Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Kraanvogels
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Kraanvogels, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "krannezummer en krannewinter";  over de kraanvogels


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder  (
zie ook het gedicht "witte nog")


De kraanvogels

leder jaar zijn er twee zomers. Ene zomer en 'ne kranenzomer. Die enkele zonnige echt zomerse dagen, die we haast elk jaar in oktober en soms nog in november als toegift krijgen, noemen we kranenzomer. De boeren zijn er blij mee, want die allerlaatste heldere en warme en droge nazomerdagen komen zo goed te pas bij het drukke najaarswerk van aardappel- en bietenoogst, mestrijden , wintervoor ploegen en graan zaaien.
 "Mar in de krannezummer, dan warre we toch meest nog aan de mangelwortelen", zeggen oudere Leendenaren .

Ene kranenzomer. De mensen hebben verband gezien tussen de helderblauwe zomerse lucht van die wonderlijke nazomerdagen en de komst van de grote statige kraanvogels, die in machtige V-vluchten hoog over het bezonde land naar het zuiden trekken. Elders, o.a. in Belgisch Limburg, is ook aan het verschijnsel van de herfstspinseldraden de naam van kranenzomer gegeven. Ge weet wel, die spindraadjes, die in oktober door de lucht zweven en die blijven hangen aan alle takjes en uitsteeksels en aan de gezichten van de mensen. De nazomerse oktoberdagen heten in Hoogeloon de 'Piet van Mol-zomer', want Piet van Mol zei bij kwaai weer in september altijd; "Ik krèg m'n zummerke nog wel." Die drie tegelijk optredende gebeurtenissen: late zomerse dagen, zwevende spindraden en trekkende kranen, vormen samen de kranenzomer. Een duidelijk verband is er ook tussen de kraanvogeltrek en een groot aantal veldnamen (toponiemen) van nogal wat plaatsen in ons land. De kraanvogels hebben op hun lange reis van de broedgebieden naar het verre Afrika behoefte aan rustpauzen.

Ze pleisteren - meestal 's nachts - in rustige afgelegen terreinen in wijde open landschappen. Ze rusten er uit en zoeken er voedsel om nieuwe krachten op te doen voor de volgende etappe. Op veel plaatsen kwamen de kranen jaar na jaar terug, en op sommige van die plaatsen kunnen we nog elk jaar kranen verwachten. Dat regelmatig in ongeveer de zelfde periode van het jaar aantreffen van kraanvogels op steeds weer dezelfde plaatsen is de mensen natuurlijk opgevallen. Op den duur kreeg dan ook zo'n kraanvogelrustplaats een naam, waarin het woord kraan voorkomt. In het N en W van ons land zijn maar enkele van die namen.
Verder naar het ZO vinden we meer kraantoponiemen :
Kranenveld (Arnhem),
Kranenkamp (Diepenveen),
Kranenplas (Harden berg),
Kranenburg (Harderwijk),
Kranengoor (in Laren Gld, in Vorden en ook in Wierden),
Kranenhof (Velp), Kranerweerd (Zwartsluis),
Kranenburg en Kranenkolk (Zwollerkerspel) ;
Kralo (Dr) is volgens Schönfeld Kraanlo.

Vlak over de grens ligt in Duitsland de stad Kranenburg. En ten Z van Venlo vinden we een buurt Kranenbruch en de Kranenbach, een zijriviertje van de Swalm.
Bij Sevenum ligt het gehucht Kronen­berg, in Nederweert is een Kraanakker en een gehucht Kraan.
Maar de meeste kraannamen vinden we in Brabant, in totaal 43. Ook de namen samengesteld uit kram-, krom- en kroon- zijn daarbij geteld. De landkaartenmakers hebben veel namen uit een plaatselijk dialect - verkeerd - vernederlandst. Hier en daar zal ik met bijv krom-samenstellingen er ook wel naast zitten. Maar als een Kromven nou niet krom is en ook nog in een Kroonvensche Heide ligt als in Bladel, en als de soortnaam van het bedoelde stuk land of water met een m begint (als in Krammeer) zal het verband met kraanvogels er toch wel zijn.

Hier zijn alle in Brabant gevonden kraantoponiemen :
Bergeyk: Kromhurken, Kraanven, Krammeer ;
Bladel: Kroonvensche Heide, Kromvennen ;
Boxtel: Kromvennen ;
Casteren : Kranenberg ;
Deurne: Kranenmortel ;
Eersel: in een stuk uit 1570 is sprake van 'de Craenbraeck, een stuck erffs omtrent der Kercke';
Erp: Kraanmeer ;
Esbeek: Kromschutten ;
Geldrop: in een akte van 24.9.1601 'Craenhorck';
Gemert: Kranebraken, Kranerijt;
Gerwen: Kromven ;
Handel: Kranerijt;
Hilvarenbeek: Kraanbraken ;
Lierop: Kromven ; Lieshout : het Oijevaarsven (wellicht zijn de waargenomen ooievaars toch wel kranen geweest);
Loon op Zand: Kraanven en Kraanvensche Heide;
Mierlo : Kranenbroek, Kranengoor en Kranenmeer ;
Netersel: Kraneneick (wordt genoemd in een stuk uit 1497);
Ommel: Kranenven ;
Oosterhout: Kraanschot ;
Reusel: Kraneven, Kronenakker, Kroonven ;
Riethoven : Kraamven ;
Soerendonk: Kranendonk ;
Someren : Kranenmeer, een poel op Vaarsel;
Sterksel: Kranenburg, Kraanderik;
Stiphout : Kraanhorst, Kranenpoel ;
Westelbeers: Kromven ;
Westerhoven: Krambraken, Krambroeken ;
Woensel: Kroonhoef ;
Zesgehuchten : Craenbroeck (in een verbaal van 1527).

In Leende hebben we drie kraantoponiemen :
    de Kraansent aan de Kleine Aa (in oude stukken ook: 'de Craanset', 'den Craenset', 'de Craanseden'),
    het Klein Kraanven en het
    Groot Kraanven aan de Klinkerweg naar de Achelse Kluis in de Groote Heide.

Van de 43 in Brabant gevonden kraan namen liggen de meeste in het oosten van de provincie. Ook in aangrenzend België vinden we nog vrij veel kraantoponiemen. Het gemeentewapen van Maarheeze, dat evenals dat van de vroegere Baronie Cranendonck de kraanvogel draagt, staande op één poot, symbool van de waak­zaamheid, bewijst ook wel iets over het vanouds voorkomen van kraanvogels in de omgeving. De kraanvogel in dit wapen draagt in de opgetrokken poot een steen. Volgens de legende betekent dit ekstra waakzaamheid. Bij de rustende troep zou steeds één vogel op wacht staan. Mét een steen in de poot; als de vogel toch in slaap mocht raken zou de steen vallen en de wachter zou wakker schrikken. Het is wel mogelijk dat een deel van de kraan namen het gevolg is van de aanwezigheid van broed­plaatsen in vroeger tijden. Misschien zelfs werden er hier en daar kraanvogels gefokt voor de consumptie of voor de valkenjacht.

Baron Snouckaert zegt in zijn Avifauna Neerlandica (1908) over de kraanvogel: "Bezoekt ons land jaarlijks in groote gezelschappen op den doortrek, maar zoals bij de meeste soorten is het aantal op den voorjaarstrek geringer dan in de herfst. Wordt in het geheele land waargenomen, doch vooral in het oosten, en laat zich slechts op enkele plaatsen neder. "

Het is bekend dat de kraanvogels in de herfst een bepaalde vrij zuiver ZW gerichte trekroute volgen, die tegenwoordig niet westelijker ligt dan de lijn op het kranenkaartje hiernaast. De trekbaan is bovendien ieder jaar nagenoeg hetzelfde. Op deze baan I iggen de meeste kraantoponiemen. Leende ligt midden in die baan. We kunnen dan ook elk jaar nog kraanvogels in Leende waarnemen, hoog of minder hoog overvliegend, of kortere of langere tijd rustend ergens in het veld.

Eind oktober 1972 zag Peer Liebregts 's morgens bij; het melken het opstijgen van ca 120 kraanvogels dier in het Heike (Heeze) hadden overnacht. Op 20 november 1972 waren er 139 kranen in de Dijksche Heide; hierbij waren nauwelijks 20 jonge dieren. Tegen de avond vlogen er na een harde koude regenbui 80 stuks naar de Kluisse Heide; meester Vugts en onze Frank hebben dat ook gezien. Op 28 oktober van hetzelfde jaar waren er 6 kranen in het Witsem (Soerendonk) en streken tegen de avond 20 kranen neer in het ontgonnen Soeriks Goor. In 1971 werden op 25 oktober 19 over Leende vliegende kranen gezien. Op 19 oktober 1968 waren er 7 kranen in de Kluisse Heide. Eind oktober 1968 verbleven zeshonderd kranen enkele dagen in de Strabrechtse Heide. Ze kwamen veel op een roggeakker vlakbij de hei. De rogge bleek niets te hebben geleden en Sjef Kuysten hoefde geen wildschadevergoeding te vragen.
In 1973 hebben we speciaal op kraanvogels gelet. De eerste zagen we op 13 oktober tegen 16 uur va de brandtoren, twee troepen (van 9 en van 6 stuks) vlogen over het Leenderbos. Jo Verest zag op 20 oktober 's morgens 23 kranen laag overvliegen, vanuit de Strabrechtse Heide richting Leende. Begin oktober trokken er overal kranen over de Peel; in de tweede week van oktober hebben er 12 à 15 in de Ospelse Peel overnacht. De grote massa kwam in de avond en de nacht van 31 oktober. Joop Christiaens hoorde om 19 uur een grote troep acht zijn huis overtrekken. Jan Hein Nijhuis hoorde enkele uren later nog eens zeker 20 kranen. Ook In Valkenswaard werden die avond kranen gehoord. In Arcen (L.) werden op 31.10 's middags heel hoog overvliegend zeker 400 à 500 kraanvogels gezien, en in de schemering kwamen er nog eens zeker 200 door. Op 1.11 en 3.11 werden daar in de avond ook nog overtrekkende kranen gehoord.
Na enkele mooie dagen in begin oktober begon de eigenlijke kranenzomer van 1973 op 24 oktober; hij duurde 12 dagen: tot en met de eerste autoloze zondag, 4 november. Het was steeds zeer helder weer met oostenwind en prachtige hoge blauwe lucht. In die dagen werden geen meldingen van kranen ontvangen; maar het is bekend, dat ze bij helder weer heel hoog kunnen overtrekken.

Vroeger hebben de kraanvogels - er waren er toen veel meer - ook westelijker over ons land getrokken. Dat bewijzen de toponiemen en het is ook te verklaren uit oude plakkaten en ordonnantiën. De in 1672 "in 's Graven Hage by Jacobus Scheltus, Drukker van Syne Hoogheyt den Heere van Orange, uitgegeven Placcaten van den seventhienden Maert 1595, den sevenden luny 1622, den seventhienden lanuary 1628 endesevenden Mey 1648" willen de "groote Ongeregeltheden die ghebeuren int jagen, vangen ende schieten van alderhande Wildt binnen de Houtvesterye van Hollandt ende West-Vrieslandt beperken". In deze placcaten worden de kraanvogels enkele malen genoemd. Ze kwamen dus toen wel voor in Holland, mogelijk zelfs als broedvogel.

In 1963 verliep de trek ook veel westelijker dan gewoonlijk. Langs de kust trokken toen veel kranen over, o.a. bij den Haag. In Zeeuws-Vlaanderen en in het zuidwesten van Engeland verbleven honderden kranen ruim een week. De oorzaken van deze westelijke trek waren waarschijnlijk de langdurige mist in grote delen van het Europese binnenland en een aanhoudende zuidoostelijke wind.

Er zijn veertien soorten kraanvogels, allemaal mooi en groot, sierlijk en toch deftig. Alle soorten bewonen open terreinen: wijde moerassen en venen, heiden en vochtige vlakten en steppen. 'Onze' kraan, de gewone kraanvogel Grus grus L. broedt in Noord-Europa en Azië en overwintert in Afrika, vooral in de Nijldelta. De dichtstbijgelegen broedgebieden liggen in Mecklenburg, Noord­Duitsland . Vroeger broedden de kranen ook in Denemarken. Dat ze ook in ons land hebben gebroed bewijst een placcaat uit 1542 van Maximiliaan van Egmondt dat het "zoeken vande Eyers van Craenen" verbiedt.

Kraanvogels hebben een merkwaardig gevormde luchtpijp. Deze is gedraaid als een trompet en de kranen kunnen er echt mee trompetteren. Een overtrekkende troep kranen laat dan ook geregeld fanfare-achtige geluiden horen. Kraanvogels worden erg oud. Een dierentuineksemplaar werd eens 55 jaar. De japanners geloven dat de kranen duizend jaar oud worden. De maksimale leeftijd zal echter toch wel beneden de honderd jaar blijven. De vogels brengen per jaar maar één broedsel groot van hoogstens twee jongen. Kraanvogels zijn laat volwassen en ze moeten daarom wel oud worden om voldoende nakomelingschap te krijgen dat het behoud van de soort waarborgt.

De kranen vliegen in keurige V-formaties of in schuine lijnen. Elke vogel - behalve de voorste­ profiteert zo van de opgaande luchtstroom die zijn voorvlieger maakt bij de neergaande vleugelbewegingen. De vliegbeweging van de hele formatie is daardoor nauwkeurig regelmatig. Af en toe verwis­selen een achtervlieger en de koptrekker van plaats. Kraanvogels vliegen soms op hoogten van enkele duizenden meters over.
Op de pleisterplaatsen, maar vooral op de broedplaatsen voeren de kranen mooie, bijna ceremoniële dansen uit, waarbij allerlei buigingen, stijve danspassen, trippelpasjes, sprongen en sprongetjes te pas komen. Alleen kranen uit Scandinavië trekken over ons land; via België, Frankrijk en Spanje bereiken ze Afrika. De vogels uit de meer oostelijke broedgebieden trekken door Midden- en Oost-Europea en Azië en steken o.a. bij de Bosporus over.

Alle kraanvogelsoorten gaan snel in aantal achteruit. Elk jaar komen er minder over. Ze planten zich langzaam voort, ze zijn laat volwassen, en er zijn de gewone bedreigingen van natuurlijke vijanden en van ziekten, van strenge en van (te) vroeg invallende winters. De oorzaken voor de achteruitgang moeten we echter zoeken bij de mens. Kranen worden nog steeds door onverlaten op de trek geschoten. Vroeger werden ze wel gevangen of geschoten om het vlees of voor de mooie staart­veren. Maar de ergste bedreiging is de moderne beschaving, die broed- en pleistergebieden aantast. Zowel de landen, waarin de kranen broeden, als die waar deze vogels overheen trekken en overwinteren hebben een taak bij het behouden van deze vogels. In ons land zijn de meeste van de weinige nog overgebleven kraanvogelrustplaatsen beschermd, doordat deze terreinen geheel of gedeeltelijk deel uitmaken van een natuurreservaat. Helaas worden ook deze terreinen minder rustig, en daardoor minder geschikt.

In onze Kluisse Heide veroorzaken doorgaande wegen met autoverkeer en zelfs de vele wandelpaden veel te veel onrust. Bij de jacht worden de vogels verstoord, ook al wordt er niet op ze geschoten. De jacht gaat open op 15 oktober, voor de kranen wel een heel ongunstige datum. Het hele oosten van ons land wordt langzaam maar zeker droger; ook in de laatste pleistergebieden daalt de grondwaterstand waardoor deze minder geschikt worden als foerageergebied. In de toenmalige boswachterij Leende zijn nog geen tien jaren geleden in de resterende heide bebossingen uitgevoerd, waardoor deze heide voor de kranen eigenlijk te klein werd. Kraanvogelpleisterplaatsen moeten behalve stil, rustig en vochtig ook ruim en wijd en open zijn.
De kranen zijn vooral 's nachts op de pleister­plaatsen. De volgende dag trekken ze verder. In heldere maan nachten zien en horen we ze ook wel overvliegen.
Maar bij mistig weer blijven ze soms dagen achtereen op dezelfde plaats. Naar het schijnt kunnen de kranen zich in donkere nachten en bij mist en regen niet goed oriënteren.

Een goede kranenwinter begint met een veilige trek over de bekende oude route. Maar daar moeten voldoende pleistergebieden voor bewaard blijven. En die moeten ruim en rustig zijn, stil en wijd, en vochtig.
Het is een voorrecht geworden voor een plaats als daar kraanvogels neerstrijken. Leende kan dat voorrecht blijven houden. Want ook voor kranen was Lind altijd een sgon plats.



   naar het begin


einde