Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Hagen
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Hagen en bomen bij de huizen van Leende en Strijp, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "Hejge en beujm maoke Lind gruujn"  over hagen en bomen bij de huizen van Leende en Strijp


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


Hagen en bomen:  Hejge en beujm maoke Lind gruujn

Dat is ook weer zo iets fijns van Leende. Dat er zoveel bomen zijn, struiken en hagen, bossen en bosjes, die sterk het groene aanzien en de prettige leefbaarheid van ons dorp bepalen. We willen het nu in het bijzonder gaan hebben over het groen bij de woningen, in de straten en in en om de tuinen van de sgonste plats.

In mythologie en folklore is aan bomen dikwijls een heel speciale betekenis gegeven. In veel oude sagen hebben bomen een centrale plaats. Gezeten onder de heilige vijgenboom, de boom der wijsheid, kwam Buddha tot het volmaakte inzicht. De oude Egypte­naren kenden de aan Isis, godin van plantengroei en liefde, gewijde levensboom. De Mohammedanen hebben een paradijselijke wensboom, die allerlei vruchten draagt, maar ook brood en vlees en kledingstukken. In de Noorse mythologie is Yggdrasil de wereldboom, zinnebeeld van de tijd. Het is een es, waarvan honingdauw druipt en die drie geweldige wortels heeft; in de kroon zit een adelaar (de wijsheid) en onder de wortels woont de draak Nidhuggur (de boosheid). Ook in het scheppingsverhaal van de Hebreeën staan midden in een paradijs een levensboom en een boom van kennis van goed en kwaad. En we kennen nog wodans­eiken, de kerstboom, de palmpaas, de meiboom en de levensboom in het bovenlicht boven de voorste deur. Als het hoogste punt van een nieuwbouw is bereikt, wordt er een groen boompje op gespijkerd, waaronder het pannenbier wordt gedronken. Nog altijd worden er op gedenkwaardige dagen plechtig bomen geplant, die de herinnering daaraan moeten helpen bewaren. En hier en daar stonden nog niet lang geleden heilige eiken: Meerveldhoven, Oirschot, H. Kruiseik Heeze.

Bepaalde boomsoorten hebben vooral betekenis als vruchtbaarheids- en geluksbrengers. Toevallig (?) zijn de noten en de linden, die in Leende meer dan ergens anders voorkomen, ook magische bomen. Daarom zullen de Leendenaren ze nu evenwel niet meer aanplanten en in ere houden. De bomen bij de huizen hebben een zeker nut. Er wordt beschutting van verwacht, en ze geven die: tegen wind, tegen te fel licht en zomerhitte en tegen blikseminslag en brand. Ook om de vruchten werden en worden bomen geplant. We wonen hier in een echte notenstreek. Er zijn hier veel notenbomen en zelfs de familienaam Noten komt hier meer dan ergens anders voor. Leende is hét noten land, maar nog niet zo lang geleden werd dat ook van Maarheeze gezegd. Bij bijna elk ouder huis in Leende waar maar even ruimte genoeg is, staan een of meer notenbomen. Vroeger stonden er nog meer, ook gewoon aan de straatkant, maar de meeste toch kort achter het huis. Een notenboom houdt ongedierte weg en daarom is de standplaats vlak bij de in de zomer meestal openstaande achter­deur zo praktisch om de vliegen uit huis te houden. Ook de kinderwagen staat er dikwijls onder en de rustbank voor de oudjes. En in de zomerdag is het fijn buurten onder zo'n koele notelaar. De brede en dichte kroon zal zeker ook zijn gezien als afweer tegen overslaande branden.

De walnoot, ook okkerboom en vroeger noker of nokerboom geheten, Juglans regia, is van afkomst eigenlijk een gebergteboom. Het oorspronggebied ligt zelfs helemaal in de Himalaya en de noten groeien daar twee- à drieduizend meter boven de zeespiegel. De noten zouden uit het oosten door Leendse valkeniers zijn meegebracht. En de roeken uit het kraaien bos van Heeze, die met gestolen noten wegvlogen en er wel eens een lieten vallen, zouden de belangrijkste verspreiders zijn. De bij het maaien gevonden noten kiemplanten werden zorgvuldig met kluit uitgestoken en bij huis geplant. Inderdaad komen kauwkes en roeken soms in grote troepen heel wat noten stelen, vooral 's morgens vroeg. Maar de notelaren blijven toch ook in Leende, eenvoudig omdat uitgezochte grote zaainoten in april in den hof worden gepoot. En hoe goed er in de herfst ook naar afgevallen of -geslagen noten wordt gezocht, er raken er altijd wel een paar onder afgevallen blad of onder de heg. Als die dan niet door de muizen worden opgevreten, worden ze later als jong notenboomke terug gevonden, uitgegraven en ergens op een goei plek uitgeplant, of ze worden weg gegeven. Bij het planten wordt dikwijls een hoeveelheid puin in het ruime plantgat verwerkt. De beste planttijd is april; jonge bomen groeien gemakkelijk door, maar het verplanten van oudere noten mislukt wel eens.

Uit de noten van de Himalaya, die vrij kleine vruchten hebben, ontstond in Klein-Azië een cultuurvorm. "Ik ben in de notenhof gegaan om het groen der vallei te gaan zien", dicht Salomon in het Hooglied. Omstreeks 1000 voor Christus, maar waarschijnlijk al veel eerder, waren er dus notenboom­gaarden in het Jordaangebied. De Romeinen troffen in Griekenland al zeer oude cultuur notenbomen aan. Het is zeker dat de walnoten niet door valkeniers maar door de Romeinse legers naar onze streken zijn gebracht.

Noten zijn oorspronkelijk gebergtebomen en toch verdragen ze geen vorst; cultuurvormen zijn gewoonlijk zwakker. Bij late nachtvorst in de bloei­tijd bevriezen alle vrouwelijke bloemen. Dat wil niet zeggen, dat er in zo'n jaar helemaal geen vruchten komen, want alle bomen bloeien niet precies tegelijk en allicht zijn er in de bloeitijd minstens een paar dagen zonder vorst. De bloei valt bovendien vrij laat. Wel vriezen er haast elk jaar niet volledig verhoute jonge twijgen in; in een notenboom zit dan ook altijd dood hout. Notenbomen hebben tweeërlei bloemen, maar ze zijn eenhuizig, d.w.z. dat aan een boom zowel manne­lijke als vrouwelijke bloemen bloeien. De mannelijke bloemen - elk met minstens tien meeldraden - zitten aan dikke hangende aren, zgn. katjes, hier 'sliertjes' of 'stertjes'. Ze verschijnen aan voorjarige twijgen en als alle mannelijke bloemen vallen ze direct na de bloei af. De grond ligt dan vol dikke 'rupsen'. De vrouwelijke bloeiwijzen zijn veel minder opvallend en groeien aan korte pas uitgelopen loten, die al enkele jonge bladeren dragen. Het zijn kleine groene bolletjes, de vruchtbeginsels, waaruit de twee gebogen stempels naar buiten krullen. De bloemen hebben helemaal geen bloembekleedsels, ze geuren ook niet en hebben geen honing. De bevruchting komt dan ook niet door bemiddeling van insecten tot stand, maar door de wind. De mannetjesbloemen bloeien altijd eerder en dat werkt de gewenste kruisbestuiving in de hand.

Na de bloei groeien de bevruchte bollekes ­bloemkes uit tot dikke noten, maar de diktegroei daarvan begint pas eind juni. Niet-bevruchte bloempjes zijn dan al afgevallen. Bij storm of bij langdurige droogte vallen er ook wel eens bevruchte noten voortijdig af. De noten zitten alleen of in groepjes van twee of drie bijeen; zo'n trosje van twee of meer noten heet hier 'nen bok. Bokken van vier of vijf komen zelden voor, maar het notenboomke van Leen en Anna Holten draagt altijd veel bokken van vijf en zelfs enkele van zes of zeven. Dat nog niet zo grote boompje geeft elk jaar minstens drieduizend noten, maar meestal vele honderden meer.

De vruchten groeien in een harde schaal binnen een zachtere groene bolster. De vruchten vallen in oktober. Meestal barsten de bolsters tevoren al open, maar er vallen ook noten met bolster en al af. Als de noten rijpen is er altijd wat paniek in Leende. De vruchten moeten regelmatig worden geraapt, anders worden ze kapot getrapt of gejat, door schooljongens meestal, maar ook door muizen, roeken en kraaien. Jongens knuppelen de bomen en daarbij sneuvelt wel eens een ruit. Kapot gereden en -getrapte noten en dunschalige noten worden gezocht door huismussen en door vinken, groenlingen en kepen op de herfsttrek, die aldus de wintervetvoorraad met goei spul aanvullen.

Veel mensen oogsten de ongeveer rijpe noten allemaal tegelijk op een mooie dag in begin of midden oktober. Het iedere dag weer moeten zoeken van de vruchten tussen afgevallen blad en de al gauw slijmerig vies geworden bolsters is ook wel lastig. En men heeft dan ook geen last meer van jatters, of dat nou vogels zijn of kwajongens, en ook niet meer van vuile vette stoepen. Bovendien worden er dan geen vruchten meer kapot getrapt; want al zijn er noten genoeg, 't is toch zeund om ze kapot te treejen.

Door de hele boom klauterend worden dan de vruchten met een stok afgeslagen. Tegelijk worden de dode twijgen door dat slaan uit de boom geklippeld. In die tijd zijn de Leendenaren die notenbomen bezitten te kennen aan hun bruine vingers, die maar niet schoon te krijgen zijn. Want de basten geven een intense bruine kleurstof af. Het afslaan van noten wordt gunstig geacht voor de volgende oogst. De bomen moeten van tijd tot tijd worden geslagen is de algemene mening. Niet alleen hier trouwens, want een oud engels gezegde meent dat "vrouwen, spaniëls en notenbomen moeten worden geslagen om ze profijtelijker te maken." En in Leende vinden ze dat ezels, kwezels en notenbomen slaag moeten hebben.

Nog niet lang geleden werden de noten wel opgekocht door opkopers, het liefst in de bolsters. De bolsters gingen naar beitsfabriekjes en naar fabriekjes van haarverven en huidzalven, de noten naar banket- en koekfabrieken. Nog wel worden noten verkocht, aan groentehandelaren en bakkers. In Leende is nog een enkele opkoper. Er is ook nog wel vraag naar de bolsters voor het maken van kleurstoffen. Wol is heel goed te kleuren in een kooksel met notenbolsters.

Noten zijn lekker 'op sap'. Ze moeten dan direct na de oogst worden gepeld, want ook de velletjes moeten er af en die gaan later erg vast zitten; 150 à 200 noten en een pond suiker op een liter brandewijn. De vruchten zijn ook goed te konfijten. Ze moeten dan al eind juli worden geplukt. Notenlikeur is te trekken van vroeg geplukte vruchten en van notenbladeren. De rijpe noten zijn lekker om zo maar op te peuzelen (bij een glas of wat witte wijn), maar ook in sla, gebak, vlaai en pudding. Noten wekken de eetlust op. Een klein voorgerecht is gauw gemaakt: gebroken noten een half uur in het uitgeperst moes van onrijpe druiven zetten en met gehakte kervel of peterselie bestrooien. Walnoten zijn rijk aan calorieën, hebben een vrij hoog gehalte aan vetten en bevatten nog vrij veel eiwitten en bepaalde vitaminen uit het B-complex. Ze moeten droog en luchtig worden bewaard.

Notenbomen worden erg gewaardeerd. Niet alleen om de vruchten, het mooie sterke hout en de voordelen van schaduwen zo. Er werd een zekere kracht aan de boom toegeschreven. In de oude geneeskunde werden de noten gebruikt tegen hersenaandoeningen, ongetwijfeld om de gelijkenis van een gepelde noot met de hersenmassa. Maar ook waren er recepten met walnoten tegen kanker, eksterogen, brandwonden, hondsdolheid en vergiftiging. Ook aan katjes, bast en bladeren werd geneeskracht toegeschreven. Aftreksel van de schalen werd gebruikt tegen wormen en - op brandewijn - als maagmiddel. Sap van de bolsters zou helpen bij hoofdpijn, kinkhoest en rugklachten. Baden in aftreksels van notenblad helpt o.a. tegen gezwellen en huiduitslag. Sommige mensen verdragen de geur van notenblad niet en krijgen er hoofdpijn van.

De notenboom heeft een zware lompe kroon, hij is donker en somber. Vroeger schreef men aan de boom wel slechte eigenschappen toe in verband met heksen en duivels. Toch overwegen in de folklore de gunstige eigenschappen. De boom is vooral vrucht­baarheidssymbool (waarschijnlijk o.a. door de gelijkenis van de vruchten met teelballen) en dat verklaart ook iets van de aanplant zo dicht bij de huizen. Er zijn vele vruchtbaarheidsgebruiken, waarbij noten te pas komen. Noten worden over een bruid en tussen de bruiloftsgasten gestrooid. Sinterklaas is een beetje de vervanger van vroegere vruchtbaarheidsgoden, denk maar aan vrijers en vrijsters van speculaas, én hij strooit noten. Ook in de kerstboom werden noten gehangen. De mening dat vruchtbomen én jonge vrouwen moeten worden geslagen met stokken heeft ook te maken met primitieve vruchtbaarheidsgebruiken. Dat Leende een notenbomenstreek is zal wel iets te maken hebben met de kwaliteit van de grond, maar veel meer, denk ik, met de waardering van de Leendenaren voor deze bomen. Op voorstel van raadslid P. Verra besloot de gemeenteraad in 1927 om de pas verlegde, verbrede en verharde Strijperstraat vanaf de Klein Kerk tot in Strijp aan weerszijden te beplanten met notenbomen om de naam van Leende als notenland te handhaven. Van de toen geplante straatnoten staan er nu nog maar een dikke twintig. Er zijn in Leende erven met zes of meer notenbomen in alle leeftijden. Heel kostelijk is het jonge bogerdje van de fam. Kees aan de Valkenswaardse weg. De meeste oude noten zijn in de oorlog 14-18 gekapt om van het hout geweerkolven te maken. Dries Verhees heeft in die tijd tientallen oude notenbomen moeten vellen, die gevorderd waren voor de rijksartilleriewerkplaatsen bij de Hembrug.

De oudste en mooiste notenbomen zijn zeker die bij bakker Piet van Weert aan de Oosterikkerstraat en die van de wed. Liebregts tussen haar huis en dat van de fam. v. Iterson in De Doelen op Boschhoven. Deze bomen zijn misschien wel 150 jaar oud. De noot van Toon Bax aan de Oosterikkerstraat is zo'n 80 jaar oud. Op Oosterik stond op de hoek van het huis van Willeke van Meijl aan de straatkant een oude tweestamnoot. Bij een storm in 1963 verloor die een der twee stammen. Omdat er al jaren eerder een grote zwam in de mik groeide en de boom gevaarlijk werd geacht voor de straat is die toen omgekapt.

Een evenzeer Lindse boomsoort is de linde, hier 'leende' of 'leendenboom' . Er staan er nog heel wat, allemaal aan de straatkant, en er worden er hier en daar nog wel eens aangeplant. Net als noten zijn het echte erfbomen, die goed kunnen verdragen dat de grond rond de stam kaal en vast wordt gelopen. De linden staan soms heel dicht bij de huizen; dit heeft zeker te maken met het weren van overslaande branden en de beschutting tegen wind en storm.

Een linde waait niet gauw om; de sterk vertakte wortels hechten zich vast en diep in de aarde. Ook slaat de bliksem nooit in linden. Fel zonlicht en zomerhitte werd vroeger uit de huizen geweerd; denk maar aan de neerhangende bolletjesgordijnen, de bovenlichten van gekleurd glas en het sluiten van de vensterluiken op warme dagen. Ook linden werden tegen te fel licht en te grote warmte vooral aan de zuidkant van de huizen geplant, soms niet verder dan een meter van de gevel. Deze linden werden geleid, aanvankelijk langs latten, en ze werden jaarlijks gesnoeid tot niet te hoge knot- of leilinden, tot een soort 'haag op pootjes'. Oude leilinden zitten vol mooie grillige knobbels, waarop jonge loten uitbotten. Op pleinen en in straten worden linden geplant om de schaduw. Herinneringsbomen zijn haast altijd eiken of linden, denk maar aan koningslinden, bevrijdingslinden, levensbomen bij de geboorte van kinderen. Dat komt omdat linden geweldig oud kunnen worden. Er zijn in Duitsland linden bekend met kronen van wel zestig meters in doorsnee en leeftijden van tegen de duizend jaar. Bekend zijn de zeer dikke oude linden van Boertange, Oisterwijk, Tilburg, Uden en Vorden. Linden werden ook geplant op gerechtsplaatsen, bij kerken, bij bronnen en op andere gewichtige plaatsen; vgl. dorpslinde, boterlinde, waaglinde. Karel de Grote, overtuigd van de beschermende werking, bepaalde dat in elke plaats en zeker bij kerken en kapellen lindebomen moesten worden geplant. Bij de Germanen was de linde gewijd aan Freya (= vrouw Holle), godin van liefde, huwelijk en huiselijk geluk. De hoge ouderdom van linden, de bloesemgeuren en de hartvormige bladeren zullen zeker hiermee in verband staan.

De gewone of Hollandse linde, die hier het meest is aangeplant, Tilia vulgaris, is een bastaard van zomerlinde en winterlinde of resp. grootbladige en kleinbladige linde, T. platyphyllos en T. cordata, twee soorten die in Europa inheems zijn en die ook in oude bossen in Nederland sporadisch nog voor­komen. Veel aangeplante kweekvariëteiten van deze bastaard zijn cv 'Zwarte Linde' en cv 'Koningslinde'. Onze linden bloeien omstreeks midzomer aan hangende tuilen van elk vijf tot zeven bloemen. De heerlijk geurende bloemen zijn tweeslachtig, hebben één stamper, veel meeldraden, meestal vijf kelkblaadjes en evenveel kroonblaadjes. Elke tuil of bijscherm draagt een lang schutblad. De zachtgele bloei is gewoonlijk erg weelderig. De bloemen geven veel honing en in de zomer gonzen de lindebomen van de bijen en duizenden andere insecten, die op de lekkere nectar afkomen. Lindebloesemthee is gewoon erg lekker, maar werd vroeger ook wel gebruikt als zweetdrijvend middel, en bij griep, verkoudheid, reuma, nier- en blaaskwalen. Lindebloesemwater, extract van de bloemen, is een bekend middel tegen zomersproeten en rimpels, kaalhoofdigheid en hoofdpijn. Men kan de lindebloesems, die voor thee gebruikt gaan worden, beter niet plukken langs de drukke weg ivm giftige stoffen uit uitlaatgassen.

De vruchtjes zijn kleine viltige bolletjes, kleine nootjes eigenlijk. Middels het schutblad kunnen ze een eind door de wind worden meegenomen, maar de meeste vallen toch onder de boom. Waar veel nootjes blijven liggen, onder een heg of op andere plaatsen waar 't zo nauw niet komt, leven de prachtige vuurwantsen, liefst als er ook losse stenen, een oude muur met spleten en holten, houtstobben of andere schuilplaatsen in de buurt zijn. Het zijn geweldig mooie diertjes. De volwassen beestjes zijn ongeveer een centimeter lang, menierood met zwart, met een vreemde schriktekening op het bovenlijf als van twee ogen.

In de kolonies komen dieren van allerlei leeftijden voor, pas uitgekomen eieren, larven in alle leeftijden, eenvoudig rood met enkele zwarte puntjes, en grote uitgegroeide dieren met de volkomen tekening. Hun voornaamste bezigheid is vreten van zaden, liefst lindenootjes, en van dode insecten. De kleine dieren groeien snel. De volwassen imagines doen eigenlijk niet veel anders dan paren. Ze zijn het meest actief en dan ook het meest zichtbaar bij warm weer. De volwassen diertjes scheiden een aangenaam riekende stof af. Vuurwantsen komen in menigte voor op het erf van de Zandhoeve, bij de school in Strijp en bij de holle linden voor het leegstaande huis van Jan van Simonne (v. Kuyk) op Oosterik.

Bepaalde mijten en muggen veroorzaken gallen, vergroeiingen aan bladstelen, bloemstengels, bloemknoppen en bladeren. De bekendste gallen zijn groene, later bruinachtige, bobbelige en kegelvormige vergroeiingen aan boven- en onderzijde van de bladeren. De oorzaak is een galmug, die eitjes in zo'n wrattig blad heeft gelegd, toen het nog niet wrattig was. Galmijten veroorzaken scheve spitse op horentjes lijkende rode of gelige uitgroeisels op de bladschijf.

De kleverige vloeistof, honingdauw, die 's zomers van de bladeren drupt, zijn de uitwerpselen van bladluizen. Wanneer het weinig regent zet zich straatstof af op de kleverig geworden bladeren, die er dan vuil uitzien: de 'dauw' heet dan roetdauw. Het kan zo erg worden dat de huidmondjes verstopt raken, de boom in ademnood komt en een oplossing zoekt in het vergelen en voortijdig afstoten van de bladeren. Linden gaan er trouwens niet kapot van. Een kruisingsproduct, de krimlinde, Tilia euchlora, die glanzend-donkergroen blad heeft, en ook de zilverlinde, T. tomentosa, schijnen van deze roet- of honingdauw geen last te hebben.

De mooiste en grootste linden van Leende zijn zeker dé vier linden bij het café De Vier Linden in de Dorpsstraat. Het huis De Vier Linden is in 1684 gebouwd, en waarschijnlijk zijn ook in dat jaar of een jaar later de vier bomen geplant. Deze linden zijn dus al erg oud. Maar ze zijn gezond. Jac Bax heeft indertijd heel wat moeite moeten doen om van 'Den Bosch' gedaan te krijgen dat de bomen mochten blijven staan, toen ze bij het opnieuw straten van de Dorpsstraat in 1927 'in de weg' stonden. De bomen vertonen nog duidelijke sporen (enkele minder vitale takken) van de brand van De Klein Kerk van 13.8.1891, die tegenover De Vier Linden begon. De bomen hebben overigens zeker het overslaan van de brand naar het café voorkomen, hoewel er ook verteld wordt, dat Koba en Jan Bax toen niet afbrandden, omdat ze toevallig op bedevaart in Kevelaer waren. Wel meer lindebomen in Leende vertonen sporen van een der grote Leendse branden: 1877 en 1889 Boschhoven, 1891 De Klein Kerk, 18.5.1922 strohulzenfabriek en omgeving in 't centrum, 8.5.1927 Oosterik. Maar veel van de oudere huizen zijn zeker van brand gevrijwaard gebleven door de bescherming van de frisse kronen van note- of lindebomen, die overwaaiende vonken hebben tegengehouden.

En dan zijn er de zeven prachtige linden bij de kerk, de drie grote linden van Scheepens op Strijp, de zes linden op De Klein Kerk, de twee linden op 't Eindje en de drie knoepers voor het huis van Tinus van Son, waarbij ook drie grote iepen en een oude eik staan, de kroonlinde van het Kaatsveld en de linden van de Renhoek. Er staan vier mooie linden voor Den Hospes en er vlakbij nog twee, tegenover den hof van Peer van Duyn. En dan staan er 21 mooie linden bij de Sint-Janskapel, én 21 eiken; de eiken aan de buitenkant, de linden rond de kapel en langs het pad erheen. Ook op Oosterik zij n heel wat linden. De meeste daarvan zijn van gemeentewege geplant in 1927 en in 1931, misschien wel als reactie op de brand van Oosterik. Later zijn ook op Strijp (Zandbergstraat, Paaldijk, Pleintje) en langs Lindenlaan en Oosterikkerdijk nog linden geplant. Een geweldige oude holle lindeboom moet er gestaan hebben op De Klein Kerk bij het huis van 'de Spiering', waar nu de Irislaan op de Dorpsstraat uitkomt. Deze boom was zo dik en geweldig, dat de kinderen er in speelden. De boom werd gevaarlijk en is 60 à 70 jaar geleden gekapt.

Er zijn nog meer mooie bomen in Leende. De twee grote platanen met erg breed uitgegroeide voeten voor het huis van Jan van Kleeskes (van Mierio) op Oosterik. De grote populier bij de Schop van Peer van Duyn naast Den Hospes. En de tweestampeppel op de hoek van de meidoorntip van Thijs van Gastel aan de Broekerstraat. De eiken van de Heerstraat. En de eiken van Langstraat en Maarheezerweg, die in 1855 of 1856 werden gepoot, toen de weg van Eindhoven over Geldrop, Heeze, Leende en Maarheeze pas een verharding van klinkers had gekregen. In de kommen van Geldrop en Heeze en tussen Heeze en Geldrop zijn alle overgebleven eiken van deze mooie oude laan een jaar of tien geleden gerooid. Tussen Zevenhuizen en Maarheeze werden al veel eerder eiken langs deze weg geveld bij de aanleg van de E9, en nog maar korte tijd geleden verdwenen er weer een aantal op De Zevenhuizen en in Maarheeze bij de baansver­dubbeling van deze rijksweg.

De overgebleven eiken in ons dorp en verderop tot bij de molen in Heeze zijn nog geen 120 jaar oud, maar er zijn al heel dikke en hoge knapen bij. De al grote treurwilg op de Broekerheuvel werd door Jan van Weert als 'Beatrix-boom' geplant op 1.2.1938 om 12 uur 's middags. Veel oude bomen in de kom van Leende hebben aan vitaliteit ingeboet door de rioleringswerken van een jaar of tien geleden, toen er veel wortels zijn afgekapt en de grondwaterstand door bronbemalingen maandenlang erg laag was. Ook de kleine hoogstambogerdjes en de alleenstaande fruitbomen op de erven door heel Leende heen zijn gewaardeerde groene bijdragen.

De oude fruitrassen hadden kostelijke namen: zoerappel, zuujteppelkes, zije hempjes, haawappel, ogstappel, rabaawappel, sterappel, bellefleurkes, goudrenetten, streufappel, zigeunerinnen, kuitelpirre, suikerpirre, kannewijpirre, botterpirre, vijgepirre, winterpirre, bergamottepirre. De meeste oude fruitsoorten zijn verdwenen. Hier en daar staan nog enkele mooie leiperen aan oudere gevels. Bij Scheepens op Strijp staat nog een oude krent en schuin er tegenover is een oude hoekmeidoorn bewaard. Oude mispels zijn er in Leende nog maar een stuk of drie. Aan het huis op De Kievitenbult staat een oude witte druif aan de gevel. Druiven worden tegenwoordig weer meer tegen huismuren en 'schansen' aangeplant. Er zijn enkele sterke rassen witte en ook blauwe druiven voor buiten bij de kwekers verkrijgbaar. Als bijzonderheid wordt in de Kronijk van Heeze vermeld, dat op 30.8.1834 "te Leende bij Hendrikus van Engelen .... op denzelfden wijngaard rijpe blaauwe druiven en te gelijk bloeijende of blomtrossen" groeiden.

Sommigen hebben een hekel aan bomen, omdat ze iedere keer weer noodzaken tot straatvegen, eerst de knopschubben, later de uitgebloeide bloesems, weer later de vruchten en de bladeren. Anderen willen nog gezonde bomen weg hebben omdat een etalage dan beter opvalt of om een uitrit ruimer te maken. Aan alle moois en nuttigs zitten nu eenmaal bezwaren. We moeten allemaal maar wat over hebben voor het fijn en sfeervol houden van de sgonste plats. En bomen groeien langzaam; verdwenen bomen hebt ge zo maar niet terug. Oude bomen zijn eigenlijk niet te vervangen. En mooi en nuttig en,laten we eerlijk zijn, onmisbaar zijn onze bomen toch eigenlijk ook. En dan nuttig in veel opzichten, want behalve de hiervoor al aangegeven voordelen is er ook nog het algemeen bekende nut voor iedereen door zuurstofproductie, het zuiveren van de lucht door het vangen van stof en giftige gassen in de bladerkronen, en door het verstrekken van woongelegenheid aan velerlei vogels en aan al die honderden kleine diersoorten, die zonder de bomen geen levensmogelijkheid hebben.

En dan de heggen, levende muurtjes om tuinen en hier en daar zelfs om een heel 'aangelog'. Leende en Strijp hebben heel wat oude heggen, die nog elk jaar een of twee keer, keurig of wat minder keurig, worden bijgeknipt. Binnen de dichtst bebouwde delen vonden we in juni 1973 in Strijp bijna 2100 en in Leende ruim 9300 strekkende meters kostbare oude en jongere hagen, die het bewaren waard zijn; jonge liguster- en coniferenhagen zijn daarbij niet meegerekend. Er zijn allerlei soorten hagen. Rond bogerdjes en aangelagen zijn het meestal doornhagen, vooral van meidoorn, ook wel gemengd met de zeer dicht vertakte sleedoorns (kattekersen) en hier en daar zelfs met een enkele verdwaalde egelantier. De sleedoorn bloeit al in april en zo'n heg draagt dan uitbundige witte vlekken alsof er nog vlagen sneeuw op liggen.

Rond tuinen zijn het beukenhagen, die het oranje­bruine winterblad houden tot de beuken weer groen worden. Dat gebeurt trouwens in etappen; niet alle planten lopen op dezelfde dag uit. Er kan wel een week of langer tussen zitten en begin mei bestaan de beukenhagen dan ook uit afwisselend bruine en teergroene gedeelten. Aan achtertuinen van Dorps­straat en Kattestraat zijn die beukenhagen wel drie meter hoog en meer dan een meter breed.

Als de mens, die binnen zo'n heg woont te oud is geworden of overlijdt, of om andere redenen, wordt zo'n haag soms niet meer geknipt en schiet door. We herkennen zo'n vroegere haag dan aan een rij fors opgeschoten, nu vrijuit groeiende beukenbomen, meestal nog heel dicht opeen, door uitdunnen of afsterven soms verder van elkaar. De beukenboomrijen bij Hein Rutjes (Halvennestraat), bij de wed. Liebregts (Boschhoven nr 1) en bij Thijs van Gastel (Broekerstraat) zijn afkomstig uit vroegere doorgeschoten hagen. De prachtigste beukenbomenhaag staat voor het erf van de fam. Vorstman (Boschhoven 33): 25-35 cm dikke stammen met niet meer ruimte ertussen dan een halve meter, tussen sommige bomen is het nauwelijks 20 cm. Ook tussen Verberne en van de Berg (Boschhoven 46 en 48) staat zo'n doorgeschoten haag, maar hier staan er ook eiken en iepen tussen. Want ook iepehagen zijn er in Leende. De soort is meestal een kurkiep met kurkachtige uitgroeisels op takken en twijgen, een van de vele bastaarden van de veldiepen . Aan de jonge loten van haag iepen vinden we altijd dikke aardappelachtige holle blaasgallen waarin bladluizen wonen. De planten van zo'n iepehaag kunnen erg oud worden. Enkele in een haag doorgeschoten iepen, nu al flinke bomen, vinden we op Boschhoven naast nr. 19.

Hier en daar, vooral op Strijp, zijn nogal wat heggen van 'harrentar' , zo genoemd naar de sterk door elkaar kronkelende takken, vooral bovenin de haag. De plantensoort heet haagbeuk (Carpinus betulus), die vrij ver familie is van de beuk (Fagus silvatica) en daarmee eigenlijk alleen een stukje naam en de geschiktheid als haagplant gemeen heeft. Botanisch is er nogal wat verschil tussen deze twee soorten. In de Renhoek en op Strijp vinden we haagrestanten in de vorm van enkele nu vrijstaande hoge en brede harrentarren, die niet·meer geknipt worden. Op enkele plaatsen zijn nog hagen van de altijd-groene hulst: aan de Oosterikkerdijk, bij Den Hulsbosch, in de Renhoek, en een enkel stuk in achtertuinhagen van de Dorpsstraat langs het Kerkpad.

En dan hebben we de gemengde hagen. Beuk en haagbeuk staan wel eens door elkaar, en ook meidoorn en sleedoorn. In doornige hagen zit dikwijls nogal wat veldiep. Soms schiet er spontaan een lijsterbes, een hazelaar of een berk in een oudere haag op. Oudere heggen zijn dikwijls gerepareerd met andere soorten. Dikwijls met vlier, omdat die zo gemakkelijk is bij te stekken en stekhout altijd bij de hand is. Maar in opengevallen plaatsen komen de vlieren er ook wel 'vanzelf', dwz door de vogels, die de vlierzaden juist via de heggen verspreiden. Hier en daar zijn machtige vlierhagen meters breed en hoog opgeschoten. Het kort houden van een vlierehaag is ook haast niet bij te houden, zo snel groeien ze. De vlier is overigens een echte oude functionele boerenerfplant, die geluk brengt en de wedergeboorte verzinnebeeldt, en waarvan bloesems (thee), bessen (jam, verfstof) en twijgen (fluitjes) te gebruiken zijn. Op de zware vlierbloesems komen veel insecten stuifmeel en honing halen: allerlei vliegen, zweefvliegen, bijen, wespen en kevers. Ook zijn oude heggen wel bijgestekt met bindwilgstekken. Op ieder erf stond vroeger een rijtje bindwilgknotjes, waarvan de eenjarige oranje-gele twijgen nodig waren voor vlecht-, bind- en reparatiewerk.

Hier en daar vinden we in achtertuinhagen nog zo'n vriendelijk haagpoortje, meestal in beukenhagen. Een gat in de haag met soms daarin een hekje of deurtje, dat dan overgroeid is met een keurige door knippen en leiden verkregen levende boog. De hoekplanten in een beukenhaag liet men wel eens hoger uitgroeien en ze werden wel in model geknipt, in de vorm van een bolletje, soms met een of meer schijven daar onder, en ook wel in de vorm van een vogel. Dit gebruik is verwaarloosd, we zien nog maar zelden van die gemodelleerde hoekplanten. Wel zijn er op enkele plaatsen grote bomen op de hoeken, van dezelfde soort als de haag. Bij Peer en Nel van Alphen staat vooraan in de haag een grote dikke beuk, 'nen hele schone, d'n hoekbeuk, die misschien aanvankelijk wel als bol of als beest is geknipt. De rest van die haag daar begint trouwens ook al aardig op een beukenbomenrij te lijken.

De oudere hagen zijn eigenlijk allemaal kleine maar kostbare natuurreservaatjes. Veel insectengrut, dat nut en functie heeft in het huishouden van de natuur, woont en leeft in hagen. De vogelrijkdom van ons dorp is voor een groot deel te danken aan de oude hagen, waarin de vogels nesten bouwen en voedsel zoeken. Kneutjes, heggenmussen, winterkoninkjes, braamsluipers, staartmezen, kwikstaartjes en ook de vele merels wonen liefst in oude dichte heggen. Ze bouwen de nesten bovenin, meestal juist efkes onder het nieuwe lot, precies onder de zone, waar elk jaar de loten afgeknipt worden en waar de haag dichter en takkiger is; haagknippers, opgelet dus. De meikevers (mulders) kennen we allemaal van de beukenhagen; ze nemen wel sterk in aantal af. En onder grove hagen, waar dor blad blijft liggen, woont hier en daar een egel. De grappige veld- en huisspitsmuisjes (insecteneters!) zijn ook sterk gebonden aan de ruigte onder hagen en struiken. Tegen en in hagen vinden we allerlei fijne planten, dikwijls eigenlijke bos- en bosrandplanten. Haagwinde (pispotjes), bramen in verschillende soorten, kamperfoelie en zelfs hop slingeren zich door en over hoge heggen. De giftige dolle kervel, witte dovenetel, berenklauwen en dagkoekoeksbloemen. Zevenblad, dat zo lekker ruikt naar geschrabde worteltjes. Smeerwortel (zwartwortel), die vroeger in den hof als geneeskruid werd gekweekt. In mei bloeit hier en daar het tluitekruid massaal langs de weg in de luwte van een haag. Allerlei zuringen en de verdwenen maar weer ingevoerde hartgespan. En brandnetels natuurlijk, en diverse grassen, hondsdraf en op vochtige plaatsen speenkruid, hier en daar een wijfjesvaren en robertskruid. Lange bloeistaarten van het vingerhoedskruid schieten op vele verloren plekjes tegen de hagen op. In de pastorietuin en op het kerkhof doen dat de zwarte toortsen met mooie gele bloeikaarsen. Verloren zaden van judaspenning, hemdskneupkes, goudsbloem en tlieren, oude boerenhofkesplanten, ontkiemen 'per ongeluk' tegen de haagkant.

Vooral op Oosterik groeit de stinkende gouwe onder en in veel heggen. De blauwgroene plant heeft gele bloemen en de vruchten zijn als handjes met heel dunne lange vingers. De plant is een 'wilde' inheemse soort, maar werd vroeger gekweekt als geneeskruid, o.a. door Driek van Cas van Meijl, die woonde op Oosterik, waar nu d'n achterom van Harrie en Wim van Meijl is. Het verse oranje plantensap van de stinkende gouwe is een middel tegen wratten en likdoorns. Die van Meijl kweekte ook bilzenkruid. De zaadjes daarvan werden gekweekt als pijnstillend middel, vooral bij kiespijn. Het zaad werd in kokend water gedaan; de lijder moest dan een tijdlang met open mond boven de dampende ketel hangen, met een dikke neuzik over het hoofd om geen damp verloren te laten gaan. De moeder van Tinus Weyers heeft begin deze eeuw op deze manier nog veel mensen van de pijn geholpen. Bilzenkruid heet hier 'tandpienezaod'. Bij vergissing wordt dan ook door sommigen de stinkende gouwe wel tandpienezaod genoemd.

Steeds meer hagen worden niet meer geknipt en af en toe zien we weer ergens een stuk rooien. Te veel nieuwe en vervangende hagen worden gemaakt van niet streekeigen haagsoorten : liguster, rode berberis en coniferen. Dat is jammer. Leende heeft door de vele oude hagen zo iets eigens, dat de sgonste plats toch eigenlijk moest kunnen bewaren.

 




   naar het begin


einde