna zeker afkomstig van de ateliers van Spiennes. De in kerfspateltechniek aangebrachte versiering op een der scherven verraadt de aanwezigheid van de Veluwebekerkultuur (ca 1.700 vX). Piet Derks vond in '72 een gepolijste vuurstenen bijl ) nabij de Renhoeve. G. Fonteyn vond in '73 in het Leenderbos een driehoekige vuurstenen pijlpunt . Bij de bebossing tewerkgestelde Helmonders vonden in augustus 1933 een stenen beitel en een urn (24) in de Leenderheide. Enkele honderden meters ten NW van het Klokkeven vond G. Beex een dolkfragment van honingkleurige vuursteen, afkomstig uit de silexmijn van Grand-Pressigny (Fr.). Ca 50 m ten N van deze vindplaats werd ook nog een kernstuk van grijze silex gevonden. Ir. W.H. Kam (Mierlo-Hout) beschrijft (Brabants Heem 1951) 4 stenen bijlen, gevonden in de heide tussen Leende en Valkenswaard. Een ervan is een smalle bijl van 10 cm lang, alleen aan de sneekant gepolijst. De drie andere van resp. 12, 13 en 12 cm lang zijn geheel gepolijste bijlen met een brede snede. In de buurt van een der bijlen werden ook gevonden een doorboorde hak, maalstenen, werktuigen, enz. In het kasteelmuseum van Helmond bevinden zich enkele vuurstenen gereedschappen, afkomstig van Leende en in de dertiger jaren gevonden vermoedelijk door dezelfde Ir. Kam: een 11 cm lang mes en twee bijlen val) resp. 14 en 16 cm lang. Dokter Wiegersma uit Deurne zond in 1933 een collectie stenen werktuigen, 'afkomstig uit de heide te Leende', naar het Rijksmuseum voor Oudheidkunde te Leiden. In datzelfde jaar waarschuwde houtvester Winkel man 'Leiden' betreffende vondsten van urnen en vuurstenen in de heide te Leende. Over deze vondsten is niets naders bekend.

In de Bronstijd (1.700-650 vX) zijn de levensgewoonten niet veel veranderd. De landbouwende bevolking nam toe en onder invloed daarvan breidde de oppervlakte heide zich uit; wellicht kwam toen de schapenteelt op gang. Gereedschappen en sieraden werden gemaakt van brons; er was een uitgebreide handel in bronzen en barnstenen voorwerpen. De doden werden aanvankelijk nog begraven in boomkisten onder grafheuvels, die nu uit heideplaggen werden opgebouwd. Men gaat echter in het begin van de Bronstijd ook al over tot het verbranden van doden. De beenderresten werden in kleine kisten en wat later in urnen onder grafheuvels bijgezet, maar soms werden as en beenderresten gewoon in een kuiltje verzameld. Beex acht de grafheuvel bij Kattenput  mogelijk een Bronstijdheuvel. P.N. Panken (Bergeyk)vermeldt zijn onderzoek van een grafheuvel ten NO van de Galberg. In een brief van 2.11.1847 schrijft Panken over een grote groep grafheuvels in de heide tussen Westerhoven en Soerendonk onder Leende 'alwaar een kattendans is'. Deze heuvels zijn nooit onderzocht. Volgens Pan ken waren er ook veel graf≠hoogten in de heide langs de weg van Valkenswaard naar Leende; H.J. de Haan, opzichter bij de bebossing, deelde aan Beex mee dat in die buurt ook urnen zijn aangetroffen, maar deze zijn 'gewoon' kapotgespaaid. Wouters (Brabants Heem 1956) maakt nog melding van een gepatineerd bronzen dolkje met overlangse rib, een klein bronzen randbijltje en aardewerkfragmenten van zgn Drakenstein-urnen uit de Midden-Bronstijd . Het dolkje, het randbijltje en enkele andere vondsten zijn nog in bewaring bij mevrouw van de Lokkant, Valkenswaardse weg.

In de IJzertijd of Urnenveldenperiode (600 - 50 vX) gaat men over tot het maken van ijzeren voorwerpen. De doden worden verbrand; de crematieresten worden bewaard in urnen die met vele bijeen in lage en tegenwoordig meestal verder afgeplatte heuvel reeksen worden bijgezet; dit gebruik begint al in de Late Bronstijd. De bevolking is sterk uitgebreid; het aantal bekende urnenvelden in onze streken is vrij groot. De landbouw werd steeds belangrijker. Bekend zijn de zgn hoogakkers op lagere gronden, smalle langgerekte bedden met boloppervlak, begrensd door greppels, en de zgn honingraatakkers op hogere gronden. In de omgeving van de Hasselsvennen zouden op lucht≠foto's van deze honingraatakkers zijn te onder≠kennen (J.M.B. v.d. Poel). Het honingraatpatroon ontstond door lage walletjes om kleine vierkante akkerperceeltjes, die in vrij grote complexen bijeen lagen. Nabij Valkenhorst zouden 4 urnen, 2 handmolen≠stenen en een knophamerbijl van diabaas gevonden zijn. De bijl moet worden gerekend tot de Jonge Steentijd. Uit het begin van de IJzertijd (Laat≠Hallstatt) stamt de urn (37), die A. Wouters maakte van in de Leenderheide gevonden aardewerk≠scherven (Brabants Heem 1956). Ten W van het Klokkeven zou een urnenveld (38) liggen (mededeling H.J. de Haan aan G. Beex). Er zijn geruchten over potscherven die bij landbouwwerkzaamheden op Den Tuint zijn aangetroffen. In een laagte bij de Sint-Janskapel zijn door Beex crematieresten gevonden.

De Romeinse Periode (50 vX - ca 250) heeft in Leende belangrijke sporen achtergelaten. De Romeinse beÔnvloeding is zelfs vandaag nog in het landschap te herkennen. In de vorige eeuw zijn in de tuin van de Achelse Kluis op Leends gebied een aantal Romeinse voorwerpen (ringen, spelden en dergelijke) gevonden ; enkele ervan worden nog op de Kluis bewaard. Een in 1919 gevonden schat van 44 Romeinse munten heeft een tijdlang abusievelijk vermeld gestaan voor Leenderstrijp; de schat werd echter in Strijp bij Eindhoven gevonden. Uit oude literatuur weten we dat in de vorige eeuw in Leende (wŠŠr precies is niet bekend) munten zijn gevonden van o.a. Augustus, Claudius en Nero (42). W. Knippenberg veronderstelt heel voorzichtig een secundaire Romeinse weg Keersop-LeenderStrijp≠ Nederweert-Roermond; deze weg zou een vervolg zijn van de weg Geertruidenberg-Knegsel. volgens Beex is het zeker dat de Romeinen in onze streken met uitzondering van de weg langs de Maas geen wegen hebben aangelegd; zij hebben gebruik gemaakt van al bestaande prehistorische wegen. Belangrijke aanwijzingen voor Romeinse bewoning van langere duur werden gevonden door bestudering van de oudste kadastrale kaart (1832) van Leende. Veel perceelgrenzen en wegjes blijken precies samen te vallen met maatstelsel en patroon van het systeem van landmeting dat bij de Romeinen gebruikelijk was. Zo vonden we in de akkers van Leende en Strijp vrij veel sporen van een zgn Romeinse kwadrangulatie (vierhoeksmeting), bestaande uit decimaal en volgens een nauwkeurig vierkantpatroon ingedeelde complexen. Eerder werden dergelijke kwadrangulaties gevonden bij Tongeren (Ulrix), in Zuid-Limburg (Edelman en Eeuwens) en in Waalre (Kakebeeke), terwijl Huisman ze veronderstelt tussen Westerhoven en Riethoven en bij Stratum, Aalst, Geldrop, Heeze, Leende en Valkenswaard.

Het uitzetten van deze complexen had geen militaire doch een agrarische betekenis. Tenzij topografische omstandigheden dat beletten werd de voornaamste as van een kwadrangulatie ongeveer Noord-Oost gericht naar de plaats waar op mid≠zomerdag de zon opkomt. Deze as heet decumanus maximus. Loodrecht hierop werd de cardomaximus uitgezet. Langs de assen werden met een ketting stukken ter lengte van een actus (= 12 roeden = 120 Romeinse voet = 35.35m) afgemeten. Meestal was een basisvierkant 20 actus lang en 20 actus breed (707 x 707 m); 4 vierkante actus vormden een heredium. Een basisvierkant bestond dus uit 100 (centum) herediae van elk bijna een halve hektare. De indeling in 100 herediae was ook in ItaliŽ gebruikelijk. Hier echter deelde men een vierkant van 707 x 707 m of bijna 50 ha meestal in drieŽn. Op ťťn basisvierkant konden zo drie bedrijven van elk ruim 16 ha worden gevestigd. Ook nog in de middeleeuwen was 16 ha de normale eenheidsmaat voor een levensvatbaar boerenbedrijf of hoba (= hoeve). De grenzen werden uitgedrukt in grondstroken, voor de buitenomgrenzing en voor de hoofdlijnen om de 10 actus (Iimites maximi) ter breedte van 20 of 40 voet (ca 6 of ca 12 m), voor de ondergeschikte perceelgrenzen (Iimites quintari) ter breedte van 12 of 8 voet (ca 3.50 of ca 2.70 m). Deze stroken werden afgebakend door slootjes en I of heggen en waren als wegen en paden in gebruik. Het begin van een meting kan een godsdienstig centrum zijn. De Romeinse meetsporen zouden door vondsten uit de Romeinse tijd moeten worden bevestigd. Maar de akkers zijn sinds de Romeinen met een dikke laag zwarte grond (plaggendek) afgedekt als gevolg van de mestbereiding in potstallen die met plaggen en aarde werden gestrooid (in volgende hoofdstukken meer hierover). Eventuele Romeinse archeologica op het oude oppervlak liggen dus veilig opgeborgen; ze kunnen pas te voorschijn komen bij diepere grondwerkzaamheden.

Wel zijn twee oude putten opgegraven. In sept. 1972 werd op Boschhoven bij rioleringswerkzaamheden een houten put ontdekt, gemaakt van uitgeholde segmenten van een uitzonderlijk dikke eik van ongeveer anderhalve meter doorsnede . In jan. 1974 werd op het Eindje in Strijp nog zo'n put gevonden bij grondwerkzaamheden voor het nieuwe huis van Jos Cardinaal . Het is niet zeker dat deze putten Romeins zijn. We houden het er voorlopig op dat ze Merovingisch of vroeg-middeleeuws zijn, heel wat jonger dus, maar toch oud genoeg om een oude cultuur te verraden. De put van Boschhoven ligt naast hoofdas DIV, de put van 't Eindje ligt bij de kruising DII/CIII.

Een strikte bewijsvoering kan dus nog niet worden geleverd. Daarvoor zouden veel vondsten uit de Romeinse tijd gedaan moeten worden. Wel kunnen bepaalde oude veldnamen in of bij de kwadrangulatie dienen als belangrijke aanwijzingen. In het complex ligt een Frankenberg. Vlakbij de kwadrangulatie ligt een Jansborg (borg = versterkte hoeve?). Er zijn een aantal oude hoeve-namen, die uit het Merovingisch tijdvak stammen: het kompleks De Hoeven, de Renhoeve of Renhof in de Renhoek, Boschhoven en de Eikhoeve. Zowel Lijkstraat, Kattestraat als Hoogstraat zijn toponiemen die op zeer oude wegen wijzen. De ligging van de Hoogstraat is niet bekend; wel weten we dat deze straat ergens op of bij Oosterik lag. Ook de Zaalstraat op Strijp versterkt een en ander; zaal- betekent sala, een Frankisch domein of een uithoeve daarvan. Heer- in Heerstraat kan duiden op herengoed en op leger. Hoogeind of d'Hoogeen en Hoge Weg geven iets voornaams aan, een herengoed of domein. De naam Nieuwland voor akkers in Strijp wijst er op dat dit kompleks aanvankelijk nog niet was ingedeeld; het valt inderdaad buiten de kwadrangulatie. Groote Speel en Kleine Speel, akkerkompleksen bij Boschhoven en Oosterik liggen vermoedelijk in een iets afwijkend gerichte en nog niet onderzochte kwadraatmeting die ver doorloopt op Heezers gebied. De aanduiding speel kan het verband aangeven met een vroegere maal of gerechtsplaats. Mogen we verband zien tussen de Romeinse zonnekultus en de nog bestaande Sintjansviering op midzomerdag? Onze Sintjanskapel ligt vlakbij de kwadrangulatie. Ook in Ruimei onder St. Michiels≠gestel, een bekend Romeins centrum, is een Kapelberg waar in 1389 al een Capella St. Joannis was. Het aantal aanwijzingen is zo groot, dat nauwelijks meer van toeval kan worden gesproken; het bestaan van een Romeinse kwadrangulatie in Leende hoeft niet te worden betwijfeld.

De kwadrangulatie is aan de beekzijde vager door meandering van de beken en door de aanleg van velden en beemden sinds de 12e eeuw. Aan de heizijde in NWrichting is het systeem verdwenen onder invloed van stuifzand. Onder het stuifzand van de Molenheide zijn door ons in 1973 inderdaad oude akkergronden gevonden;  Het kan zijn dat enkele kampen in het stuifzand ten W van de Laang Akkers in de kwadrangulatie passen; dit kon niet worden onderzocht daar het betreffende kadastrale blad van 1832 ontbreekt.

In de periode tussen de wanordelijke 3e eeuwen de definitieve vestiging van de Merovingers eind 6e eeuw had een belangrijke uitdunning van de bevolking plaats. Verlaten cultuurgronden raakten begroeid met bos. Vondsten uit die tijd ontbreken in ons gebied. De nieuwe kolonisten moeten de verlaten akkersystemen uit de Romeinse tijd herkend hebben, want ze zijn op veel plaatsen, waar ze nu nog zijn aan te tonen, opnieuw in kultuur genomen. De vraag is hoe de nieuwe bewoners in de 6e en 7e eeuw de oude akkers hebben kunnen terug≠vinden. Ze zullen ruÔnes en putten hebben herkend, mogelijk ook wallen. Er zullen hier en daar misschien kleine kernen bewoond zijn gebleven. En zeker ook zal de afwijkende bosvegetatie verlaten akkers verraden hebben; we moeten bedenken dat men in die tijd een zeer goed oog had voor verschillen in vegetaties en voor het verband tussen vegetatie en grondkwaliteit. Belangrijke aanwijzingen voor verlaten kultuurgronden zullen de wegen en paden op de hoofdassen in de kwadrangulatie zijn geweest. De bovenlaag van deze wegen is door het gebruik verdicht, de akkers hadden een lossere bodem. De vegetatieontwik≠keling is op de oude wegen anders verlopen dan op de oude akkers. Er zijn nu twee mogelijkheden. De nieuwe kolonisten kunnen de oude akkers hebben herkend als open savanne-achtige natuurweiden, waarop grote herkauwers graasden: eland, edelhert, ree, oerrund en ontsnapt verwilderd rundvee. Als deze niet in staat zijn geweest de vroegere akkers en weiden open te houden heeft het bos zijn rechten op het hele gebied hernomen. In zijn artikel in Brabants Heem 1968 blz 67 heeft Willem aangetoond dat in dat geval de oude wegen herkenbaar zijn geweest als 'tunnels' in het bos.

In Leende zijn maar weinig vondsten uit de Merovingische periode (ca 550 - 750) gedaan. De Merovingische vondsten in Brabant zullen voor het merendeel 7e-eeuws zijn. Begraving was bij de Merovingers regel, maar de graven zijn meestal diep ingegraven en worden alleen bij ingrijpende grondwerkzaamheden ontdekt. Ook lijkverbranding kwam bij de Merovingers voor; de krematieresten werden in ondiepe (50 cm) kuilen bijgezet.

Van de twee gevonden houten putten nemen we voorlopig aan dat ze Merovingisch zijn. In het stuifzand ten N van de Heerstraat is vůůr 1940 Merovingisch materiaal gevonden dat in bezit is van de heer Bouts, onderwijzer te Eli (L.); waarschijnlijk ligt op de vindplaats een grafveld. Voor de ontwikkeling van dorpen en van patronen en cultuursystemen in ons landschap in en na de Merovingische tijd moeten we wegens plaatsgebrek verwijzen naar andere publicaties. De uitgave van Brabants Heem 'De Acht Zaligheden' (Mandos en Kakebeeke) bevat ook voor de nederzettings≠geschiedenis van Leende voldoende algemene informatie. Over de ouderdom van het huidige Leende is niet veel te zeggen. De Romeinse en de Merovingische geschiedenis hebben een en ander zeker beÔnvloed. Mogelijk zijn zowel de Sintjanskapel als de kerk gebouwd op of nabij Romeinse heiligdommen.

Volgens de overlevering zou Boschhoven het oudst ,zijn en zou de Kievitenbult de eerst bewoonde plek zijn. Oosterik kan dan een jongere uitbreiding zijn ten oosten van de oudere kern Boschhoven. Uit toponiemen en uit de structuur is te concluderen dat ook Strijp en de Renhoek al zeer oud zijn, misschien wel even oud of ouder dan Boschhoven. De gevonden kwadrangulatie wijst er op dat Strijp, Renhoek, Broekerheuvel, Leenderstraat, Boschhoven en Oosterik ongeveer even oud zijn. Geschreven stukken, die de ouderdom kunnen aangeven, ontbreken. Voor de geschiedenis van Leende uit de geschreven bronnen verwijzen we naar de uitgave van de Stichting Torenfeesten 'Dyt Gheyt aen der kyrcken van Leendt'.

Tenslotte nog iets over enkele diersoorten die in vroeger tijden in onze streken voorkwamen.

Uit bodemvondsten weten we, dat lang geleden hier grote zoogdiersoorten leefden: een groot soort olifant, reuzenhert, rendier, holenbeer, wolharige neushoorn, mammoet en steppenwisent. Enkele duizenden jaren geleden leefden hier nog het oer≠rund en de eland. Ook edelhert en wild zwijn kwamen toen al voor.

Edelhert en wild zwijn worden nog genoemd in de Salische Wetten (6e - 8e eeuw) van de Franken. In het 'Placcaet op 't Stuck van de Jacht in de Baronnie ende Lande van Cranendoncq I Heerleykheyt Eynd≠hoven I Dorpen Woensel/ Buydel/ Soerendonckl Maerhese/Strijp/Stratum ende Gestel' (1680) verbiedt Willem Hendrik, Prince van Orange ende van Nassau en Baron van o.a. Cranendoncq, aan ieder,een 'van wat staet en qualiteyt hy sy' het jagen op 'eenigh grof Wildt, root of zwart'. Zowel edelherten als wilde zwijnen kwamen dus toen hier ook nog voor. Het uitgebreide plakkaat stelde zeer strenge regels en vorderde strenge boeten op overtredingen om te voorkomen 'geheel verderf ende vernietiginghe van de voorschreven Jacht/Weyerije ende Visscherije ende daerom ten hoogste nodigh is daer innen tydelyck te voorsien'. Het is bekend dat in de 16e en 17e eeuw buitenlandse edelherten en misschien ook wel damherten werden uitgezet, waarschijnlijk alleen in omheinde waranden. Tot in het begin van de 1ge eeuw werd er heel sporadisch nog wel eens een edelhert in het vrije veld waargenomen, maar dit betrof haast zeker verdwenen eksemplaren uit echte edelhertgebieden als Gelder≠land, Rijnland en de grote Belgische wouden.

Sinds 1826 was het wild ZWijn zelfs op de Veluwe afwezig tot Prins Hendrik in 1907 daar weer een aantal zwijnen binnen het raster uitzette. Tijdens de laatste jaren van Wereldoorlog 11 kwamen ook hier weer wilde zwijnen. Vooral het Ardennen-offensief heeft zwijnen uit de Ardennen verdreven, waarvan er enkele zich probeerden te vestigen in onze jonge dennebossen. In 1945 werd tussen Heeze en Someren geregeld een roedel van ca 30 wilde varkens gezien; hierbij was een zeug met 6 biggen. Eind 1954 werden in Leende nog wilde zwijnen gespeurd. In de zomer van '63 zwierf een zwijn onder Mierio, Someren en Maarheeze. Het wilde zwijn dat vanaf juli '64 in de Strabrechtse Heide werd waargenomen werd op 17.1.1966 onder Mierio geschoten. In 1964 werd in het Leenderbos nog een wild zwijn geschoten. Nadien is in Leende niets meer over wilde zwijnen vernomen.

Ook reeŽn kwamen in de vorige eeuw hier niet voor. Van het voorkomen van reeŽn is alleen iets bekend uit de opsommingen van jachtbuit van de hertogen in de 16e - 18e eeuw. Met de toename van de bosop≠pervlakte in deze eeuw kwamen ook de reeŽn langzaam terug, maar vůůr 1950 waren ze beslist  nog zeldzaam. ReeŽn, bewoners van parkland≠schappen met bossen, bosjes, wallen en singels, ťn open terrein, hebben zich de laatste twintig jaar goed weten aan te passen aan de toenemende onrust in het landelijk gebied. Met maar weinig moeite kunnen we nu dagelijks reeŽn in Leende waarnemen. De stand voor Leende wordt geschat op minstens enkele tientallen; ze houden zich vooral op in de beekdalen.

In de vorige eeuw waren boommarter en steenmarter hier zeldzaam; het is de vraag of de boommarter wel voorkwam. Als het Leenderbos ouder wordt en meer een loofbos zou worden, zal de boommarter zich er zeker kunnen vestigen. Er leeft een kleine boommarterpopulatie in het gebied Maarheeze ≠Budel Weert. In het algemeen was de das in de vorige eeuw in onze streken zeldzaam, maar gegevens voor Leende ontbreken geheel. Deze soort en ook andere marterachtigen komen hier zeker al lange tijd niet meer voor.

De eekhoorn was in de vorige eeuw hier nauwelijks bekend. Met het opgroeien van de nieuwe dennenbebossingen nam het aantal eekhoorns sterk toe. Na een inzinking (ziekte?) in de zestiger jaren zijn de eekhoorntjes nu weer zeer algemeen.

De vos werd altijd als schadelijk dier beschouwd. Vanaf 1954 (invoering premiestelsel) worden in verband met de hondsdolheid de vossen strenger vervolgd. Door het hier uitroeien van vossen kunnen echter juist met hondsdolheid besmette dieren van elders naar hier migreren, terwijl ook in verband met de veel te hoge stand van het konijn in de laatste jaren het bestrijden van vossen een domme maatregel is.

De wolf kwam in het begin van de 18e eeuw nog algemeen voor. In 1759 waren in de Meierij nog wolven 'in een ontzachlijk getal en bij ganse troepen van zeven of acht tegelijk'. De vermelding van getoonde wolven in oude schepenattesten van allerlei Meiťrijse dorpen geven geen juist beeld van de aantallen. Men hoefde een geschoten wolf slechts aan de schepenen te tonen om een premie in ontvangst te kunnen nemen; het lijk mocht men weer meenemen, waardoor het in een ander dorp ook weer getoond kon worden. Op 23.7.1780 werden door Peter Gerrit Maas en zijn jongere halfbroer Lambert Gerrit in Leende twee jonge wolven 'wezende buiten het nest' gevangen en dood geslagen. Twee dagen later schoten baron Reinout Diederik van Tuyll van Serooskerken en Frans G. van Mansvelt een oude wolvin. Op 17.11.1780 schoot de duitser Bernard Giller, jager van de Heer van Heeze, te Leende nog een wolvin. Volgens de overlevering had eind 18e eeuw een zekere Sprengers, die woonde aan de Molenstraat (nu Valkenswaardse weg), een jonge wolf levend gevangen en aan een ketting op stal vastgelegd. De oude wolvin werd 's nachts huilend rond deze stal gehoord. Deze wolvin is later door zekere van Velt hoven aangeschoten en door de scheper Adriaan Bleys doodgeslagen. De dode wolvin werd in 40 dorpen in de omgeving voor het innen van wolvenpremies aan de schepenen getoond. De laatste wolven zijn in deze streken uitgeroeid bij grote wolvenklopjachten. Op 14.7.1804 werd een jacht te Someren georganiseerd. Op 15.9.1804 werd op last van de schouten van Budel, Someren en Asten nog eens een wolvenklopjacht gehouden 'uijt hoofde de voorige niet in behoorlijke ordre is geschied'; hieraan namen 1435 mannen deel, waarbij 70 man uit Leende. In 1814 werd in Eindhoven nog een wolven≠klopjacht georganiseerd.

Het wilde konijn was in Spanje en Zuid-Frankrijk aan het eind van de ijstijden al zeer algemeen. Dit blijkt uit opgravingen in grotten bij Gibraltar en in de Dordogne. Er wordt wel aangenomen dat de Romeinen het konijn in onze streken hebben ingevoerd, maar dit is niet bewezen. Pas in de 13e eeuw komen er berichten (o.a. uit rekeningen van feestmaaltijden) over konijnen in de Nederlanden. Konijnen werden wel uitgezet in konijnenwaranden (omheinde jachtvelden). In de 16e eeuw werden nog konijnen uit Zeeland (Schouwen) in Brabant ingevoerd (bloedverversing?). In oudere contracten van deze eeuw betreffende de jacht op staats≠gronden verplicht de jachthuurder zijn algehele medewerking te verlenen aan de totale uitroeiing van het konijn. De myxomatose, een besmettelijke konijnenziekte die door muggen (die zelfs in konijneholen overwinteren) wordt overgebracht, werd in ons land het eerst geconstateerd in 1953. Men vreesde het totale verdwijnen van de konijnen, wat o.a. grote gevolgen zou hebben voor fraaie duinvegetaties (die door konijnen worden kort gehouden) en voor de hier broedende en overwinterende roofvogels, waar≠voor het konijn een belangrijk prooidier is. Die vrees is ongegrond gebleken. In bepaalde gebieden (Handel-Gemert-Bakel-De Rips en Leende-Soeren≠donk-Gastel-Budel) blijken de vroeger herhaaldelijk uitbrekende myxomatose-epidemieŽn steeds minder slachtoffers te maken. Er is nu beslist sprake van een teveel aan konijnen, die grote schade doen aan de landbouw, maar ook aan natuurgebieden: de heide wordt ondergraven en het verjongen van heide door maaien en afbranden wordt sterk bemoeilijkt. In het plakkaat van 1680 worden o.a. genoemd 'Berckhoenderen' (korhoenders), die samen met 'Patrijsen ende dier ghelijcke Gevogelte door Onsen expressen last aldaer begonst te queecken'. Het korhoen kwam dus al voor. Het 'Corhoen' wordt ook in een ordonnantie van 1656 van de Raad van State genoemd. Maar in de 18e en het grootste deel van de 1ge eeuw waren hier nauwelijks korhoenders. Sinds het eind van de 1ge eeuw kwamen de korren terug als gevolg van de afname van het aantal schapen (ruigere heide, betere roestplaatsen) en de toename van de oppervlakte jonge bebossingen en heideontg i nni ngen (voedsel).

Ook 'Quartels' en 'Edele Vogelen' Valcken, Tierrolen (wielewalen), Sperwaerts (sperwers), Havicken, Blaten (Lannervalken) ender diergelijcke' worden in het plakkaat van 1680 genoemd.

De raaf kwam in 1908 nog voor in alle provincies, maar broedde 'slechts hier en daar in enkele paren, het meest waar hoge boomen staan in de nabijheid van heidevelden' (Snouckaert). Rond 1914 -'18 broedden er nog raven in het kasteel bos van Heeze en in 1920 waren ze nog op Cranendonck, maar de soort verdween toch kort daarna volledig uit ons land, duidelijk als gevolg van het verdwijnen van heiden en schaapskudden.

De zwarte specht werd pas in 1915 begroet als nieuwe broedvogel voor Nederland; als gevolg van de toename van de bosoppervlakte heeft de soort zich nadien uitgebreid.

Kraanvogels kwamen vroeger in veel talrijker troepen over. Oudere Leendenaren vertellen dat in hun jeugd gedurende de kranenzomer wel veertien dagen lang tot 'tien trekken kranen per dag' konden overkomen.



   naar het begin


einde