Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Hoogeind
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Ekker en Berg, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "Ekker en bčrg",  de akkers


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


De Hoge akkers 

De oude akkers van Leende vormen het zuidelijkste deel van het grote langgerekte akkergebied van Strijp tot Geldrop tussen de Groote Heide
en het beekdal van Strijper Aa, Groote Aa en Kleine Dommel. Dit is een van de grootste aaneengesloten akkercomplexen van Oost-Brabant,
700 ŕ 800 m tot bijna 2 km breed en ruim 8 km lang. Aan de oostkant hiervan liggen de oude dorpen Strijp, Leende, de Ven, Heeze Ct Kerkhof),
Kruis, Strabrecht en de Rul. Waar deze akkers het breedst zijn liggen ook in de westflank ervan enkele dorpen: Heezerenbosch en Kreyl.
Dit hoofdstuk gaat het over de biologische en ecologische betekenis van vooral onze oude bolle akkers.

Een dergelijk oud akkercomplex - dat hier eenvoudig akkers (meervoud) of ekker heet, elders es, eng of enk - is altijd een vrij grote open
ruimte zonder bomen en ook zonder huizen. Het aanbrengen van ruilverkavelingbeplantingen (langs de Hoogeindseweg in de Strijpse akkers
 nb met zeer verkeerd gekozen esdoorns) en het oprichten van gebouwen doen evenals het verleggen en asfalteren van akkerwegen
geweld aan het karakter van deze akkers, die altijd ruim en open en zacht zijn geweest. Door vererving en verdeling zijn
de percelen klein en talrijk, en er zijn dus vrij veel grenzen, die door het ontbreken  van kavelgrensbeplantingen eigenlijk alleen
zichtbaar zijn aan ploegvoren en aan eventuele verschillen in de gewassen op de verschillende eigendommen.
Het ontstaan van de oude akkers en ook van de kampen (latere apart gelegen ontgin­ningen), die door bemesting met aardrijke potstal
mest langzaam hoger werden en een min of meer bolle ligging hebben, heeft de bestaande afwisseling in het landschap zeer vergroot.
Deze afwisseling wordt in deze tijd langzaam teniet gedaan.

Tijdens de landbouwcrisis in de zeventiger jaren van de vorige eeuw
(+/-1870 de webbeheerder) o.a. als gevolg van de invoer van
Amerikaanse tarwe (onze regering hief geen invoerrechten), zakten de graanprijzen (de tarweprijs daalde in vrij korte tijd van
f 11.-
naar
f 4.50 het mud).
Daar ook huiden uit Amerika werden ingevoerd en hier in Leende de lederindustrie zich uitbreidde, werden de slechtste akkergronden
omgevormd tot eikenhakhoutbosjes (opbrengst Eikenbast, run, looistof): enkele van de kampen bij de Vetersberg , bij het Nieuwland
en in de Molenheide, in de Dijksche Kampen, ten N van de Groote Speel, in De Hoeven bij Bruggerhuizen en in De Kooyen
(De Koekoek), en pas ontgonnen bouwlandjes in 't Molenschut. De meeste van deze bosjes zijn later weer herontgonnen tot bouwland.

De bčrg in de akkers zijn oorspronkelijk hogere akkerkoppen, die werden 'uitgeleegd'. Het zand werd gebruikt voor het ophogen van
wegen en erven, voor het aanvullen van de potstal als die was 'leeg gevaren', waarschijnlijk ook voor het aanvullen van lage gronden
in de beekdalen, en ook wel in de potstallen als er strooivlaggen te kort waren. Elke familie had haar eigen 'bergske'. De oorspronkelijke hoger
gelegen zandwinplaatsen, die nu juist lager zijn, heten nog wel altijd bčrg. In akkerranden en ­hoewel dit verboden was - ook op akkerwegen
werden wel rössen (zoden) gestoken om tekorten aan stalstrooisel aan te vullen.


“Het gat van Winters”  (nu camping "De Fuut")
In De Kuilen is sinds enige jaren een bij alle Leendenaren bekende ontgronding, een vrij diepe nog niet afgewerkte zandwinplas,
die wacht op een definitieve bestemming. Het 'Gat van Winters'. Aan twee zijden ligt nog zwarte bovengrond in depot,
waarop naast akkeronkruiden een meer permanente grazige vegetatie zich ontwikkelt en waarin ook al houtsoorten zich vestigen.
Hoe fijn zo'n plas vooral 's zomers ook is en hoe treffend de zwemmende, zonnende en vissende bezoekers het tekort aan gemakkelijk
toegankelijke waterrecreatieruimte ook demonstreren, het 'Gat' blijft in de akkers van Strijp een landschapsvreemd element,
dat bovendien sterk vervuilend op de omgeving werkt.
Op een van die prachtige subtropische zomerzondagen van 1973 (11.8.73) telde Willem er in de namiddag: 84 autootjes, 12 bootjes,
9 pikniksets, 3 parasols en 2 tenten; en er waren heel veel spelende en luierende mensen. Buiten de zomer pleisteren er wel steltlopers
en plevieren en in de zomer is er aan de steile ZW-kant doorlopend grote activiteit in een drukke
oeverzwaluwenkolonie.
In de verlaten oever­zwaluwpijpen broeden ringmussen.

Er zijn nogal wat verschillen op te merken tussen bouwlanden en andere cultuurgronden, de weiden.
De ecologie en de 'inhoud' aan planten en dieren is in deze verschillende milieus dan ook duidelijk anders.
Akkergewassen verlangen een diepere drooglegging dan de weideplanten. Er wordt binnen het jaar, soms zelfs binnen vier of
vijf maanden (nagewassen in nóg kortere tijd) op akkers één gewas geteeld, dat door de mens wordt geoogst.
Het soort gewas is meestal een uit het verre buitenland afkomstige verbeterde wilde plant: granen uit ZW-Azië (teelt sinds de Oudheid),
aardappels uit Zuid-Amerika (sinds 16e eeuw bekend, uitbreiding teelt vooral sinds 1740), maďs uit (vermoedelijk)
Centraal-Amerika (teelt sinds ± 1750), boekweit uit Centraal- en West-Azië (cultuur hier sinds of vóór ca 1300;
 bron: Bossche protocollen; teelt tot ca 1920; na de hagelramp van 17.5.1889 werden de vernielde graanakkers
van Leende opnieuw bezaaid met boekweit), vlas uit West-Perzië (in onze streken al in de vroege middeleeuwen in cultuur).
Spurrie, koolraap, suikerbiet
en mangel­wortel werden ontwikkeld uit West-Europese planten.
In weilanden groeien inheemse grassen, meerdere soorten door elkaar (zeker vroeger), die door het vee ter plaatse worden 'verwerkt'.
De bodem van de akkers wordt elk jaar meermalen ca 18 cm of dieper losgemaakt;
bij weilanden blijft de bodem lange tijd achtereen onbewerkt.

In de oude tijden tot nog in deze eeuw werd in de akkers vooral rogge (rog) verbouwd, afgewisseld met haver en evie of evene
(hier: čve), een soort haver met dunne korrel 'bast'.
Sinds de 18e eeuw werden ook aardappelen in het vruchtwisselingproces opgenomen.
In de Kampen werd in Leende 'altijd' boekweit gezaaid, afgewisseld met evie, en maar heel zelden met rogge;
zo was dat althans in het begin van de 20e eeuw. Evie leverde een taai grijs stro, dat heel geschikt was voor vlechtwerk.
Nagewassen op rogge waren gewoonlijk stoppel­knollen (gruujn) en spurrie. Ook werden wel gele wortelen en rode klaver
onder de rogge gezaaid. Voor spurrie werd de 'geblekte' roggestoppel inge­walst om de kiemsnelheid te vergroten en om een
gemakkelijke maaivloer voor de spurriezeis te hebben. Op spurrie werden de koeien ook wel getuierd; ze scheten of 'spelden'
dan als 'spurriekoei'. Ook werd spurrie wel als hoofdgewas geteeld.

Het grote aandeel rogge, haver (en evie), aardappels en boekweit blijkt uit een inventarisatie van de in
1845 in Leende verbouwde gewassen:

rogge                 252 bunder 
aardappels         95    
boekweit            60     
haver en evie     42      
garst                 22     
winterkoolzaad   18       
zomerkoolzaad     6
spurrie                 4
vlas                     4
boonen                3
erwten                 2
klaver                 2.5
tarwe                 1.8

Bij de berekening van de belastbare opbrengsten (grondbelasting) na de eerste meting voor het kadaster in 1832 werden
5 klassen bouwland onderscheiden. Daarbij is de meest gebruikelijke vruchtopvolging van iedere klasse aangegeven.
Voor de eerste klasse (de beste akkergronden) duurde de gebruikelijke vruchtwisselingperiode 4 jaar
en voor de overige klassen 5 jaren:

Vruchtopvolging op basis van grondkwaliteit in 1832
Klassen bouwland
Jaar van inzaai 1e klasse 2e klaasse 3e klasse 4e klasse 5e klasse
1e inzaai jaar rogge rogge rogge rogge rogge
2e inzaai jaar rogge 1/2 rogge
1/4 aardappels
1/4 evie
1/5 aardappels
4/5 spurrie
rogge spurrie
3e inzaai jaar 1/3 aardappels
1/3 haver
1/3 rogge
3/4 rogge
1/4 spurrie
3/4 rogge
1/4 evie
spurrie rogge
4e inzaai jaar boekweit rogge rogge rogge boekweit
5e inzaai jaar als 1e jaar boekweit boekweit boekweit braak
6e inzaai jaar als 1e jaar als 1e jaar als 1e jaar als 1e jaar als 1e jaar


Het laatste jaar van een cyclus werd meestal boekweit geteeld; de slechtste akkers kregen een braakjaar.

De akkerplantgemeenschappen zijn even oud als de akkers zelf. Bij opgravingen van vroegere neder­zettingen zijn zaden en
stuifmeelkorrels gevonden van cultuurplanten čn van wilde planten, die we nu nog als akkeronkruiden kennen.
Evenals de gewassen zijn ook veel akkeronkruiden geďmporteerd uit de gebieden waar een c ultuurplant van wilde plant werd
veranderd in 'gewas'. Zo zijn de eenjarige klaproos­soorten haast zeker meegekomen uit W-Azië, waar enkele graansoorten
al 8.000-10.000 jaren geleden als voedsel planten werden verbouwd. Soorten als bolderik, guichelheil, spiegelklokje
(die overigens geen van alle in Leende voorkomen) en korenbloem, melkdistelsoorten, echte kamille en vele andere hebben
de granen uit ZW-Azië via het Middellandse Zeegebied naar West Europa vergezeld. Ook recent bereikten nieuwe onkruiden
ons land met invoer van zaad uit andere werelddelen. Een vrij nieuw hardnekkig akkeronkruid is het knopkruid, waarvan hier nu
twee soorten voorkomen: klein knopkruid en harig knopkruid. Beide soorten zijn eenjarig, zijn niet bestand tegen vorst,
maar produceren zeer veel zaden. Ze komen hier vooral voor in hakvruchtakkers.
De knopkruidsoorten zijn afkomstig uit het Andes gebied, waar ook de aardappel vandaan komt. Al in 1820 kwam knopkruid hier voor,
maar beide knopkruiden breidden zich vooral sterk uit in de jaren 1940-1945, reden waarom de planten wel moffenkruid of Duitskruid heten;
botanici noemen deze onuitroeibare soort 'akkerpest'. In de veertiger jaren werd o.a. in de omgeving van Strijp
veel de eenjarige alsem-ambrosia aangetroffen, een adventief uit Noord-Amerika, die waarschijnlijk met kippenvoer werd ingevoerd.

Het uitbundige feest van de kleurige akkers van vroeger is wel voorbij. De feestversiering is opgeruimd en door de zuivering van het
zaaigoed is de vrolijke feestvloer aangeveegd. De spuit­machines, die herbiciden (chemische onkruid­bestrijdingsmiddelen) verstuiven,
hebben de feest­verlichting gedoofd. Want het zomerbal van de wuivende akkers was vooral zo uitbundig en zo kleurig door de bloemen
van de onkruiden. De zachte met confetti bestrooide akkerpaden kregen op veel plaatsen een kunstmatige vloerbedekking van hard zwart asfalt. Gemeentelijke uitbreidings­plannen strekken zich bij voorkeur uit over de oude hoge akkers. Het kan niet anders, want de akkers
liggen nu eenmaal vlakbij oude dorpskernen. Maar het hoeft niet overal op dezelfde manier te gebeuren.
Andere oude akkers worden afgegraven voor zandwinning en de al verarmde resten worden met steun van de overheid gladgeschaafd
en herverkaveld.
Vooral na de vrijwillige verkaveling van 1959 toen coöperatieve beregening werd ingericht worden veel Leendse en Strijpse akkergronden
in weiland omgevormd en worden er ook meer suikerbieten geteeld. In deze zwaar met bio-industriële drijfmest behandelde
weilanden treedt
ridderzuring (včrrekesblaor) meer en meer op, een soort die reageert op vooral varkensmest.
Vroeger was deze plant beperkt tot de 'včrrekesdrieskes' aan de boerenerven. Het op steeds groter schaal beschikbaar
komen van drijfmest heeft nog meer gevolgen in de akkers.

De verbouw van snijmaďs als voederproduct voor rundvee (kuilvoer) neemt steeds grotere vormen aan.
Snijmaďs is een gewas dat veel mest op kan nemen.
De akkerlandschappen worden eentoniger. De akkeronkruid gemeenschappen worden steeds armer aan soorten.
Veel onkruiden zijn uit de akkers verdwenen. De aarden pijpenkoppen en gebroken pijpensteeltjes, die de kinderen in de
omgeteulde akkers vonden en die hun geloof in sprookjes versterkten - omdat de pijpkes immers waren gerookt door de
kabouters, aardmannekes - zijn vervangen door plastiek afval dat met de mest op het land komt.
Hierbij zijn opmerkelijk veel stukken afgedankt kinderspeelgoed en witte wegwerpspuit­bussen waarmee het vee is behandeld.

Voor we over het typische 'onkruid' van de akkers gaan praten, moeten we eerst iets zeggen over het begrip 'onkruid',
dat we in het voorgaande al enkele keren gebruikten. Het is maar een raar woord: onkruid.
Toch is er wel degelijk kruid mee bedoeld. Want onkruiden zijn alle planten die we op bepaalde plaatsen niet wensen.
Meestal zijn dat wilde inheemse planten, maar ook geďmporteerde soorten en verwilderde cultuurplanten kunnen onkruid worden.
Zo werd de teelt van
zwarte mosterd, een 'olieplant', vroeger in sommige streken verboden, omdat deze soort snel en massaal verwildert.

De
aardappelplanten van een vorige teelt die in een bietenveld verschijnen zijn daar onkruid, hoewel de aardappel toch een
gewaardeerde cultuurplant is. Onder onkruiden worden doorgaans alleen de overbodige wilde en verwilderde planten in de losgemaakte
bodems van akkers en tuinen verstaan. Daarom noemen ook botanici en vegetatiekundigen de wilde akkerplanten 'akkeronkruiden',
die steeds voorkomen in van elkaar te onderscheiden 'akker­onkruid gemeenschappen'. De wilde akkerplanten hebben behoefte aan losse grond.
Ze stellen ongeveer dezelfde eisen als de gewassen, hebben een ongeveer even lange levensduur en treden daarom steeds tegelijk met de cultuurplanten op.

De verschillende cultuurplanten worden dan ook steeds begeleid door bepaalde onkruidvegetaties, waarvan de samenstelling wordt bepaald
door grondsoort, mate van beschutting en concurrentie van het gewas, tijdstippen en aard van akkerbewerking, vruchtopvolging,
ploegdiepte, bemesting e.d. In graanakkers zijn vooral de randen het rijkst aan onkruiden.

Hoewel in de laatste tijd sterk genivelleerd, zijn er toch nog duidelijke verschillen te onderscheiden in de onkruidvegetaties van
zomergraanakkers (zaaien in maart-april; zomergerst, haver), wintergraanakkers (zaaien okt-dec; rogge),
hakvruchtakkers (zaaien en poten in april, latere oogst; aardappelen, erwten, bieten, wortelen) en de zwaarbemeste maďsakkers
(zaaien in mei, late oogst).

In zomergranen komen veel zgn. zomerannuellen voor, eenjarige planten die net als de 'bijbehorende' cultuurplanten in het voorjaar kiemen
en al ver vóór de herfst zaad gevormd hebben:
knopkruid, gele ganzenbloem (Sint-Jansbloem, gele margriet) en in mindere mate akkerandoorn, kromhals en de zeldzame akkerleeuwenbek. De wilde haver of oot heeft zich vooral na de laatste wereldoorlog sterk uitgebreid.

Wintergranen, zelf winterannuellen, die kort voor de winter kiemen in vers bewerkte grond en pas in het voorjaar daarna bloeistengels
vormen, worden vergezeld door planten die zich overeenkomstig gedragen: enkele soorten klaproos (hier meestal
gewone en ruige klaproos ), korenbloem, de hier al verdwenen bolderik en de zeer zeldzame dauwnetel. Bij Strijp groeit in bepaalde akkers nog de bleekgele hennepnetel,
een nu zeldzame soort van roggeakkers op zure zandgrond. Vooral in natte jaren is windhalm (schom of halmgras), een sierlijk rankgras met
grote ijle pluimen, een algemeen onkruid van roggeakkers, waarin ook de grijze eenjarige hardbloem en greppelrus optreden.
Ook akkerviooltje, veldereprijs, ringelwikke, spurrie en varkensgras komen hier nog voor. De rogge schiet half mei in de aren;
in twee weken tijd bereiken de roggeplanten hun definitieve lengte. Eind mei beginnen de stuifweken : de rogge bloeit en produceert
enorm veel stuifmeel, dat de wind herhaaldelijk in grote wolken de zomer inblaast.

In hakvruchtakkers moet regelmatig worden geschoefeld, gekrebberd en gehakt om de grond luchtig te houden en het onkruid de baas te blijven. Hakvruchten worden niet erg hoog en ze worden op ruime afstanden geteeld zodat er veel meer Iicht op de bodem valt dan in een graanakker,
die begin mei al in sluiting is. Hakvruchten worden ook veel later geoogst dan granen. Deze akkers wijken dus nogal af van graanakkers
en er zijn dan ook heel andere onkruiden, meestal zomerannuellen :
zwarte nachtschade, knopkruid, perzikkruid (jezuskruid of ritsie),
 
veldereprijs, zwaluwtong, ganzenvoetsoorten ­hier vooral witte ganzenvoet of 'mannen' -, knopherik, de grassen hanenpoot (ijsgras)
 en
naaldaar, en in bepaalde gevallen ook gele ganzenbloem. De vegetaties van deze akkers verarmden door gewijzigde landbouwmethoden:
aanaarden (van aardappelen), machinaal zaaien en oogsten, gebruik van kunstmest en - alweer - chemische onkruid­bestrijding.
Door de toepassing van drijfmest neemt
vogelmuur (mier) sterk toe, vooral op wat vochtige percelen; en dat is maar heel lastig
bij het schoefelen en krebberen van de bieten.

In maďsakkers groeit vooral op lichte plaatsen (randen) veel zwarte nachtschade, perzikkruid (ritsie), waarvan vooral de erg mooie
roze-bloeiende vorm voorkomt, en het gras
hanenpoot (ijsgras), soorten die reageren op zware bemestingen.
Ook de
gewone reigersbek vinden we veel in de randen van maďsvelden. Het sterker optreden van grassen in de akkers
(hanenpoot, windhalm, kweek, (pčne), wilde haver)  is waarschijnlijk het gevolg van het bestrijden van hun concurrenten, dicotylen (tweezaadlobbigen) die bredere bladeren hebben.

Het is heel jammer dat in de landbouw gestreefd moet worden naar uniforme methoden van bodem­ en gewasbehandeling
en dat bemestingsadviezen, herontginning, egalisatie en waterbeheersing meer en meer overal gelijke milieufactoren scheppen,
waardoor de rijkdom aan onkruiden verloren gaat en tenslotte door toepassing van herbiciden de genadeslag van de totale verdwijning krijgt. Merkwaardig. Want veel wilde bloemen, die alleen in akkers kunnen leven, zijn voor de groei van een gewas beslist niet schadelijk.
Onkruidloze akkers geven ook lagere opbrengsten.

Vrij recente Amerikaanse onderzoekingen in tarweakkers toonden aan dat de hoogste opbrengsten worden verkregen
op percelen waarvan de bodem voor ca 12% met onkruiden is bedekt. Dat is wel verklaar­baar: zo'n akker heeft immers nog enige
overeenkomst met een natuurlijk milieu, wat voordelen geeft door een gunstiger microklimaat en een grotere weerstand tegen plagen.
Om karakteris­tieke akkerbloemen te redden heeft 'Natuurmonu­menten' op enkele plaatsen akkeronkruid reservaten bewaard,
die op de oude wijze worden beheerd.

Akkeronkruiden verschijnen ook langs nieuw aangelegde of verbeterde wegen, waarvan de bermen nog los zijn.
Zo'n nieuwe weg kan heel kleurig zijn door bloeiende
kamillesoorten, herik, knopherik, klaproos en korenbloem in de bermen.
Bij het zien van zo'n bloeiende wegkant zouden we in de waan kunnen komen dat het met de achteruit­gang van onze flora wel meevalt
en dat de aanleg van wegen verrijkend werkt op het landschap. Maar dat is bedrieglijk. Na enkele jaren is de bermgrond vaster geworden;
de onkruiden moeten dan plaats maken voor bestendiger en meestal vrij algemene soorten, waaronder vooral veel cultuurgrassen.
Waar enkele zomers geleden in de nieuwe bermen van de E9-verbreding en van nieuw gemaakte ruilverkavelingwegjes nog losse-grond-planten groeiden zijn nu al meer permanente vegetaties van o.a.
duizendblad, boerenwormkruid, kweek, roodzwenkgras, Engels raaigras
en andere grassen.
De meeste akkerplanten zijn eenjarig. Maar er zijn ook enkele meerjarige soorten. We noemen de hardnekkige onkruiden
heermoes (heremest), of akkerpaardenstaart van vochtige zure akkers, schapenzuring (surpel) van humusarme roggeakkers,
en
kweek (pčne). Akkerdistel en akkermelkdistel groeien niet alleen in akkers, maar ook in slecht weiland en op ruderale plaatsen.
Akkermunt
komt alleen voor in vochtige akkers. De overblijvende soorten worden door de ploeg niet verdreven,
integendeel, hun wortelstokken leveren na deling en verdeling door het ploegkouter meer exemplaren op.

Ook enkele bolgewassen kwamen in de akkers voor. De gewone vogelmelk groeide vroeger behalve in onze beekdalen
(waar de soort nog voorkomt) ook sporadisch in enkele humusrijke akkers. De mooie
oranjelelie, die voor het laatst werd gevonden in 1912,
is bekend van Drentse essen. Een grotere merkwaardigheid had Leende. Op enkele akkerpercelen in het complex
"Over De Krekelweg" groeide de
bostulp, vroeger vrij massaal, ca 30 jaar geleden nog in enkele exemplaren.
Van deze planten kwamen er vele in bloei. Het voorkomen van de bostulp in Leende is merkwaardig, daar deze soort elders
vooral groeit op rijkere humeuze zavel en kleigronden, vooral op oude landgoederen, buitenplaatsen en bij herenboerderijen in Friesland,
in de duinen en in het rivierengebied. De bostulp komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en is in 1594 i n Nederland ingevoerd.
Hoe deze soort in Leende en nog wel op een akker is verzeild geraakt is niet bekend; maar misschien hebben valkeniers of teuten haar wel meegebracht. Reden voor het weer verdwijnen van de Leendse bostulpen is misschien het dieper ploegen
 en het toepassen van een gedifferentieerder vruchtwisseling.

In de akkers zijn veldkrekels vrij algemeen. De grappige oranjegele dwergmuis bouwt kleine bolle nestjes tussen graanhalmen .
De
kwartel is de meest typische vogelsoort van graanakkers. In Leende waren er in 1973 zeker niet meer dan 2 paartjes.
De
patrijs is in de akkers veel talrijker. De vele uitgewaaide broedsels zijn wellicht gecompenseerd door de betere broedresultaten
van de goede zomer van '73, want overal zagen we in de herfst vrij grote klochten patrijzen. Het 'rogveugelke',
de
bos­rietzanger, telden we in '73 op 5 plaatsen, de meeste in graanakkers.
Overal in de akkers zijn vooral
veldleeuwerik, maar ook graspieper algemeen voorkomende vogeltjes.
We zien in de akkers altijd veel
witte kwikstaarten naar voedsel zoeken; de meeste daarvan broeden ongetwijfeld in het dorp,
maar er zal ook wel eens een paartje nestelen op de akkers zelf, bijvoorbeeld in veldschuurtjes.

Kieviten
worden uit de beekdalen meer en meer verdreven omdat daar door de ontwatering en bemesting de grasgroei eerder
in het voorjaar begint. Door de verschuivingen in de akkerculturen (meer maďs, aardappelen en bieten) vinden kieviten nieuwe
broedbiotopen in de akkers. Kieviten zoeken nl bij voorkeur een broedterrein dat in april nog onbegroeid of ijl en kort begroeid is.
Maar door machinale grondbewerking en gewasonderhoud gaan veel kievitbroedsels verloren.



   naar het begin


einde