Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Dieren
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Dieren in de kerk en bij de mens, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "Dur zinder wel die in de kerrek wone"  Dieren in de kerk


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


Dieren in de kerk en bij de mens

Heel wat diersoorten treffen we steeds en overal aan in de naaste omgeving van de mensen. Bepaalde dieren maken zelfs een dankbaar gebruik van menselijke woningen. Het sprekendste voorbeeld is zeker de huismus, die het helemaal van de mens moet hebben en daarvoor vroegere levensgewoonten heeft verlaten. Aanvankelijk trok deze soort met het paardenvolk mee en woonde toen nog in boomnesten. Nu bouwen huismussen alleen nog slordige nesten onder de daken van onze huizen.

Ooievaars wonen op daken. Op een tekening van onze kerk, in 1738 gemaakt door Jan de Beyer, is een ooievaarsnest afgebeeld op de daknok. Zwarte roodstaartjes en gier-, huis- en boerenzwaluwen zien stenen huisgevels als rotswanden. Deze soorten hebben hun verspreidingsgebied tot ver buiten de gebergtestreken vergroot met menselijke steden en dorpen, rotspartijen eigenlijk met nog ravijnen daarin ook. De bakkerskrekel of kriekske woont in warme bakkerijen,
maar ook in cv-kelders en in broeiende vuilstorten. In holle muren wonen vleermuizen, wespen, hommels en spinnen. En in brievenbussen bouwen koolmezen en gekraagde roodstaartjes graag hun nesten.

En zo zijn er dieren die in kerken wonen, op de gewelven en in de torens. Ze zijn daar ook naar genoemd: torenkraai of kauw, kerkuil en kerkduif. En de torenvalk, die nog 'bidt' ook. Ze zijn niet bepaald aan deze ruimten gebonden, maar het is wel zo, dat enkele van deze soorten zonder gastvrije kerken hier in veel mindere mate zouden voorkomen. In ons torenjaarboek kunnen we over deze trouwe kerkgangers natuurlijk niet zwijgen. De aardigste kerkbewoners zijn zeker de kauwtjes, die net als het vroegere kerkvolk altijd met velen zijn en helemaal in het zwart gaan, tot en met snavel en pootjes. Ze stappen en praten als mensen en hebben ook in hun overige doen veel menselijks, misschien omdat ze al zo lang bij en tussen ons wonen. De kerkuilen zijn het tegengestelde: als zwijgzame witte monniken peinzen ze bescheiden en teruggetrokken de dag door in stille donkere hoeken en nissen.

Duiven
De 'kerkduiven' zijn verwilderde tamme duiven. Postduiven en sierduiven stammen allemaal af van de wilde rotsduif van Zuid-Europa en West-Azië.
Vermoeide of uit de koers geraakte postduiven sluiten zich aan bij de soms grote populaties kerk- of torenduiven, die in de grote steen massa van kerk en toren het oorspronkelijk milieu van hun afkomst herkennen. De grijze torenduiven telen vrolijk voort; er is plaats genoeg en voedsel is er ook zat op de velden en tussen de huizen. Ze worden in sommige plaatsen, waar ze 'pleinduiven' heten, ook wel door de mens gevoerd. Bastaardering met onze inheemse hout-, holen- en tortelduiven komt niet voor. De dieren lijken na enkele generaties al weer sterk op de oorspronkelijke rotsduiven, maar nieuwelingen, sier- of postduiven, die de populatie komen versterken, geven steeds nakomelingen die weer afwijken in kleur. In Leende wonen de kerkduiven op alle plaatsen, die ze in kerk en toren maar kunnen bereiken. We vonden ze overal boven de gewelven, onder en boven de klokken en zelfs op de wenteltrap in de zijtoren. Kerkduiven kunnen zo talrijk worden, dat ze schade doen aan gewassen. In elk geval bevuilen ze de zaak met mest en nestmateriaal en ze kakken op de daken. Vroeger werden deze duivenpopulaties op toelaatbaar peil gehouden door sperwers en andere stootvogels. Slechtvalken op de trek bleven soms wekenlang en bij zacht weer hele winters op een toren zitten, elke dag enkele duiven grijpend. Kerkduivenplagen moeten nu door vangen worden bestreden. In de loop van 1973 is het aantal door ingazen van de toegangen wat beperkt en ook heeft Harrie Aarts er met zijn vangapparaten heel wat kunnen wegvangen. Daarmee verviel de kerk ook wel als woonplaats voor kerkuilen, maar daarvoor is later een bevredigende oplossing gevonden.

Kauwen
Kauwtjes (kewwe) zijn welgevormde vogels, gladglimmend zwart met zachtgrijze nek en met heel mooie schrandere grijze ogen.
Ze zijn vriendelijk en levenslustig. Ze gunnen zich heel wat tijd om te spelen met elkaar en met storm en wind. Vooral rond de toren waar vreemde val-, stijg-, dwarrel- en trechterwinden optreden is dat goedbeheerste windspel van de kauwen prachtig om te zien.
Het zijn holenbroeders, die graag in holle bomen wonen. Maar ze zijn aan de mens gewend en horen helemaal bij de stad en het platteland.
Omdat ze weinig schuw zijn bouwen ze eigenlijk ook het liefst hun nesten in schoorstenen en kerktorens en zelfs in ruines.
In 1973 woonden de Leendse kauwkes in enkele schoorsteen kolonies (o.a. Beukenlaan en bungalowpark), bij het kuurchalet, op torentjes en zolders van de Kluis, en tegen de kerktoren in galmgaten en op galmplanken aan de buitenkant van de torenwand. De nesten worden gebouwd van liefst verse twijgen, die ze heel handig met de snavel uit de bomen draaien. De eerste takken laten ze eenvoudig in een verkozen schoorsteen vallen; er blijft er allicht een hangen, die volgende takken ook tegen kan houden. Onder ongelukkig gekozen nest­plaatsen op schuine muren en te smalle balken in kerktorens liggen gewoonlijk grote vrachten naar beneden gevallen nestmateriaal. De nesten worden bekleed met schors, plastic zakjes, snoeppapiertjes en dergelijke.

Kauwen zijn zeer sociale dieren. Dat manifesteert zich duidelijk in grotere broedkolonies. Maar ook zien we dat na de broedtijd in de grote troepen kauwen die gezamenlijk voedsel zoeken in akkers en weiden en 's morgens heel vroeg ook in onze tuinen. De herfst- en wintertroepen van onze kauwkes (standvogels) zijn gemengd met roeken, overwinterende bonte kraaien en met doortrekkende en overwinterende noordelijke kauwen. Tegen de avond trekken ze naar een gezamenlijke slaapplaats. In '73 verzamelden de kauwen zich tegen de avond vooral in een gebied tussen de Tongelreep en de Kromme Weg door 't Leenderbos. Ze vallen in de populieren langs de rivier en in sparren langs de bosrand, maar ze vliegen op voor ieder nieuw aankomend troepje dat uitbundig wordt begroet. Ze spelen nog lange tijd in en om de open plek rond het Dorven. Na prachtige massale speelvluchten vallen ze tenslotte pas als het goed donker is groep voor groep in op de definitieve slaaptakken van een dicht dennebos daar vlakbij. Het is daar dan een lawaai van jewelste, waarbij de kauwen stemmen heel goed van die van roeken en bonte kraaien zijn te onderscheiden. Ze praten en ruziën net zolang tot iedere vogel dicht bij zijn partner of bij zijn ouders een goede slaapplek heeft gevonden. In de ochtendschemering zijn ze al weer terug op de foerageerplaatsen.

De familieband is bij de kauwen heel sterk. Oude kauwen onderwijzen hun jongen in de genoegens en gevaren van het kauwen leven. De jongen missen elk aangeboren instinkt voor vijanden; de ouders geven werkelijk de eigen levenservaringen aan de jongen door. Binnen de kauwengemeenschap heersen bepaalde regels en gewoonten. Ze zijn altijd bij elkaar. Kauwen kennen elkaar precies, net zoals mensen elkaar kennen aan gezichtsuitdrukking, houding, stem en manier van lopen. De kauwtjes spreken een ingewikkelde stemmentaal, die wordt aangevuld met ogentaal en door imponeer-, dreig-, aanvals-, afweer-, verlegenheids-, angst-, lok-, bedel-, enz.-houdingen en ook met koketteren, pronken en liefkozen. In de gemeenschap heerst een strenge rangorde, die wordt bepaald door moed, kracht en zelfverzekerdheid. Het is typisch, dat een hogergeplaatste kauw alleen 'hard' doet tegen een naast lagere in rang.

De kauwenmajoor straft nooit de kauwensoldaat af, wel doet hij dat de kauwen­kapitein en deze zal de opgedane nijd kunnen afreageren op de kauwenluitenant. Twisten tussen lager geplaatsten worden door hogere kauwen beslecht en er wordt partij gekozen voor de zwakste, vooral bij nestplaatsgevechten. Een soortgenoot wordt verdedigd met felle ratel houwen op de aanvaller. Kauwen hebben echt verkering - minstens een jaar - en huwen daarna voor het leven. Let maar eens op buiten: kauwen vliegen steeds paarsgewijs, op schoorstenen en tv-masten zitten ze altijd twee aan twee lekker dicht tegen elkaar. De bruid stijgt onmiddellijk na het huwelijk tot de hogere rang van de bruidegom; een kauwenjongeling mag niet met een meisje uit een hogere familie huwen, omgekeerd mag dat wel. Zo'n boven haar stand gehuwd kauwenbruidje raakt in de war. Ze kent de gewoonten binnen haar nieuwe stand niet en gaat bijv. zonder reden 'op haar strepen staan' door naar te doen tegen lager geplaatsten, haar vroegere rang­genoten; ze wordt verwaand. Kauwen kunnen donders jaloers zijn, maar ook aanhankelijk, trouw en dankbaar, betweterig en eigenwijs; iedereen die wel eens een Tjam, Hans of Gerrit had, weet daarvan.

Kerkuilen
De kerkuil (kransuul) is tegenwoordig een van onze zeldzaamste vogels. Het totaal aantal broedparen in Nederland ligt volgens recente schattingen beneden de 300. Zelfs in Oost-Brabant, Overijssel en Achterhoek, de dichts bezette kerkuilengebieden, is de stand lager dan ooit. Van de sinds 1962 door onderzoek van de stafafdeling Natuurbehoud van het Staatsbosbeheer bekend geworden kerkuilen wonen de meeste inderdaad in kerken, en wel bij voorkeur op de kerkzolders. Vroeger woonden waarschijnlijk veel meer uilen in boerderijen en ook wel in holle bomen, en in molens, pakhuizen en leegstaande huizen, zowel in steden als op het platteland.

De soort is nooit talrijk geweest. Kerkuilen gingen vroeger - en misschien ook nu nog wel - door voor geheimzinnige bangmakers, die ongeluk en dood brachten of tenminste aankondigden. Zijn bangmakend geschreeuw en gesnuif moest een uil dikwijls met de dood bekopen; hij werd levend boven een schuurdeur gespijkerd. Ze maken ook wel erg nare geluiden. Een slapende kerkuil snurkt en steunt als een slapend mens. Hij kan akelig schreeuwen, maar ook sissen, blazen, kreunen en keffen. De moderne bedreigingen zijn zeker zo groot. Het is bekend, dat door gechloreerde koolwaterstoffen (afkomstig van insecticiden), die ze via prooidieren binnen krijgen en die zich ophopen in de vetweefsels, roofvogels onvruchtbaar worden en verlamd kunnen raken.

Kerkuilen worden gevangen omdat ze zo mooi zijn om op te zetten. Het verkeer vergt ook slachtoffers. In jan. '73 werd een doodgereden kerkuil gevonden langs de E9 ter hoogte van Zevenhuizen. Ook strenge winters met veel sneeuw zijn voor uilen grote rampen. Het verdwijnen van de kerkuil is vooral te wijten aan de moderne landschapsbehandeling met als gevolg schaalvergroting door o.a. boerderijverplaatsing, krotopruiming, recht trekken van alles wat bochtig en vriendelijk is, ontwatering, chemische bestrijding, mechanisatie, en ook het uitruilen van rust tegen onrust. Er zijn ook te weinig ruimten waar de vogels rustig kunnen overdagen en broeden. Boerenschuren worden tegenwoordig heel anders gebouwd dan vroeger. Loodsen zijn veel te open. De nieuwe stallen zijn helemaal dicht en hebben vaak niet eens zolders. Er zijn haast geen boerderijen meer met zgn 'uilegaten' in de kopse gevels; de nog aanwezige uilegaten zijn meestal dichtgestopt. Ook op grote woon- en pak­huizen kunnen de uilen niet meer binnen. En veel ruimten in torens en kerkgewelven worden dicht­gegaasd tegen kauwen en duiven.

Kerkuilen hebben voorkeur voor kleinschalige intieme landschappen met enig reliëf, waarin bovendien beekdalen liggen en waar veel afwisseling is in begroeiing. Leende blijkt dus heel geschikt, mits de kleinschaligheid wordt behouden. En er moeten wel gebouwen zijn waar de uilen binnen kunnen. Door het plaatsen van zgn uilenkisten kunnen de kerkuilen belangrijk worden geholpen en blijven toch de zolders vrij van vogels. Willem geeft hierover graag nadere inlichtingen. Op de kerkzolders van onze kerk is in november '73 zo'n kist geplaatst. Over de kerkuilen van Leende is weinig precies bekend. Vermoedelijk broedden ze vóór 1960 geregeld op de kerkgewelven. Op 6.10.'71 werden er nog verse braakballen gevonden, maar een broed geval in dat jaar wordt onwaarschijnlijk geacht. In 1972 hebben er volgens de koster met succes kerkuilen op de kerkzolder gebroed. Van de tussenliggende jaren ontbreken gegevens. Toch worden er geregeld kerkuilen in het dorp waargenomen. In '72 is er eenmaal een geweest in de uilenkist op de zolder van De Gulden Armoede.
In '73 werden geen uilen op de kerk gezien; gevolg van het ingazen van de invlieggaten tegen de duiven.
Op de Achelse Kluis brachten kerkuilen in een landbouwschuur in 1971 vier jongen groot. En in de zomer van '73 waren daar kerkuilen
in het zgn Leendse torentje; een uil werd gezien en er werden twee verlaten eieren gevonden; broeden in dat jaar is niet zeker.

Kerkuilen zijn niet zo groot, nauwelijks groter dan een kauwtje. Maar door de rechtop-houding lijken ze wel groter. Ze leunen graag tegen een wand of tegen elkaar. Kerkuilen hebben een mooi hartvormig maar mysterieus blank gezicht in een grote kop zonder oorpluimen. Kerkuilen zijn mooi, ook al hebben ze x-benen. Een geweldige vracht lichtoranje en honingbruine en zilveren veren; op elke veer een zwart puntje en net daarachter een licht vlekje. Borst, poten en gezicht zijn meestal wit. De donzige verendracht, tot op poten en tenen toe, neemt elk geruis op en verduistert zo de uilenaanwezigheid aan nachtelijke viervoetige wandelaars. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zoogdieren: muizen (ook spitsmuizen), vooral ook veel ratten en ook wel een enkele mol en af en toe een klein konijntje. In de schemering wordt vooral gejaagd op mussen. Uilen slokken hun voedsel in enkele slikbewegingen naar binnen; alleen grote prooien worden in stukken getrokken. De onverteerbare botten, haren en veren worden als dikke zwarte braakballen uitgespuwd. Aan die kotsballen is de aanwezigheid van uilen vast te stellen, als ze soms niet 'thuis' mochten zijn. In onze streken is de kerkuil standvogel. De eenmaal ergens gevestigde dieren vertrekken zelden naar elders. Het is mogelijk dat kerkuilen in januari al aan een broedsel beginnen. Soms broeden ze in december al (of nog?).

In goede muizenjaren kunnen twee en heel soms wel drie broedsels worden groot gebracht. In de regel telt een broedsel drie tot vijf jongen. Kerkuilen bouwen geen nest. De witte eieren worden - gewoon tussen de braakballen in - gelegd met tussenpozen van twee of drie dagen. Het wijfje begint direct op het eerstgelegde ei te broeden. Het leeftijdsverschil tussen het oudste en het jongste kuiken kan dus wel een dag of tien bedragen. Dit is bij alle uilen het geval. Er is uiteraard steeds een opmerkelijk verschil in de grootte van de kuikens. Deze methode lijkt erg ondoelmatig, maar blijkt integendeel erg praktisch om in slechte voedseljaren de soort in stand te houden. Immers, wanneer er maar weinig muizen . bemachtigd kunnen worden zullen vooral de oudste jongen het aangebrachte voedsel krijgen. De jongere kunnen niet concurreren tegen de grotere en sterkere oudere kuikens en komen dan ook in slechte voedseljaren om.
In zeer slechte jaren gebeurt het wel dat maar een jong uitvliegt. Maar dat is er tenminste één! Wanneer alle jongen even oud en even sterk (of liever: even zwak) zouden zijn, zouden ze in een slecht jaar allemaal tekort aan voedsel hebben en omkomen. De instandhouding van de soort, die zich juist door slechte tijden heen moet slaan, zou hiermee niet zijn gebaat.

In de vierde maand zijn de jonge uilen volwassen. Ze worden door de ouden, die aan een nieuw broedsel beginnen, niet meer als jong beschouwd, doch als concurrenten in het gebied, waaruit ze dan zelfs worden verjaagd.

Torenvalken
zijn vrij kleine roodbruine valkjes van het open veld. Ze bouwen zelf geen nest, maar gebruiken meestal oude kraaiennesten in bossen, kleine bosjes of alleenstaande bomen. In poldergebieden, waar maar weinig bomen zijn, wonen ze ook wel in kerken en molens e.d. Er woonde jarenlang een torenvalkpaartje op de oude alleenstaande Woenselse toren. In 1969 broedde een paartje in een van de torens van de Sint Katrien in Eindhoven. Het is niet bekend of er in of tegen de Leendse toren ooit torenvalken gebroed hebben. Torenvalken lijken tegen de verdrukking in toe te nemen. In Leende was de stand in 1973 tamelijk hoog: één paar in de bossen bij het kuurchalet, één paar aan de Paaldijk, één paar op het landgoed Mariahoeve, en zeker twee à drie paar in het Leenderbos en op Valkenhorst. Aan de Waterstraat werd een broedend wijfje van het nest geschoten. Ook van eerdere jaren zijn broedgevallen in dezelfde nesten bekend. De drie jongen van het kuurchalet werden op 13.7 op het nest geringd. Twee ervan werden al gauw terug gemeld en wel uit geheel tegengestelde richtingen. Beide werden dood gevonden: het ene op 2.8 in Houdain (Pas de Calais Fr.), het andere op 3.10 in Geveshausen (Oldenburg WDld.).

Torenvalken leven vooral van muizen. De prooi wordt gevangen door langdurig stil hangen in de lucht, haaks op de wind, het zgn. bidden. Met licht fladderende vleugels en de naar beneden gerichte gespreide staart kan deze positie een hele tijd worden volgehouden. Intussen spieden de scherpe valkogen het terrein af naar prooi. Wanneer een muis, kever of sprinkhaan wordt gezien daalt het valkje om op steeds lagere niveaus opnieuw te bidden, tot de geschikte hoogte om toe te stoten is bereikt. Torenvalkjes zien we steeds bidden langs de E9 en verder kunnen we ze zomer en winter overal i n het open veld aantreffen. 

Vleermuizen
En dan nog even iets over de vleermuizen. Want op veel kerkzolders wonen in het zomerseizoen vleermuizen. Vooral oude met leien gedekte kerkdaken hebben de voorkeur, waarschijnlijk omdat de zolders daaronder warmer zijn en daar geen tocht of trek optreedt. Maar dat vormt meteen een ernstige bedreiging voor de vleermuizenstand in het algemeen. Tegen houtwormen en boktorren zijn lindaanpreparaten in de handel. IJverige firma's reizen stad en land af om pastoors en dominees en kerkbesturen een dure behandeling met deze gevaarlijke middelen aan te praten. De bespuitingen met lindaan heten preventief te zijn en inderdaad blijven de giftige gassen op dichte kerkzolders jarenlang hangen, maar het is natuurlijk onzin bestrijdingen uit te voeren op kerken waar nog geen sprake is van houtaantasting door houtwormen of andere insecten. Vleermuizen zijn de belangrijkste verdelgers van deze schadelijke houtinsecten, terwijl door deze gevaarlijke bespuitingen de vleermuizen en zelfs kerkuilen sterven. Vleermuizen zijn dan ook de laatste tien jaren overal belangrijk in aantal afgenomen.

Tijdens het zomerhalfjaar wonen vleermuizen in holle bomen, achter vensterluiken, in spouwmuren en dergelijke, maar vooral juist op stille tochtvrije zolders, waarbij oudere zolders de voorkeur hebben. Het winterhalfjaar wordt slapend in zuidelijke grotten doorgebracht, maar sommige soorten werden 's winters ook wel in kerken aangetroffen. Vleermuizen en kerkuilen worden haast nooit samen op een zolder aangetroffen; ze kunnen wel in hetzelfde gebouw wonen, maar dan in verschillende afgescheiden ruimten.

Vleermuizen paren voor de winter, maar pas vele maanden later volgt de bevruchting. De jongen worden in mei of juni geboren. De wijfjes verzamelen zich dan in kraamkolonies, waarbinnen de jongen in grote saamhorigheid worden grootgebracht. De wijfjes zogen nl niet uitsluitend hun eigen jongen; in de vleermuiscrèches zoogt een wijfje ieder jong dat toevallig honger heeft.

De grootoorvleermuis is de algemeenste soort van Brabantse kerken. Maar ook wonen er wel laatvliegers en dwergvleermuizen. De nu bekende kraam plaatsen van vale vleermuizen en meervleermuizen zijn alle in kerken. Ook de zeldzame snor- en watervleermuizen worden wel eens op kerkzolders gezien. Het overwinteren van vleermuizen in kerken (bijv in orgelpijpen) komt wel eens voor, maar dit is zeldzaam. Vooral de laatvliegers schijnen hier wel te overwinteren, want wij hebben ze op minder koude avonden in januari en februari op Oosterik wel foeragerend gezien. In september '64 werden op de zolder van onze kerk 8 grootoorvleermuizen gezien. Bij een inspectie in de zomer van '73 werd geen spoor van vleermuizen. aangetroffen. Wel werd toen aan gevonden verse mest de aanwezigheid van grootoren en laatvliegers vastgesteld op de zolders van de Achelse Kluis. Toch werden in de zomermaanden van '73 geregeld zowel grootoren als laatvliegers gezien, foeragerend in de omgeving van de kerk en ook wel elders in het dorp, maar vooral boven het veld tussen parochie­huis en kerkhof. Wellicht wonen deze dieren op de zolder van het parochiehuis, in het doktershuis of in de pakhuizen van molenaar Kees.



   naar het begin


einde