Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Landwegen
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


De landwegjes, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "pejkes en wejskes";  over de landwegen


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder  (
zie ook het gedicht "witte nog")


De landwegjes, zandwegen enz.

Oude wegen zijn ontstaan; ze 'groeiden', werden langer, soms breder, ze verplaatsten zich als het oude spoor te mul of te modderig werd. Het waren eigenlijk f1eksibele 'routes' in tegenstelling tot de vaste banen die we tegenwoordig al te veel hebben. Het woord weg komt van bewegen (voortgaan); vgl ons woord wagen, de engelse woorden way en wagon, en voie en voiture in 't frans. Nieuwe wegen worden gemaakt, altijd met hard dicht materiaal, meestal asfalt op een zgn slakkenbed, soms nog beton rechtstreeks op een zand bed. Nieuwe wegen volgen in planologisch overleg vastgestelde ≠meestal rechte tracťs. Oude wegen voegden zich in het landschap; hun meestal bochtige verloop werd bepaald door hoge zandruggen, voorden in beken en rivieren en door de ligging van beken, moerassen, meren en venen.

Veel oude wegen werden verbeterd. Men bracht een zanddek aan of een grindlaag op leem. Oude bestratingen werden uitgevoerd in klinkers (harde gebakken stenen) of keien (harde uit natuursteen gehouwen stenen of in het veld gevonden keien). In 1814 waren er in Nederland nog geen 500 km verharde straatweg. De oudste verhardingen in Brabant dateren meestal pas uit het midden van de vorige eeuw. Honderd jaar geleden (in 1874) had Noord-Brabant 1615 km 'kunstwegen': 259 km in beheer bij het rijk, 771 km bij de provincie, 397 km bij gemeenten, 153 km bij polderbesturen en 35 km bij partikulieren. In totaal was dit een weglengte van 290 uren gaans, zoals men dat toen uitdrukte. De oudste harde wegen volgden meestal nog de tracťs van oudere zachte wegen, vooral in en bij de dorpen. De oudste doorgaande harde weg door Leende is de oude rijksweg (nu provinciale weg) van Eindhoven over Geldrop, Heeze, Leende en Maarheeze naar Weert, die in 1855 deels in klinkers deels in grind werd aangelegd, bij ons helemaal over bestaande wegen: Langstraat, Oosterikkerstraat, Dorpsstraat en Maarheezerdijk. Waar mogelijk werden overal langs deze weg eikebomen geplant, vooral buiten de dorpskernen. De bestaande tollen bleven gehandhaafd. Het tolhuis op de Ven werd enkele jaren geleden afgebroken; het tolhuis op Zevenhuizen wordt bewoond door mevr. A. de Win≠Heynen. De tolrechten werden vroeger verpacht. In 1873 kwam de nieuwe weg van Leende over Valkenswaard, Dommelen en Westerhoven naar Bergeyk en Lommel gereed. Bij ons loopt deze weg over de vroegere Molenstraat van de kerk naar de Heimolen. Vanaf de molen werd de weg als kaarsrechte baan door de Leenderheide aangelegd tot bij het Echelven voorbij de Tongelreep, waar de nieuwe weg het tracee van de al eerder als zandbaan aangelegde postweg (de Heezerdijk) ging volgen. Deze weg werd verhard met grind.

De harde weg van de Dorpsstraat over de Klein Kerk naar Strijp werd pas na lang zaniken door de Strijpenaren in 1926 gemaakt van nogal slechte klinkers. De Strijpenaren moesten daarvoor hun gemeenschappelijk eigendom, het cijnsgoed de Strijper Heg, aan de gemeente afstaan. Langs deze nieuwe weg werden aan weerszijden notenbomen geplant.

Per jaar verliezen we de laatste tijd in Nederland ca 1000 km landwegjes door verharding of door omzetting in cultuurgrond in ruilverkavelingen. Uit de Plattelandswegennota (1969) van de Centrale Cultuurtechnische Commissie blijkt dat men in 1969 het nodig achtte nog ca. 23000 km onverharde of slecht verharde zgn landbouwwegen te asfalteren en nog 9000 km reeds verharde landbouwwegjes te verbreden. Voor Brabant werd toen nodig gevonden het agrarisch wegennet met nog 3200 km harde wegen uit te breiden. Dit is allemaal zeer te betreuren.

Want de eenvoudige onverharde landwegjes door akkers, weiden en hooilanden, vroeger niet meer dan grazige karresporen of hardgetreden akkerpaajkes, hebben ook nu nog een grote landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde. Op veel plaatsen zijn onze wegjes nog overweldigend rijk begroeid met houtsoorten en vele tientallen soorten kostbare bermplanten. De wegjes zijn kleinschalig; elke volgende meter is anders. Oude wegjes hebben een zgn fijnkorrelige structuur; dit is een ecologische term die aangeeft dat het milieu op korte afstanden verschillen vertoont. Fijnkorrelig opgebouwde terreinen zijn altijd rijker aan soorten en hebben een hogere inwendige stabiliteit dan zgn grofkorrelige gebieden als bijv ontginningen, herverkavelde en ontwaterde landbouwgebieden, rijkswegen, moderne woonwijken en industrieterreinen. In grofkorrelige gebieden moet je veel langer zoeken naar iets nieuws, ze zijn egaler van opbouw, voldoen aan de levensvoorwaarden voor maar weinig soorten, en dat op natte wegen worden veel vieze en gevaarlijke stoffen over grote afstanden door het verkeer versproeid loodconcentraties in planten zijn giftig voor planten≠etende dieren en misschien voor de planten zelf korstmosvegetaties worden door vuile lucht verdrongen

- vermindering van stilte toename van lawaai en 'ruis'

- het verstoren van voorheen rustige gebieden, die door wegverharding beter ontsloten worden en daardoor meer publiek trekken

- het aantasten van het landschap:

bomen en boomgroepen verdwijnen; bosjes, bossen en open gebieden worden doorsneden; in rijbeplantingen (wallen, hagen, kavelgrensbeplantingen) vallen lelijke gaten; de weg ligt bovendien dikwijls hoger in het land≠schap dan de aangrenzende terreinen nieuwe wegen (met viadukten, bruggen, bebordingen, tankstations en ander wegmeubilair) hebben meestal een van het omringende landschap afwijkende maat en hardheid harde wegen zijn lelijk en ook de vlakke bermen ernaast langs nieuwe wegen worden dikwijls als een soort vergoeding-voor-wat-verloren-ging beplantingen aange≠bracht die niet in het landschap passen of een land≠schapsvreemde soortensamenstelling hebben

- het aantasten van cultuurhistorische waarden: de harmonie wordt verstoord, oude weg- en percellerings≠patronen worden gewijzigd of doorsneden; akkers worden ter plaatse van wegen verlaagd, weiden worden opgehoogd oude huizen, dorpen en gehuchten, kastelen en herber≠gen worden nabij nieuwe wegen als vlaggen Op modder≠schuiten

zijn dan overal dezelfde soorten, die bovendien meestal weinig interessant zijn en zeer algemeen voorkomen. Op die korreligheid komen we in dit hoofdstuk nog terug.

Om de botanische waarde van wegen en wegbermen te illustreren heb ik met behulp van de Flora van Nederland (Heukels-van Ooststroom, uitgave 1970) eens nageteld hoeveel inheemse soorten planten hier op en langs wegen voorkomen. Er zijn ongeveer

1200 oorspronkelijk inheemse soorten landplanten en tot de Nederlandse flora te rekenen ingeburgerde adventieven: wolfsklauwen, paardenstaarten, varens en zaadplanten. Ondersoorten, bastaarden en zgn 'kleine soorten' (bijv. Rubus- en Taraxacumsoorten) zijn niet meegerekend. Echter: 5 soorten konden al in de 1ge eeuw van de inheemse soortenlijst worden geschrapt, en in deze eeuw verdwenen nog eens 44 soorten, waaronder 4 specifieke dijk- en wegbermplanten. Verder ontbreken recente meldingen van nog eens 29 soorten w.o. 2 viltkruidsoorten, die op wegen voorkwamen. We houden dus nog 1122 inheemse landplanten over; te veel hiervan komen reeds zeldzaam of zeer

zeldzaam voor. Er zijn 460 soorten, die o.a. op en langs wegen hun natuurlijke groeiplaats vinden: dit is ruim 40% van onze inheemse soortenvoorraad ! Relatief is dit percentage heel wat hoger. Want van de niet aan wegen gebonden soorten zijn er veel beperkt tot vrij kleine arealen als de duinstreek, Zuid-Limburg, de Waddeneilanden. Veel soorten ook zijn gebonden aan zeer specifieke omstandigheden waaraan nog slechts wordt voldaan in goedbeheerde natuurreservaten, of ze groeien op zeer bijzondere plaatsen als oude muren en vestingwerken. Deze planten komen dus eenvoudig niet voor in de milieus, waarin de landwegjes liggen. Dan zijn er nog heel wat landplanten beperkt tot drassige en moerassige plaatsen, slikken en schorren, waterkanten en oevers, getijdengebieden en bodems van 's zomers droogvallende vennen, allemaal plaatsen waar nu eenmaal geen landwegjes zijn. Bovendien zijn veel inheemse eenjarige planten gebonden aan losgewoelde bodems; ze kunnen op de vaste bodems van wegen gewoon niet groeien, al komen ze soms wel tijdelijk voor op plaatsen in wegen waar de grond incidenteel werd losgewerkt (bijv voor het leggen van buizen of kabels). Veel van deze eenjarigen, gebonden aan losse-bodem milieus van akkers en tuinen (waaruit ze overigens steeds meer verdreven worden) zijn de vaste begeleiders geworden van de moderne wegenbouwers. Als enkele jaren na de aanleg van een nieuwe weg de bermbodem vaster is geworden verdwijnen deze soorten om plaats te maken voor meer permanente soorten.

Van de 460 soorten 'wegplanten' zijn er 25 uiterst zeldzaam, 55 soorten komen zeldzaam en 60 soorten vrij zeldzaam voor. Op wegen en in bermen groeien in Nederland ongeveer 150 plantensoorten die zich alleen dŠŠr optimaal kunnen ontwikkelen; dit is ruim 13% van de inheemse flora. Dit zijn soorten, die zich buiten de bermen nauwelijks kunnen handhaven en die niet eens voor kunnen komen in terreinen met de officiŽle status van natuurreservaat. Het behoud van deze soorten en de vegetaties waarin ze optreden is dus alleen gewaarborgd door het bewaren van de bijzondere milieus van de landwegjes en deels ook het goed beheren van de bermen van verharde wegen.

Steeds vaker blijkt bij inventarisatie en evaluatie van gebieden, dat de biologische waarde van vervlakte agrarische landschappen nog slechts te danken is aan de overgebleven landwegjes. Buiten de wegjes is op veel plaatsen en over enorme oppervlakten de soortenvoorraad beperkt tot slechts enkele kultuurgrassen en algemeen voorkomende 'onkruiden'. Op en langs niet-verharde wegjes leven meestal veel meer wilde planten en dieren dan in de terreinen waarin de wegjes liggen. Daar de meeste gebieden waardoorheen zachte wegskes liggen door de moderne cultuurtechnische en landbouwkundige praktijk en door toepassing van chemische middelen sterk verarmd zijn in vergelijking met pakweg twintig jaar geleden, hebben deze landwegjes grote betekenis. Het zijn refugia (toevluchtsoorden) voor wilde soorten, waarmee mensen bovendien vrij gemakkelijk in contact kunnen komen. De meest kenmerkende vegetaties van wegen en bermen lijken die, waarin zeer algemene weg soorten voorkomen als grote weegbree, varkensgras, schijfkamille, kruipende boterbloem, zilverschoon, straatgras en engels raaigras, platte rus en tengere rus, allemaal zgn tredplanten. Begroeiingen van deze planten behoren tot het weegbree-verbond (Lolio≠Plantaginion), een groepering van overal zeer verbreide plantengemeenschappen. Ze zijn gebonden aan instabiele milieus en komen voor op betreden plaatsen (sommige sub-gemeenschappen zelfs tussen straatstenen) en op plaatsen waar de bodem is gestoord. Het zijn ordinaire gemeenschappen, die een maatstaf zijn voor de vervlakking van ons milieu.

De rijkste flora (en fauna) treffen we aan waar het milieu gevarieerd is, en waar de situatie in de tijd permanent blijft. Van groot belang is daarbij het type grens tussen verschillende terreinen. We onderscheid daarbij de rechte harde plotselinge kontrasterende grens of 'Iimes convergens', en de golvende zachte geleidelijke grens of 'Iimes divergens'. Het patroon - ook het vegetatie patroon - van een limes convergens is zeer grofkorrelig. De structuur van een Iimes divergens is fijnkorrelig, heeft een grote ruimtelijke variatie, en is daardoor rijker aan soorten. Door het bestuderen van gradiŽntmilieus met geleidelijke overgangen (Iimes divergens) weten we nu dat veel soorten en vooral veel rijke soortencombinaties en ecosystemen gebonden zijn aan juist dat milieutype. Het uitvagen van grensmilieus van het type limes divergens is dan ook de hoofdoorzaak van de enorme verarming die flora en fŗuna de laatste halve eeuw hebben ondergaan. Veranderingen in het wegennet blijken al even rampzalig voor het voortbestaan van fijnkorrelige ecosystemen. De ouderwetse landwegen, karrensporen en voetpaden, waarvan we er nog maar weinig over hebben, behoren tot de fijnste grensmilieus, waarin alle kom bi naties van grondsoorten, bodemverdichting, voedingstoestand, waterhuishouding en belichting denkbaar zijn. Een groot deel van onze flora en fauna was daaraan gebonden. Op zeer korte afstanden doen zich in de breedterichting van een zachte weg allerlei overgangen voor, waarbij de berijdings- en betredingsgradiŽnt zeer belangrijk is. De hoogste betredingsintensiteit, die gepaard gaat met de grootste mate van bodemverdichting, ligt op het midden van de weg, dat dikwijls ook het hoogst is.

Daar groeien grote weegbree, straatgras en andere kameraden van de hierboven genoemde tredplantengemeenschappen. Naar de wegkanten en de bermen is het effekt van bodemverdichting afnemend. De wegkanten werden slechts gebruikt door de voerman, door voortgedreven vee en bij het passeren ook wel eens door een kar. De berijdingsgradiŽnt valt gewoonlijk samen met een bemestingsgradiŽnt door uitwerpselen van trekdieren en vee en door mest, oogst, kaf, stro, hooi, hout, zand, leem en turf, waarvan kleine hoeveelheden tijdens het vervoer werden verloren. De bemestingsgradiŽnten werden hier en daar dikwijls versterkt door het langs de wegen winnen van maaisel en strouwsel als aanvulling van veevoer en stalstrooisel. Langs veellandwegjes groeit spontaan hout (houtwal, haag, bosrand) en daardoor zijn er warmte- en windgradiŽnten. Bezonnings-, uitdrogings- en luwtegradiŽnten manifesteren zich vooral op dijkwegen en de tegenstelling daarvan: de holle wegjes in heuvelachtige streken, maar ook in sommige Brabantse akkergebieden. Enkele holle wegjes kunnen we terugvinden in de randen van het stuifzandgebied van de Molenheide. Enkele daarvan zijn oude akkerwegjes; de akkers zijn daar verstoven of overstoven. In de lengterichting zijn karrensporen, landwegjes en voetpaden meer convergent van karakter. Er is echter weer

divergentie waar de berijdings- en betredingsgradiŽnt ook in de lengterichting afneemt (verder van een dorp is het verkeer minder intensief) en waar zich bodemverschillen of hellingen voordoen. Het meest interessant zijn daarom de in stuifzanden, heiden, venen, hooilanden, turfgoren of tegen beken doodlopende wegjes. Hoe langer een doodlopende weg is hoe groter de differentiatie tussen begin en einde van zo'n weg zal zijn. De mooiste en best bewaarde Leendse landwegjes zijn de doodlopende wegjes in de beekdalen. De variatie in de landwegjesmilieus werd nog vergroot doordat plaatselijk eenvoudige open verhardingen werden aangebracht: van zand in veengebieden, van grind in klei- en leemstreken, dicht bij de dorpen van puin en sintels, op drassige plekken van takkenbossen of plaggen. Zelfs verhardingen van klinkers en keien bleken milieuverrijkend. En in alle gevallen bleven de bochten in de wegtracees behouden.

In de vele honderden jaren van hun bestaan veranderden de landwegen voortdurend. Maar wel heel langzaam. Geleidelijk optredende wijzigingen versterkten de bestaande milieugradiŽnten. De beÔnvloeding in de tijd door belopen, berijden, ongewild bemesten, maaien, plaggen en kappen is eeuwenlang hetzelfde gebleven. Ook het gebruik dat van een weg werd gemaakt bleef vrijwel gelijk. De wegjes-milieus verkregen daardoor een grote inwendige stabiliteit en daarmee een grotere soortenrijkdom. Nooit tevoren hadden wijzigingen zo snel en zo algemeen plaats als de laatste veertig jaar en nooit eerder waren die zo ingrijpend. Door het verharden van agrarische wegjes en het verdwijnen ervan door nieuwe kavelindelingen raken we nu de laatste zeer belangrijke milieutypen kwijt. Ook door het tamelijk plotseling veranderen van het gebruik van de overgebleven wegjes (trekkers, luchtbanden) en door veranderingen in de milieus ernaast, is verarming in de hand gewerkt en is het optreden van ordinaire storingsgemeenschappen bevorderd. De kleine milieuverschillen, die de elke week veranderende bloembonte stoffering van de wegkant bepaalden, zijn vrijwel overal vervaagd. Ook de wegbehandeling van landwegjes is sterk veranderd. Als het nodig was werden modderige plekken en diepe wielsporen met in de berm gestoken plaggen aangevuld. Mulle plekken werden met maaisel of met erpelloof belegd. Op en langs ruige wegjes werd strouwsel gekrabd; het struikhout werd gekapt, tot mutserd gebonden en naar huis gebracht. In de beekdalen werden langs de wegjes populieren gepoot, mooie jonge essen en eiken in het struik hout werden gespaard en konden tot grote bomen uitgroeien, andere werden geknot. Nu wordt er gewoon met de trekker door de wegjes heen gedonderd. De wegschaaf komt er regelmatig aan te pas. De wegkanten worden in het voorjaar afgebrand. Op te veel plaatsen zien we langs wegjes huisafval en piestik kunstmestzakken liggen, waaromheen zich brandnetels ontwikkelen. Er resteren nog maar enkele landwegjesgebieden, die de moeite van het bewaren daarom dubbel en dwars waard zijn. Hierbij moeten we bedenken dat juist voor ons vlakke land het behoud van ook antropogene gradiŽntmilieus van groot belang is, omdat natuurlijke grenssituaties, zoals we die van de Alpen en de Ardennen kennen, hier nu eenmaal ontbreken.

In 1973 had Leende 279.8 km (6.7 km/100 ha) onverharde wegjes en paadjes, waarvan echter maar 65.5 km of 23% echte oude wegjes zijn. De overige zijn vrij nieuwe minder waardevolle wegen in de ontginningen (Dijksche Heide, Renheide, Oosteriksche Heide, het Molenschut en dal van de Tongelreep) en de ontginningsbossen (Valkenhorst, Mariahoeve, Leenderbos), en ook de verlegde, verbrede en rondgeschaafde wegjes in de in 1959 verkavelde akkers. Het Leendse bezit aan onverharde wegen is als volgt te specificeren:

174.1 km wegen in ontginningsbossen    62.2%

25.8 km in agrarische ontginningen        9.2%

6.9 km in de in '59 herverkavelde akkers 2.5%

7.5 km nieuwe wegen door de heiderestanten 2.7%

2.9 km oude heidepaadjes en stuifzandwegen 1 %

21.2 km oude veelal doodlopende wegjes in de beekdalen            7.6%

41.4 km overige oude wegjes     14.8%

 

Het vroegere patroon van de lintvormige wegstroken op de kaart van Leende is veel veranderd. De doorgaande wegen zijn wel blijven liggen; de E9 volgt zelfs over grote lengte de oude weg naar Maarheeze. Het wegjespatroon in de beekdalen, dat een harkstruktuur heeft is nog goed te herkennen: van de ongeveer parallel aan beide zijden met de beek verlopende straten lopen veel doodlopende wegjes in de richting van de beek. Vooral aan de westzijde van de Strijper Aa eindigen die wegskes bij een brugje of een vonder, andere lopen aan de overkant van de Aa nog een eindje door. De oude wegen door de heiden lijken kriskras door elkaar te lopen. Maar ook daarin zat toch enig systeem: vanuit bepaalde toegangspunten (bijv Heerstraat, Veestraat, Heimolen, voorde Oosterikkerdijk, voorde Strijperdijk) vertakten de heiwegen zich waaiervormig naar allerlei richtingen (waaierstruktuur). De oude heiwegen zijn bijna allemaal verdwenen; ze werden vervangen door nieuwe wegpatronen met een cel- of rasterstruktuur in de ontginningen en de nieuwe bossen. Het patroon van de akkerwegen (ruitstruktuur) is nog wel te herkennen.

Sommige akkerwegjes in Leende zijn al zo'n 2000 jaar oud en stammen uit de Romeinse tijd, zoals we weten uit een vorig hoofdstuk.

Het rijkst zijn de oude Leendse landweggetjes in het dal van de kleine Aa en nog overal in het dal van de Strijper Aa. Er zijn nog enkele mooie oude wegjes in het Molenschut en de Hulschbroeken. Andere fijne wegen zijn de Kooijenweg, de Hegweg, het Mollenstraatje en de oude wegen door het stuifzand van de Molenheide. Meer dan de helft van de wilde plantensoorten van Leende groeit langs de onverharde wegjes, waardoor die zeker zo belangrijk zijn als de Heg, het beek dal bos van de Rey en andere 'wilde' gebieden. Het is te hopen, dat enkele van de mooiste landwegjesgebieden door de ruilverkaveling zullen worden gespaard.

In de wegbegroeiingen van Leende bepalen vooral grassen, composieten en schermbloemigen het aspekt. Op de drogere wegen groeien planten als groot streepzaad en soms klein streepzaad, het heel gewone duizendblad, grote pollen boerenwormkruid die zo lang bloeien, schermhavikskruid, stijf en heel soms gevlekt havikskruid, margriet, jacobskruiskruid (mťt de zebrarupsen van de jakobsvlinder), op een heel enkele plaats kleine klis, hier en daar zowel de 'stralende' als de 'niet-stralende' vormen van gewoon knoopkruid, akkerkool, glad en gewoon biggekruid met platliggende bladrozetten, de mooie gele thrincia, herfstleeuwetand en diverse soorten paardebloem. Dit zijn allemaal composieten, samengesteldbloemigen; de meeste soorten bloeien geel. Maar we vinden er ook kraailook, dat dikwijls 'bloei'schermen heeft waarin geen enkele bloem voorkomt, maar die helemaal bestaan uit kleine jonge uitjes, zgn broed bolletjes. En scherpe boterbloem, gewone raket, sintjanskruid, zachte ooievaarsbek, gewone ereprijs en bruneI. Langs droge wegen in dennebossen, o.a. in het bungalowpark, groeit de gewone breedbladige wespenorchis. Op ťťn plaats langs een ontginningsweg vonden we een vrij grote groeiplaats van akkerhoornbloem, rijkbeladen met witte stervormige bloemen. Langs de door de Duitsers in '44 met grof grind verbeterde weg in het Leenderbos (omgeving brandtoren) vonden we ťťn vitale pol ijzerhard, een soort van het rivierengebied en van kalkrijke wegkanten in het zuiden. In schrale ijle droge begroeiingen treffen we muizeoor aan, zandblauwtje en hazepootje, een eenjarige klaversoort. En daartussen groeien dan fijne grassen als struisgrassen, schapegras en de lage dwergsoortjes zilverhaver en paashaver. En ook gewone veldbies en schapezuring (surpel). We vonden ťťn groei plaats van grasklokjes.

Het sortiment grassen is het best vertegenwoordigd langs de wegen. Kropaar, echte witbol, kweek, schapegras, kamgras, engels raaigras en frans raaigras zijn overal in Leende heel gewoon. Minder algemeen zijn draviksoorten, veldbeemdgras (op droge plaatsen), straatgras (wel veel op tredplekken), ruwbeemdgras en timothee. Pijpestrootje houdt het lang uit op wegkanten in ontgonnen heiden. Daar groeit dan ook dikwijls struikheide en soms nog een enkele gagelstruik en stekelbrem. Voor de schermbloemigen moeten we hier vooral naar de beekdalen: de tweejarige soorten engelwortel, de minder algemene dolle kervel en het hier heel zeldzame heggedoornzaad, en verder f1uitekruid, zevenblad en bereklauw. Daar vinden we ook geelbloeiende wederik, waarvan de vruchtbolletjes de hele winter aan de verdorde plant blijven. Op nattere plekken wilde bertram, kale jonker en heel soms een donkergroene pol gewone vogelmelk, een bolgewas met witte sterbloemen in mei. Ook hier weer paardebloemsoorten. En veldzuring, smalbladige weegbree en smeerwortel. De salomonszegel uit de vochtige bossen in de beekdalen groeit wel eens langs een beschaduwd vochtig wegje. Koningsvarens groeien vooral in de beekdalen, ook langs de wegjes op kanten van bermsloten of wallen; het zijn grote sterke planten, waarvan we er kennen die al wel honderd jaar moeten zijn. Tengere rus groeit in lange evenwijdige banen precies langs de wagensporen. Veldrus groeit in brede bermen op vochtige plekken, dikwijls met melkeppe, een schermbloemige. Op ťťn plaats weten we gevlekte orchis langs een venig wegje. De landelijk als vrij zeldzaam te boek staande adderwortel is juist hier in de greppels van de beekdalen maar ook langs de wegjes een heel gewone soort. Oag- en avondkoekoeksbloem, grasmuur, glad walstro, heksenmelk en de buiten de bloeitijd daarop zo veel lijkende vlasleeuwebek, gevleugeld hertshooi, en op een heel enkele plaats (die we niet verraden) hemelsleutel. Op wat venige bermen ook moerasspirea en tormentiI. Zilverschoon op tred plek ken. En verder hopperupsklaver (Iei≠kleever), en rode, witte (op tredplekken) en kleine klaver, gewone rolklaver. Kleefkruid. Vogelwikke is hier vrij zeldzaam (Mollenstraatje) evenals heggewikke. Veldlathyrus vonden we heel sporadisch. De grote groep bramen is nog niet zo lang geleden beschreven, en er worden nog steeds nieuwe soorten uitgesplitst. Men heeft voor Europa 700 soorten bramen beschreven, waarvan er al 300 in Nederland zijn gevonden; hiervan komen er tientallen in Leende voor, vooral langs de wegen. Op de bloeiende braamstruiken vinden we altijd veel vliegen en zeker treffen we er de penseelkever (in '73 in Leende zeer algemeen) aan en soms bepaalde boktorren. Op bewerkte plaatsen vinden we akkeronkruiden als korenbloem, kleine en gewone klaproos, herderstasje, gele ganzebloem, gewone melkdistel en akkermelkdistel, knopherik, hanepoot (een eenjarig gras op akkerwegen). Vogelpoot je kunnen we hier aantreffen, maar ook op schrale hei≠achtige bermen; het vruchtsysteem van dit lage vlinderbloemig plantje lijkt echt net een vogel klauwt je.

 De sortering bomen en struiken langs onze wegen is erg rijk en wordt sterk bepaald door het landschapstype, waarin de weg ligt. In bermen in heidestreken zijn het berk en grove den, een enkele eik en de dwergstruiken kruipwilg en gagel. In de beekdalen els, es, eik, vogelkers (fluitjeshout) en een enkele hazelaar en Gelderse roos. Op zure voedselarme gronden met een hoge grondwaterstand zijn grijze en geoorde wilg algemeen. Langs drogere wegen op niet te slechte gronden is de zomereik (zowel struik als boom) de gewone soort. Daar groeit ook vuilboom (hondshout. worstpinnekeshout of peggen hout), waarop de rupsen leven van de citroenvlinder, een van de vroegste dartelingen van ieder nieuw voorjaar. En verder ratelpopulier (met kleine populiereboktor) en bos wilg. Van de houtige slingeraars zien we bitterzoet en kamperfoelie vooral langs de wegen. De wilde soorten rozen van de wegkanten en de hagen in de oude kultuurlanden zijn uit Leende wel verdwenen. Wel groeit er heel zeldzaam nog een wilde appel in droge bermkanten. Langs de wegen in de dennenbossen en drogere wegen in het cultuurland is de Amerikaanse vogelkers een vreemde indringer, die niet genoeg bestreden kan worden; zie het hoofdstuk over de dennenbossen.

In het voorgaande noemden we heel wat wilde soorten die voor de landbouw 'schadelijk' zouden kunnen zijn. Goed beschouwd zijn dat er echter maar weinig. Onderzoek van de Nature Concervancy (Eng.) toonde aan, dat zeer weinig zaden van planten langs wegen zich in de aangrenzende cultuurlanden kunnen vestigen. Ook C.G van Leeuwen (Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum) toonde aan, dat onkruidvegetaties op akkers en weiden eerder ontstaan door verkeerd landbeheer dan door infiltratie vanuit wegbermen.

Bekend zal zijn, dat een rijke flora samengaat met een rijke fauna. Een groot deel van onze insectenpopulaties bestaat bij de gratie van wegbermen met gevarieerde begroeiingen. De engelse onderzoeker Moore vond, dat in zijn land van de 50 zoogdiersoorten er 20 ~40%) voorkwamen in bermen en houtwallen en hagen langs wegen, van 200 soorten vogels 20%, van 6 reptielen 100%, van 60 vlindersoorten 42% en van 17 soorten hommels 47%. Onderzoekingen van Tischler in Duitsland komen tot soortgelijke bevindingen. In min of meer ruige wegbermen blijkt de mikrofauna rijk vertegenwoordigd. Bijen en hommels, die door het gebruik van herbiciden en insecticiden sterk in aantal achteruitgingen, kunnen zich plaatselijk op nog gave wegkanten handhaven. Deze diergroepen zijn van groot belang als bestuivers van kultuurplanten. Onder de insekten die van de wegkantbegroeiingen profiteren zijn vele soorten parasitaire vliegen en wespen, die pas volwassen en geslachtsrijp worden na het vreten van stuifmeel van bepaalde planten. Veel van deze juist voor de landbouw belangrijke soorten (natuurlijke beperking van insektenplagen) vreten stuifmeel van schermbloemigen, die in Leende vooral in bermvegetaties voorkomen. Graafwespen leven onder harde fietspaadjes en karresporen en in grind- en puinverhardingen.

Dat de landwegjes landschappelijke betekenis hebben is duidelijk zowel in het landschap zelf als na inventarisatie van de werken van landschapsschilders in musea. De meeste niet in bosverband voorkomende houtige begroeiingen treffen we in ons land juist aan langs wegjes, die daardoor het aspect van een landschap sterk medebepalen.

Tenslotte nog iets over het beheer van de bermen langs de verharde wegen en wegjes.

Uit het voorgaande zal zijn gebleken dat de bermen van verharde wegen floristisch armer zijn. Maar we zitten nu eenmaal met de realiteit dat we in Leende ruim 51 km verharde wegen hebben. In Nederland beslaan de bermen van verharde wegen vele tienduizenden hectaren, die allemaal als 'inclusief ca 5700 m vierbaans snelverkeersweg met plaatselijk parallelwegen. 1 viaduct en 2 tunnels natuurgebied zouden kunnen worden behandeld. Het strakkere genivelleerde en meer convergente milieu van nieuwe harde wegen is veel minder interessant dan dat van de vroegere karrensporen en landwegjes. Maar de bermen van harde wegen zijn weer rijker dan moderne weiden en akkers en het keiharde milieu van straten met trottoirs.

Door juist beheer kunnen ook de nieuwe wegbermen toch belangrijke refugia worden voor wilde planten en dieren. Er kan al een grotere variatie aangebracht worden bij de aanleg van een nieuwe weg.

Overgangen in waterhuishouding, voedingstoestand, belichting en warmte zijn te maken of te handhaven, wanneer bermen en bermsloten niet volgens normaalprofielen worden uitgevoerd. Deze moeten juist van plaats tot plaats anders zijn: bredere en minder brede, flauwer en minder flauw aflopende bermen, diepere en minder diepe bermsloten met flauwe en minder flauwe taluds. Meer variatie wordt verkregen door het hier en daar - vooral niet overal - aanplanten of spontaan laten verschijnen van zo natuurlijk mogelijke houtbegroeiingen van tenminste enkele meters breed, maar niet overal even breed en even hoog. Nog tamelijk fijnkorrelige bodemverdichting gradiŽnten zijn te verwachten waar de verharding niet bestaat uit beton of asfalt, maar uit grind/leem of eenvoudig uit humusarm zand. Het is voor de landbouw werkelijk niet nodig alle landbouwwegen overal in asfalt uit te voeren. Zeker in drogere gebieden kan worden volstaan met wegverbetering door grind of zand. Van de gewonnen kostenbesparingen kunnen dan elders weer - duurdere - klinkerbestratingen de eentonigheid van asfaltwegjes doorbreken. Waar mogelijk zouden bij verharding van bestaande landwegen bermen en bermsloten moeten worden gehandhaafd, juist wanneer deze bochtig zijn en ongelijk in breedte en hoogteligging. Als een te verharden weg te smal is kan toch tenminste ťťn wegkant in oorspronkelijke staat blijven. Waar bermophogingen noodzakelijk zijn zou dit bij voorkeur met ter plaatse aanwezige grond moeten gebeuren, en dan liefst onder verschillende hellingen. Loswerken van bestaande bermen is altijd te veroordelen. Inzaaien van nieuwe bermen is eigenlijk overbodig.

Bemesten, dumpen van afval, afbranden van de vegetatie, spuiten met herbiciden en strooien van wegenzout verminderen langs verharde wegen de toch al geringe milieustabiliteit. Het maaien van bermen en van onverharde rijbanen is een belangrijke en noodzakelijke beheersmaatregel.

Juist bermbeheer kan de variatie in de bermflora vergroten. Meer en meer komt men terug van het toepassen van herbiciden op wegbermen; men ziet er blijkbaar de onzin van in. Maar er wordt nog wel veel te veel en te vaak gemaaid. Voor de wegveiligheid is het slechts nodig het uiterste strookje langs het asfalt kaal te houden. We zien te dikwijls dat de hele berm vele keren per jaar wordt gemaaid, zelfs als de begroeiing nog tamelijk kort is. Zo'n berm is eentonig en oninteressant. Bovendien laat men - zeker als slag maaiers worden gebruikt - het afgemaaide materiaal vaak liggen. Het milieu wordt daardoor vruchtbaarder en nitrofiele soorten (brandnetels, bepaalde grassen) krijgen dan de overhand, waartegen gevoeliger soorten niet zijn opgewassen. Recente onderzoekingen van Plantenziektekundige Dienst, Rijksinstituut voor Natuurbeheer en Werkgroep Begroeiing Bermen en Erosiebestrijding van de Stichting Studiecentrum Wegenbouw hebben aangetoond dat veel arbeid en veel geld kan worden bespaard (een ha maaien kost per keer f 200, - ŗ f 400, - ) en een veel kleuriger en soortenrijker resultaat wordt verkregen wanneer ťťn keer per jaar wordt gemaaid, hoogstens de randjes langs de verharding enkele keren. IJle vegetaties op schrale grond hoeven niet of slechts eens in de drie of vier jaren gemaaid te worden. Het maai se I moet wel altijd worden afgevoerd.

De natuur van Leende heeft in het recente verleden belangrijke klappen gekregen, niet in het minst door de vrij slechte ruil van 'lieve wandelwegen' (zie blz 9) tegen harde vlakke asfaltbanen. Door goed wegbeheer kunnen we wat van de verliezen terugwinnen. Voor Leende willen we dan ook met nadruk vragen niet nog meer wegen te verharden en alle wegen natuurtechnisch te gaan beheren: de wegschaaf niet te gebruiken op zachte wegen, herbicidenspuit en slagmaaier thuis te laten, alleen te maaien met zeis of machine met messenbalk, het maaisel steeds te verzamelen en af te voeren (verschraling bevordert grotere soortenrijkdom), alleen te maaien als en waar het nodig is, houtige begroeiingen en bramen zo veel mogelijk te ontzien, en nooit vaker dan ťťn keer per jaar te maaien. Heel kort maaien is ook fout, omdat daardoor kleine lage planten verdwijnen en een gazonachtig karakter wordt bevorderd; ook worden daardoor veel nesten (hommels, bijtjes, mieren, muizen) verstoord. De messenbalk dus wat hoger stellen en de zeis niet vlak over de grond halen.

Het is wel moeilijk aan te geven wannťťr precies moet worden gemaaid. Het beste is te maaien na de bloei van de wegberm planten. Maar alle soorten hebben verschillende bloeiperioden. Het is daarom het best niet te vroeg met maaien te beginnen en dat dan ook consequent elk volgend jaar omstreeks de zelfde tijd te blijven doen. De beste maaiperiode lijkt september-oktober-november. Heel foute maai maanden zijn juli en augustus; maar dat komt eigenlijk nog goed uit ook ivm vakanties van personeel. Wanneer elk jaar de zelfde maairoute wordt aangehouden, te beginnen in september op bermen waar een rijke voorjaarsflora wordt verwacht en te eindigen met laatbloeiende bermen, wordt een zekere maaistabiliteit verkregen die beloond zal worden met meer bloemen. Dit kost wat extra moeite, maar er zal bij het toepassen van bovenstaande richtlijnen ook veel op de kosten worden bespaard.



   naar het begin


einde