Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Hei
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


De Hei, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"
                            Hoofdstuk: "De leste stukskes hei",  de Groote heide en wat daarvan over is


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


De heiden van Leende

De heiden van Leende waren eigendom van de heer van de vrije grondheerlijkheid van Heeze, Leende en zesgehuchten
met uitzondering van enkele 'marken', ie gemeenschappelijk bezit waren van de dorpelingen.
Zo bezat de Oosterikkerstraat (Oosterik en Boschhoven) samen met De Ven (volgens een arbitrale uitspraak van 9.3.1928
was De Ven voor 45% deelgerechtigd) het Cijnsgoed of 'den Broeck ginder beneden'.
De Oosterikkerstraat bezat ook enkele tientallen hectaren in Hulsbroeken, Schavijen en Molenschut.
De Leenderstraat bezat gronden in de Smelen en de Renheide, en verder nog het Leenderbroek of de Meneeuwsels.
De inwoners van Strijp bezaten ruim 24 ha in de Groote Heide, het Braekske en de Heg.

In een uitvoerig 'denombrement' (28.5.1440) doet Philips van Horne (1421-1488), sinds 1436 Heer van Heeze en Leende,
declaratie of opsomming van deze heerlijkheid en alle daartoe behorende bezittingen en inkomsten aan de Hertog van Brabant,
Philips de Goede. Na een beschrijving van de grenzen van de heerlijkheid, de rechtspraak, het kasteel, erfrenten, tienden,
enzovoorts, zegt hij daarin:
"
ltem zoe heb ick dair die heyden ende die gemeynte die ick den gebueren late gebruycken om haere beesten dair op te
 gaene ende te maeyene dair voire zy my schuldich zyn te geven telcken drie oft vier jaeren ene gifte ofte bede gelyck ende alzoe
groot alsmen mit henlieden overdragen can."

De heivelden zoals wij die nu nog kennen zijn nagenoeg alle gemaakt. Het zijn geen oorspronkelijke landschappen.
Ze ontstonden geleidelijk aan uit de wat armere bostypen (vooral eikenberkenbossen) die groeiden op de hogere
gronden op de waterscheidingen tussen de beken.

Bij de vorming en instandhouding van de 'half­natuurlijke' heidelandschappen was een langdurige menselijke beďnvloeding voorwaarde.
Deze beďnvloeding was ten tijde van het denombrement van Philips van Horne al vele eeuwen geleden begonnen.
De oudste wat grotere heidevelden ontstonden waarschijnlijk in de Bronstijd (ca 1700-650 v X) door ontbossing en begrazing.
Maar ook al in het begin van het Neolithicum (ca 4400 v X) was hier een landbouwende bevolking die varkens, schapen,
geiten en runderen hield.
Er zijn elders ook fossiele heidebodemprofielen gevonden uit het Preboreaal (ca 8000-7000 v X), die er op duiden
dat er in het klimaat van die tijd ook op natuurlijke wijze wel open heidevelden konden ontstaan.
Heidevegetaties kunnen zich alleen vestigen op niet te rijke zure  zand- en veenbodems,
die onbeschaduwd zijn (geen bomen); ze verdragen herhaaldelijk afvreten en ook afbranden.


Vroeger gebruik van de grote heiden
We gaan nu iets dieper in op dat vroeger gebruik van de grote heiden, die ook wel aard, vroente, vroon of vroont werden genoemd
en vanwege het gemeenschappelijk gebruik ook gemeynt of gemeente. We zullen daarbij zien dat de heiden zeker niet tot
de woeste (= ongebruikte) gronden mogen worden gerekend.

 Jacob van Oudenhoven schrijft in 1670 over de heiden van de Meierij:
"
De woeste heyden syn mede wel schrael ende magherl maer geven noch eenighe nutticheydt voor de Inwoondersl
sy weyden daer op hare Schapen en de halen hare Beyen daer mede haer voetsell de Vlagghen die sy daer van halen ghebruycken
sy ten dele tot haren brandt I ende ten deelen omdaer mag her landt daer mede vet te maecken I als het tot assen verbrandt I
of tot messe verrot isl ..... De Ingeseetenen leven hier gantsch armlijckl ende zijn evenwel wercksaem I ende doorgaens gesondt
 en de stercke luydenl ende komen veel tot een seer hooghen Ouderdom. De meeste men ichte geneert sich met Landtbouwen I
oock eenighe met de Schapen te hoedenl die hier om de goede ghelegentheydt van de heyden veel
syn .... "

Uit kopieën van huurcontracten, die in het kasteel Heeze worden bewaard,
blijkt dat de heide telkens voor 16 jaar aan de ingezetenen werd verhuurd.
Later werden de verhuurtermijnen korter. Wij hadden geen gelegenheid de oudste archiefstukken op het kasteel te raadplegen,
zodat we om enig inzicht te krijgen in het gebruik van de heide ons bepalen tot enkele contracten uit de latere jaren,
die gevonden werden in de gemeentearchieven van Geldrop en Heeze.

 Uit een Resolutieboek van Heeze, Leende en Zesgehuchten nemen we de verhuurakte van 1784, een stuk van 14 dichtbeschreven vellen,
 gedeeltelijk over: "
Wij Reynout Diederik Baron van Tuyll van Serooskerken, Heere der vrije grondtheerlijkheijd van Heeze, Leende en Ses Gehuchten doen te weeten: dat de huuringe van onsen aart ofte heijde van onze voors : Vrije Grondtheerlijkheyd van Heeze Leende en Ses Gehuchten, ons toebehoorende, staat te Expireeren te Sint Jan in den MidSoomer van deezen Jaare 1700 vier en Tachentig; Soo hebben wij Luijden dato ondergeschreeven daar over doen vergaderen, den Drossard, Scheepenen, Borgemeesters, Kerk en armmeesters onser voors: Heerlijkheyd, deezen onderteekend, dewelke ·verklaaren de huure of pagt van de heijde wederom gemaakt en aangegaan te hebben voor eenen tijd van vijff agter een volgende Jaaren, aanvank neemende te Sint Jan in den Mid Somer van deesen loopende Jaare 1700 vier en Tachentig en sullende Expireeren te Sint Jan in den Mid Soomer in den Jaare 1700 negen en Tachentig, op deeze navolgende Conditien en Voorwaarden : ..... ltem de Ingeseetenen van Leende sullen ter saake voors: tot Spellegelt geeven aan Sijn Hoog Wel gebo: eene Somme van hondert en tachentig gulden voor den voorseyden termijn van vijff Jaaren, sijnde de helft der Somme welke voor den termijn van tien Jaaren tot Spellegelt is betaalt geworden, en is te vooren hooger Somme tot Spellegelt gegeeven, dog dit is uyt een sonderlinge gunst en sal nooyt in het toekoomende in consequentie koomen, en dat geduerende den voors: termijn van vijff Jaaren sullen geeven en betaalen de Somme van drie hondert guldens, voor welke Somme de regenten sullen moeten instaan en welke gemelde Somme de Borgemeesters sullen moeten ophaalen volgens de boekjens aan haar ter hand te stellen, en aan den Hoog Welgebo: Heere verpagter of desselvs geauthoriseerde moeten werden betaalt, .... Item is expresselijk geconditioneert dat die van het geheugt genaamt de Bruggerhuys onder den Hertgang van Leender Strijp gehoorende, dewelke veele met het laaten maalen van haare granen buy ten den Moolen van Leende het voors: gemaal fraudeeren, ingevallen deselve van nu af aan in het toekoomende haaren graanen niet en laaten maalen op den Moollen van Leende, dat het zelve samen of die van hen daar in koomen te fraudeeren sullen geexcludeert sijn uyt den voors: heyden pagt. ..... Item de Borgemeesters sullen gehouden zijn volgens haaren Eed op het aanvangen van hunnen ampten afgelegt, goede toesigt op de misbruycken van de heyde te dragen .... en de zu lien alsoo gesamentl ijk meede goede agt ende Sorge moeten draagen dat den voors: aart ofte heyde in haare bedieninge ... niet en werde misbruijkt, ende deselve op haaren tijd met believen, voorweeten en consent van Sijn Hoog Wel Gebooren te ontsluyten en naar behooren soo met torven, heymeyen als andersints de Ingeseetenen te laaten gebruyken, en de om alle misbruijken in toekomende ter Saake dat met heymeyen de torfgronden seer werden bedorven ende ook de vennen en gereserveerde plaatsen niet werden uytgestooken, Soo is expresselijk bedongen, dat alle de teekens off hoopkens daar van ouds geleegen hebbende ende nog nodig sijn te leggen daar 't van noode mogte weesen, de heele heerlykheijd door sullen ten onsen overstaan ofte wel van onsen Drossard van onsent weegen alomme verniewt ende opgeworpen werden, waar over niemand met torfsteeken of heymeyen zal moogen koomen, opdat de voors: heyde zoo veel mogelijk is werde gepreeserveerd en in korte Jaaren niet werden bedorven en onbruykbaar gemaakt. Item de daagen van torf steeken voor der Kerke verkondigt weesende, daar naar sal eens ygelijk hem moeten reguleeren en buy ten die daage sal niemand moogen steeken, ten waare met speciaale consent van den Hoog Wel gebo: Heere en op verklaaringe dat hij ter gesette daagen geene steeker hadde konnen krijgen, en welk consent hij met billet van den Hoog Wel gebo: Heere, ofte wel van den borgemeester van sijn Straat sal moeten blijken ende alsoo behoorl ijke tijd tot het tussen steeken en heymeyen de heyde opengestaan ende ontslooten geweest synde, soo sal deselve weederom als vanouds geslooten werden, ende diegeene die voor ofte naar het sluyte der voors: heyde bevonden sullen worden daar inne tort te steeken ofte heyde te meyen, ten waare uyt nood om den Stal of Eeren te strooyen. en sulks nogtans met permissie van
den Hoog Wel gebo: Heere ofte wel van de Regenten der respectieve plaatsen, en die contrairie doende sal tel kens verbeuren eene peen van drie gulden. en die op verboode plaatsen off tort gronden heyde meyt drie gulden. Die voort uytgeeven van de heyde tort steeken drie gulden. Die eenige heyhoopen buy ten het publicq uyt geeven van de heyde buy ten kennisse en consent van Syn Hoog Wel gebooren, en de Regenten alsvoor, bij haalt (= 'naar huis haalt) sal verbeuren drie gulden. In opsigte van het mayen van de heyde tot Leende soo heeft Sijn Hoog Wel gebo: op het versoek van de regenten van Leende tot preserveeringe der heyde aldaar geaccordeert, gelijk geaccordeert werd mits deesen, dat alle Jaar geduurende den voors: termijn van vijff Jaaren, met het begin van de maand Mey door de Regenten van Leende met kennisse en consent van Sijn Hoog Wel gebooren, alle weeken twee daagen sullen werden gesteld in Ider Straat om heyde te mayen, te weeten voor de Strijperstraat Maandag en Dingsdag, voor de Leenderstraat Woensdag en Donderdag en voor de Oistericker Straat Vrijdag en Zaterdag, om ieder in sijnen heyde te mayen en bij te haalen, tot het noodsakelyk Strooyen van den stal, tot dat de heyde voor der Kerke sal sijn opengesteld, ende na t sluyten van de heyde sal niemand eenige heyde mogen mayen of haalen, dan met consent van Syn Hoog Wel gebooren, Regenten, of den Borgemeester van sijn straat, mits voorsien weesende met een behoorlijke billet, ende alle de Inwoonderen van Leende, diegeene die bevonden werden Contrarie doende of gedaan te hebben, sullen telkens verbeuren eene Peen van drie gulden .... Item Reserveerd Sijn Hoog wel gebo: alnog voor zig alle de huysvennen, waranden, vijvers, visscheryen, winnende broeken ende alle andere vennen en broeken, binnen onse voors. vrije grondheerlijkheyd van Heeze Leende en Ses Gehuchten geleegen, dwelke ook altijd van oude tijden voor ons sijn uytgehouden ende gereserveerd geweest, ende dat alle de land en op de voors. onse huysvennen ende alle in onse heerlijkheyd geleegen, gevreyd, geteekend ende verbooden sullen sijn en blyven, ende die geene daar op bevonden werdende Contrarie doende, alsmeede bees ten ofte Schaapen te weyden, ofte met willens schaade doende, sullen telkens verbeuren eene peen als vanouds, wel verstaande dat niemand wie het zij met beesten off schaapen in de huysvennen sal mogen hoeden .... ltem Reserveerd alsnog Zijn Hoog wel gebo: geduerende den voors: termijn van Jaaren, zoo veel heyde te mogen selfs inneemen, ende ook uytgeeven aan particulieren om tot landbouwerijen te worden gemaakt als hij te raaden sal vinden, alwaart ook dat 't selve SOD verre Ja tot hoeven kwaame uyt te strecken, en beplanten SOD veel en verre waar en daar Sijn Hoog wel gebooren behaagen sal. Item de Hertgange, Straaten en Dorpen sullen als van ouds elk het sijne tot betaalinge der geloofde pagt penninge moeten opbrengen en ook buy ten dien met tort steeken, heymayen als andersints niet mogen gebruyken op de peene hiervoor genoemd ; sullende ten fine voors: op de klagten die daar reeds sijn en nog verder soude moogen koomen, dat het een Dorp, Hoek ofte Straat in den anderen sijn van ouds aangeweesen gebruyk turbeerde, ofte dat men notoirlijk ondervonde den eenen nabuer genoegsaam boven den anderen verongelijkt was, en daar eenige veranderinge om egaliteyt te maaken van nooden was, SOD sal niemand egter in des anderen Dorps Straat ofte Hertgang tot nog toe aangeweesen hebben te steeken ofte heyde te mayen op de Peene van ses gulden .... Item Niemand wie het ook zij sal sig vermoogen eenige tort off tussen op den voors: onsen aard ofte heyden gesteeken sijnde buy ten deeze heerlijkheyd te brengen op eene peen van ses gulden .... Item dat de Ingeseetenen van Heeze Leende en Ses Gehuchten op de aansegging van den drossard en regenten hen altijd moeten gereed houden tot het sanden en repareeren der dijken, geene uitgesondert, loopende van het eene dorp naar het andere ..... "

De boekjes die het contract noemt zijn de 'bruyckbedeboekjes' waarin de mate van deelgenootschap van alle gebruikers, gegroepeerd per gehucht, voorkomen met de bedragen die ieder te betalen had. De bedragen werden aangeslagen naar hoeveelheid eigen grond of aantallen stuks vee; ook het hebben van een paard ('grootboer' zijn) speelde daarbij een rol. De borgemeesters van elk gehucht moesten maar zien dat ze
van ieder de centen binnen kregen. Het gebruiksrecht kon niet worden vervreemd. Een aantal van deze boekjes bevinden zich nog
in het archief van het kasteel.

In de verhuurakte voor de periode 24.6.1809­24.6.1814 werd nog extra bepaald dat
"de ingesetenen van Leende op aanzegging van de  verhuurder verpligt zijn om de Molenberg van Leende met hunne karren
 aan te hogen wanneer die verstoven zal zijn gelijk van ouds altijd bedongen is geweest."

Omdat de bebossing van heidegronden blijkbaar op gang komt is het reserveren van gronden in 1809 wat omvattender:

"Eindelijk reserveert de verhuurder ten eenre om gedurende dezen termijn van verhuuringe zoo veel heide te mogen zelf inneemen of ook aan particulieren uitgeven om tot bosschen en Land­bouwerijen te worden gemaakt als hij ten raade zal vinden al waar het ook dat hetzelve zig tot hoeven kwamen uit te strekken alsmede te beplanten zoo veel en verre het hem behagen zal. Ook reserveert de verhuurder wel expresse1ijk alle Denne en andere bomen welke inde voors. heide mogten zijn geplant of opgeslagen .... "

In die tijd begonnen er dus vliegdennen op te staan.
Uit een kopie van een knoeroude akte van de uitgifte van de gemeynt van Geldrop nemen we nog het volgende over:
"Condt sy allen den ghenen die desen brieff sullen sien oft hooren lesenl dat ick Ian heer van Geldropl lije ende keure dat ick overge­geven hebbel ende geve met voorwaerden mijnen lieven luyden van Geldrop alsulcken heyen ende gemeynt als ik hadde ende hebbe in mijnen gerichtel ende alsoo verre sy my toebehoorende isl mijnen heyden te bruycken I en de te besighen tot heuren schoonsten voor viertig Brabandts dobbel. .. voorts soo eest voorwaerde dat ick ghene heye noch ghemeynte uytgeven en sail het en waere een noot Hostadtl en de die tot geven by raet mynre Schepenen I en de of yemandt op onsen Ardt worde meyen of torven van buy ten dat ick voor hem niet bidden en sail dat hem panden voor alsu Icken bruecke als hiernaer genoempt staetl ende oock en mach nyemandt hey noch torft vercoopen uyt mijnen gerichte te voerenl hij en sals wesen op 5 schellinghen onder swaertl alsoo dick als hyt dedel en de oock eest voorwaerde dat sy eenen Schutter setten mooghenl op haer ghemeynt te schutten .... Soo hebbe ick Ian Heer van Geldrop voors ende Philips mijnen Soonl ons propre Zegelen aen dese tegenwoord ig he letteren uytgehangen ..... int jaer vander geborten ons Heeren duysentich dryhondertich tseventich ende seven (1377 dus) des Vrydaeghs voor alre Postels dach inde Hopmaent." "Overmits meerdere vastigheydt"
werd de akte mede ondertekend door "Dierck de Roever Heer van Ricxstel ende Hendrick van Persoon van Geldrop en de Ian Oem Heer van Bochoven onsen swaegher."

We komen meer over het gebruik van de gemeynten te weten uit de keurboeken, een soort dorpsreglementen waarin veel dorpen
de van ouds bekende regels vastlegden. De keurboeken werden van tijd tot tijd bijgewerkt. Ze werden elk jaar in extenso aan het volk voorgelezen op het kerkhof of bij de kerk. Behalve bepalingen op het brood bakken, tappen van drank, vastenavond- en kermisviering, onderhoud van sloten en wegen, kappen van hout,rapen van keutels, ziektebestrijding, zondag houden, oprichten van steenovens
en dergelijke, bevatten de meeste keurboeken ook bepalingen omtrent het gebruik van de heide.

Er bevindt zich in het archief van het kasteel een exemplaar uit 1746 van de Costuymen (gewoonterecht) van Heeze en Leende;
dit is niet geraadpleegd. Van Oisterwijk is de tekst van een oud keurboek (1509) bewaard gebleven. Uit de Varia Peellandiae kennen we de keurboeken uit de nabijgelegen Peeldorpen: Someren (begin 15e eeuw), Lierop (vastgelegd 1786), Vlierden (opnieuw vastgesteld 1775).
Asten en Ommelen maakte in 1658 een kopie van het origineel "daer dien tselve dickmaels was gebruijckt ende jarlijcx geproclameert compt te verslijten". Bakel had speciale keuren voor 'den Peel of gemeente' (1646), waarin ook die van Helmond, Beek en Aarle gerechtigd waren.
De 'Kueren ende breuken' van Deurne en Liessel (1525-1665) bevatten een afzonderlijk 'Capittel sprekende van de heijde'.
Men was zeer zuinig op de heide. Evenals de verhuurcontracten van Heeze-Leende bevatten alle keurboeken in de omgeving strenge bepalingen
en worden zeer hoge boeten gesteld op overtredingen. Hoe kleiner de oppervlakte beschikbare heide was, hoe strenger de bepalingen.
Alleen 'inwoonders' mochten de heide gebruiken. Ook mochten inwoners niet drijven, weiden, bijen plaatsen, ekelen slaan, steken,
plaggen, maaien en halen
voor ingezetenen van andere plaatsen of voor de verkoop. Men mocht niet "vlaggen, hey torff off groes
op de gemeente steeken of mayen binnen den doelen"
of binnen 'het beslach', 'die tekenen' of 'die campen'.
In Bakel mocht men niet plaggen of maaien binnen "de teeckenen vant vliegende sand". In Deurne moest men "twee roeijen van den sande" blijven. Dergelijke bepalingen geven de plaats van gebruik aan. De data waarop men mocht plaggen werden na het uitgaan van
de kerk bekend gemaakt. De heide werd dan ontslagen of ontsloten. In verband met de imkerij werd de heide voor plaggen en
maaien pas ontslagen na de heidebloei. Weiden mocht altijd, voor plaggen en maaien golden meestal maar enkele dagen.
In Vlierden was dat zeer nauwkeurig geregeld:
"Item als de tusdag voor de Bergen is u ijtgegeven dan sal niemand agter de Bergen
 mogen steeken en als denselven agter de Bergen is uytgegeven sal niemand voor de Bergen mogen steeken."

Voor de eerlijke verdeling van de voordelen van de gemeynt zou "nijemant voer der sonne of naer der sonne heije moeghen meijen"
en ook niet "op eens anders velt dat een andere beslaegen heeft" (Someren). In Deurne mocht men niet maaien en plaggen
waar meer gras groeide dan heide. Men mocht verder het maai- en plagwerk niet door anderen laten
uitvoeren dan met speciaal 'consent' (Someren). En  "die geheel ende hallif ploech en sullen nijet meer moeghen meyen
dan twe seijsens ende die keuters met eender seysen"
(Someren); alleen echte boeren mochten dus twee man de hei insturen,
de keuters maar een man. In Bakel mocht na het ontslaan van de heide elk huis maar een persoon laten maaien.
Heidemaaisel en plaggen moesten in Bakel 14 dagen na het sluiten van de maaitermijn naar huis zijn gehaald;
niet tijdig gehaalde heide kon op last van de Peelmeesters worden weggegeven of kon worden gebruikt voor het "stoppen van sand"
(tegen verstuivingen). In Oisterwijk mochten de na Sint Maarten (11/11) in de heide nog aangetroffen plaggen-
en maaiselhopen door iedereen worden meegenomen.

Het is duidelijk dat men in de paar dagen dat de gemeynt open was "werkte en zweette als hej-mejers"; deze uitdrukking wordt
nog wel gebruikt voor heel hard werken. Niemand mocht "in de gemeente heyde eenig vuur brengen, min ook stooken,
waardoor de heijde zoude kunnen verbrenden"
(Lierop) en "niemand sal zig hebben te verstouten om de heyde in brand te steken" (Someren).
De schepers, die graag verse heide en ook gras hadden, vonden daar wel wat op. Ze plaatsten tegen de avond een brandende
lange kaars in de heide; 's nachts begon het dan wel te branden. In Bakel vinden we een voorschrift over de dikte van de vlaggen:
 "de heijvlaggen op effen veld en zullen maar twee vingeren dik mogen weezen en op buld veld ofte oneffen veld drie vingers dik."
"Put of huysrussen
", zoden voor de bouw van putten en zoden voor de dakvorsten,
mocht men met permissie van de Regenten in Vlierden in de gemeynt steken,
echter niet meer dan men er nodig had en mits voor Bamisdag (1 oktober) gehaald.

Men mocht geen vlas roten in de rivieren en ook niet in "brandkuylen, slooden of graven langs gemeene weegen" en
ook niet in "cuylen dienende tot schaapswassen" (Vlierden); in andere dorpen mocht dat ook niet in de gemene vennen.
In Vlierden konden de schepenen de ingezetenen oproepen om "duynhalm, houd of heijden te planten en wallen op te werpen"
in geval van "
sterke zandvlugten waardoor de weegen onbruijkbaar wierde, de rivieren of waterloopen gedempt en de beemden,
velden of weysen in gevaar raken met zand te overvliegen."

"Van half Meert tot primo October" mocht men niet hoeden "sijn schaapen int Broek off andere groene gemeente off beemden" (Lierop).
Zieke, ruige en schurftige schapen mochten niet in de gemeynt komen. Talrijk zijn de bepalingen over het weiden van schapen
op andermans grond. Ook varkens mochten in de gemeynt worden gedreven, mits geringd en gehalsterd.

De bepalingen op maaien en plaggen zijn overal veel uitgebreider dan die op het 'drijven'. Dit staat duidelijk in verband met behoud
van de heide allereerst als wilde weidegronden. Voor het toezien op overtredingen en het aanbrengen van overtreders was
allereerst de vorster gerechtigd. Wegens de uitgestrektheid van de gemeynt werden echter in de meeste dorpen
schutters of heimeesters aangesteld. Elders heetten deze mannen ook wel bedeljagers, gemeyntmeesters of peelmeesters.
Voor sommige overtredingen mocht iedereen 'schutten'.


 Vroeger gebruik van de hei 

Men gebruikte de hei dus allereerst om er schapen, beesten (rundvee) en varkens te laten weiden en om er strooisel voor
de potstal te winnen. Ook werden brandzoden in de hei gewonnen en turf (uit vennen en veentjes) om het tekort aan hout te dekken.
Ook deze zoden heetten vlaggen (of flikken). Het strouwsel (maaisel, krabsel, vlaggen of tussen) werd 'geoogst' al naar de aard
van de begroeiing met heizicht, krabzeis, pilzeissie (peelzeis) of vlagzeis­sie, gereedschappen die het midden houden tussen
een hak en een zeis.
Bij voorkeur vlagde men groesvelden van pijpestrootje (bunt of smeel). De flikken werden gewonnen met een vleugelschup,
een schop met opgezette randen. Men onderscheidde heiflikken, dunne harde zoden met veel zand, en moerflikken,
wat dikkere zoden met meer heiturf en zonder zand.
Strouwsel en brandvlaggen werden na een droogtijd in de heide naar huis gereden. De flikken werden netjes in de schob opgetast.
Men zette ze in een cirkel rond het vuur; ze gloeiden lang na. Vorst- of dakrussen (huusvlagge) werden gestoken in de taaie zode
van 's zomers droogvallende vennen. Ze waren 3-4 voet lang en 1 voet breed. De kanten werden schuin gestoken om ze overlappend
op de dakvorst te kunnen leggen. Na het afplaggen werd de kale heibodem soms losgekrabd om er gras in te zaaien.
Andere heideopbrengsten waren honing (zoetstof) en was (kaarslicht); in de heide vinden we nog hier en daar oude
uitgegraven en door walletjes beschutte 'bijenstanden' terug. En dan werd er wit zand (voor in den herd) en ook hoogzand
uit de hei gehaald, van dichtbij liefst, in de rand van de heide.
Bezems en boenders werden gemaakt van heide- en berkentwijgen. Ook leem haalde men uit de heide voor het stampen
van lemen huisvloeren en voor het besmeren van wand en die uit stro of tenen tussen latten en staanders werden gevlochten.
In de hei, maar ook elders, werden steenovens opgericht vlakbij de plaats waar geschikte leem kon worden opgedolven.

De heiden waren dus zeker niet woest (= ongebruikt). De 'wilde gronden' hadden een belangrijke betekenis in
de vroegere landbouweconomie van de zanddorpen en vormden zelfs de basis van het landbouwbedrijf.
Afhankelijk van de kwaliteit van de heide waren voor elke hectare bouwland wel 25-30 ha heide nodig.
Per jaar was op een gemiddelde boerderij ca 6-8 lopense (1 lopense of loopensaat = 16 are) plagbaar heiveld nodig.
Het duurde 10-20 jaar voor een afgeplagd veld opnieuw plagbaar was; soms duurde dat nog langer, zeker wanneer de
vlaggen tot op het loodzand werden weggehaald. Bij gebrek aan heidestrouwsel werd om de potstal droog te houden ook d'n erdhoop aangesproken.
Dit was een hoeveelheid teelaarde, afkomstig van de met de schop 'uitgeladen' eerste vore van een bouwland perceel.
Ook werden wel weidepercelen bij gedeelten afgevlagd en werden maaisel en plaggen langs de wegen gewonnen.
Waarschijnlijk werden alleen de dicht bij huis gelegen bouwlanden (onze oude - Romeinse - akkers) met plaggenmest behandeld
en niet eens elk jaar.
De potstalmest bevatte altijd veel zand ; er waaide zand in de heizode, met het vlaggen werd zand van onder de zode meegenomen
en er werd teelaarde in de stallen verwerkt. Onder invloed van de eeuwenlange plaggenbemesting werden de akkers hoger.
Het plaggendek (de laag zwarte grond) van de akkers is hier plaatselijk wel 1.20 m dik; dat is goed te zien bij het Gat van Winters,

(nu beter bekend als camping "De Fuut", de webbeheerder)
een zandafgraving in de akkers van Strijp aan de Dwarsche Krekelweg. 
Men schat wel, dat de zandophoging van de akkers ca 1 mm per jaar of 10 cm per 100 jaar bedroeg.
Dit is 10 m3 zand per jaar per ha en dit zand was dan nog maar een deel van de opgebrachte hoeveelheid plaggenmest.
Aan de dikte van de zwarte laag van de oude akkers kunnen we zien dat het plaggen mestsysteem in de 8e of 9e eeuw begon,
waarschijnlijk nadat de keer- of karploeg hier algemeen in gebruik kwam. Pas met deze ploeg werd het mogelijk de
grond te keren en de zware mestplakken onder te werken. Met de oudere kruimelploeg of eergetouw werd de grond
slechts verkruimeld, niet gekeerd. Voor de stallen vol mest zaten was al heel wat werk verzet.
Het zwaarste werk was echter het in blokken los steken van de vast ineengetrapte mest en het 'uitvaren' van de potstal,
iedere keer als de beesten zich weer tegen de zoldering hadden vast gescheten.
Daarna kwam dan nog het 'breken' van de mestbrokken ('schaapschollen') op het land.


Heideschapen

Schapen waren vooral belangrijk als mestmakers. Maar ook door de opbrengst van wol, huiden en schapenvlees
waren schapen van belang, iedere boer had zijn eigen kudde. Een kudde telde 30-80 schapen.
De schapen werden 's nachts en ook enige tijd overdag opgestald om zoveel mogelijk mest te winnen.
's Winters weidden de schapen op de graslanden en ook dreef men ze wel over de rogge.
De middeleeuwse kudden telden veel rammen en hamels; deze leverden ook mest en hadden bovendien een zwaardere
wolvacht dan de ooien. In de verschillende heistreken ontwikkelden zich van elkaar afwijkende landrassen.
In Brabant, Noord­ Oost-België en Noord-Limburg ontstond het Kempische heideschaap.
Numan schrijft daarover in 1836:
"Het Kempensch Schaap is klein, ligt van stuk, lang van ligchaam, en tamelijk hoog op de beenen.
Het heeft een langen, smallen, onbewolden kop, met een weinig verheven neus, en platachtig voorhoofd;
deszelfs hals is lang en regtuit gestrekt. Het is bijna geheel kaal onder den buik.
De staart is lang en geheel met wol bezet.

De rammen van het Kempensche Schaap zijn, evenmin als de Ooyen, van horens voorzien.
" Hij vertelt verder dat er van dorp tot dorp wel kleine verschillen waren op te merken en  dat de Kempische schapen in de
heistreken kleiner waren dan in de grasgebieden
.
De kudde van de Strabrechtse Heide werd in 1967 na moeizaam zoeken samengesteld uit her en der in de Belgische en
Brabantse Kempen, Peelland en Midden-Limburg aangekochte schapen, maar er kon geen enkel 'zuiver' Kempisch schaap worden gevonden.
Door gerichte fok en goede selectie onder leiding van dierenarts J. Wille begint de Strabrecht kudde nu op een
kudde Kempische schapen te lijken. Misschien kan er ooit eens vanuit de Strabrechtse Heide
een kudde voor Leende worden gevormd.
(tekst uit 1974!! De webbeheerder)


Schapen spreekwoorden

Uit de vroegere schapenhouderij hebben we een aantal sgon (mooie) spreekwoorden en zegswijzen overgehouden:

Als er een schaap over den dam is volgen er meer.

'T lam schijt krek as 't schaap (zo de ouden zongen ... ).

Doe den bok 'n sleufke voor dan komen er geen bedrogen schaap (neem voorzorgen).

De keutel valt nie wijd van 't schaap.

Kort bij de kooi weiden de schapen niet (jongens trouwen niet gauw met buurmeiskes).

Wat den hond mee lopen wint, verliest ie mee pissen.

Zo herder, zo hond.

Die niet schurftig is, die krabt niet.

Het schaap van de scheper gaat niet kapot.

Den ene scheert 't schaap, den andere 't verreke (ieder zijne stiel).

Hij scheert de schaapkes gelijk ze wol hebben (Iaten betalen naargelang men betalen kan).

Ge moet 't schaap scheren en niet villen (de kiep met de gouden eieren niet slachten).

Als 't schaap kapot is groeit er gene wol meer op (bewaar uw kapitaal).

Dat komt op gene schapekop (in 't veen kijkt men niet op een turfje).

Dat komt uit gene schapekop (dat is slim bedacht).

Het ging er op een schaapscheren!

'N jong ooi en 'nen aawen ram, geeft elk jaar 'n lam. '

T is weer kloten mee den bok.

'N schurftig schaap steekt de heel kudde aan (rotte appel in de mand).

Hoe schurftiger schaap hoe harder geblaat (veel geschreeuw en weinig wol).

Ge kunt tegen den Lieven Heer niet meutelen en tegen 't schaap niet keutelen.

Zijn schaapkes op het droge hebben.

D'r gaan veel hendige schaap in een hok.

Hij is 't derde lam (het vijfde rad aan de wagen).

Goed gevoederde rammen hebben jeukende horens.

Hij heeft de schapen geweid om de keutels (goed gedaan om het voordeel).

Slechte schepers, vette wolven.

Als de scheper doolt, dolen de schapen.

Ligt niet 'n haauwend te keutelen!

En dan kennen we nog: een schaap met vijf poten, een onneuzel schaap, een gek schaap, een errem schaap,
een mak of hendig schaap, het zwarte schaap, een dom schaap, een zacht schaap.

De 'ouderwetse' heide-schapen-mest-methode, die meer dan duizend jaren stand hield en die nog duizenden jaren eerder
op bescheiden schaal ontstond, verloor in de 19e eeuw vrij plotseling haar betekenis met de ontdekking van allerlei
kunstmesten en vrijwel tegelijkertijd het invoeren van grote hoeveelheden goedkope wol uit Australië.
De heiden werden overbodig en konden pas toen op grote schaal worden ontgonnen.

In Noord-Brabant waren in
1815 nog 69.856 heideschapen, in
1891 nog 35.904, in
1904 nog 22.592 en in
1910 nog 18.943.

In Leende waren op
1.1.1815 nog 821 heideschapen, op
1.1.1905 nog maar 195.

Door de hoge ligging op de waterscheidingen van de beken en door de grondsoort (zand) waren de heidegronden
al arm en weinig vruchtbaar. De heiden werden indrukwekkende open gebieden, waarin door herhaaldelijk afvreten
jonge boompjes zich niet tot opgaande bomen konden ontwikkelen.

Slechts de armelijke soorten struikheide (biej-hej, Callluna vulgaris) en dopheide (hommele-hej, Erica tetralix)
en in mindere of meerdere mate een aantal sprieterige schrale soorten konden zich aanpassen
bij het herhaaldelijk afgrazen en afplaggen en de daarmee gepaard gaande verarming van de bodem.
De eeuwen eeuwenlange 'haalprocessen'  (halen van vlaggen en flikken, van dierenvoedsel, was, honing, enz.
en helemaal niets terugbrengen) maakten de heiden tot zgn. oligotrofe gebieden, waarvan de bodemarmoede kenmerkend is.
Deze oligotrofe terreinen zijn in de reeks van voor het menselijk milieu onmisbare natuurgebieden zeer belangrijk.
Ze herbergen tal van dier- en plantensoorten, die elders niet kunnen leven. Men kan oligotrofe gebieden niet namaken,
(eutrofe, voedselrijke wel), omdat ze op zeer bepaalde plaatsen in de zand- en veengebieden ontstonden in een
zeer langdurig samenspel van natuur en mens. Ze zijn onvervangbaar. Daarom moeten we zuinig zijn juist op
de laatste voedselarme terreinen, die dan ook allereerst tegen bodemverrijking (eutrofie door bemesting, vuilstort,
toestroming van voedselrijk water e.d.) moeten worden beschermd.

Het beheer ervan moet daarop inspelen. De oude haalprocessen moeten eigenlijk worden voortgezet. Het milieu van de heide
 kan alleen in stand blijven wanneer overschaduwing wordt voorkomen en de vegetatie regelmatig wordt verjongd.
Wanneer de heide niet door maaien, afvreten of afbranden wordt verjongd sterven na ca 20 jaar en soms al eerder de heidestruiken af.
De heide begint dan te 'vergrassen', op plaatsen met een doorlatende bodem met bochtige smele en kruipend struisgras,
op sterk gepodzoleerde gronden met een waterkerende oerbank ontstaan dan pijpenstrootjessavannen.
Na een jaar of twintig kunnen in een vergraste heide uit zaad weer jonge heideplanten verschijnen, mits zo'n heide niet
overgroeid is geraakt met 'uitleggers' van berken en dennen. Men noemt  dat de cyclische successie van de heide.

Het herinvoeren van een schaapskudde is de beste oplossing. Maar dan nog blijven andere verjongingsmethoden nodig,
evenals  - vooral in de eerste tijd na de invoering van een kudde - kappen van vliegdennen en berken.
Kunstgrepen zijn periodiek­ om de 15-20 jaar - afbranden van de heide en machinaal afmaaien van de vegetatie,
waarbij het maaisel moet worden verzameld en afgevoerd. Bij het heidebeheer moet als bij alle natuurbeheer gestreefd worden
naar een zo groot mogelijke variatie. Vooral het in stand houden van alle - ook grazige - plantengezelschappen van het
heidemilieu moet voorop staan. Het zo uitgebreid mogelijk behouden en creëren van grote paarsbloeiende heidevelden
is niet voldoende.
De beheerder kan daarom het best zowel kappen en maaien (en afvoeren) als afbranden en laten begrazen en zo mogelijk plaggen.
Het afbranden moet gebeuren in een periode dat de zode nat is en de heidewortels niet kunnen verbranden (januari - half maart).
Een heidebrand, hoe gunstig ook voor het openhouden van de heide, komt zeer onwelkom in de voorjaars- en zomermaanden.
De heidewortels branden dan dood, de heide vergrast en ook komen bij voorjaars- en zomerbranden veel dieren om.


Ontginningsproces

De ruime oligotrofe landschappen van heiden, vennen en zandverstuivingen zijn vooral in de eerste helft van
vorige eeuw voor een zeer groot deel omgevormd tot landbouwgronden en jonge naaldbossen.
Brabant had in 1828, toen het ontginningsproces al enige tijd op kleine schaal aan de gang was, nog ruim 175.000 ha
'woeste gronden', waarvan heiden en zandverstuivingen het grootste deel uitmaakten; dit was ruim een derde deel van de
totale oppervlakte van de provincie.
In 1890 waren er nog 123.000 ha woeste gronden of 23 % van de provinciale totaaloppervlakte, in 1922 nog 92.000 ha of 18%.
Nu (
1974, de webbeheerder) zijn er in Brabant nog maar ongeveer 9.000 ha (bijna 2%) heiden, zandverstuivingen en venen over.
Maar een groot deel hiervan is in gebruik als militair oefenterrein, terwijl andere delen overgroeid raken met berken en vliegdennen.
Leende had in 1898 nog ruim 3.000 ha heide, zand­duinen en venen.
Nu (
1974, de webbeheerder) is daar nog maar een dikke 500 ha van over: delen van de Groote Heide in Leenderbos,
Valkenhorst en bij de Schietberg, een heel klein stukje van de Oosteriksche Heide en twee kleine restjes van de Dijksche Heide.
Ook deze resten zijn voor een belangrijk deel overgroeid geraakt met vliegdennen.
 Alleen nog in onze grootste heide, het zuidelijk deel van de Groote Heide bij de Achelse Kluis,
kunnen we op stille morgens de sfeer van het oude heidelandschap proeven.


Begroeiing van de heide

De begroeiing van de heide bestaat uit dwergstruiken, mossen, korstmossen, grassen en een klein aantal andere planten.
Voor het merendeel zijn het de echte heideplanten: struikheide op de hogere delen en dopheide op lage plaatsen,
die 's winters meestal nauwelijks onder water komen. Dikwijls groeien de heidestruikjes in ogenschijnlijk
een-soortige vegetaties, waarin echter bij nader beschouwen ook nogal wat mossen en korstmossen voorkomen.
Als de struikheide bloeit biedt het heideveld een grote afwisseling in tinten: lilaroze en lichtpaars en mauve van de
heidebloemen, gelig blond en grijs en blauwgroen van de grassen;
lichtbruin is de uitgebloeide dopheide en zilver spiegelen de vennen.
De struikheide bloeit 'van de hoog Lieve Vrouw toe de leeg Lieve Vrouw' van Maria Hemelvaart (15 aug.) tot Maria Geboorte (8 sept.).
In die tijd gonst de hei van de bijen en andere insecten die honing en stuifmeel halen.
Als de struikheide bloeit stuift ook het pijpenstrootje (bunt) uit hangende donkerpaarse helmknoppen.
Het is het grootste gras, dat in de heide groeit, meestal in forse pollen. De stengelknoppen van dit slanke gras zitten helemaal onderaan,
meestal ondergronds, zodat de bloeistengels helemaal glad zijn; daardoor zijn het ideale 'peepespiere' om vieze pijpenstelen mee door te steken.
Van pijpenstrootjeshalmen vlocht men vroeger met gespleten braamstengels sterke bijenkorven.
De dophei (hier altijd Erica tetralix) begint al in juni te bloeien, maar ook in september en oktober kunnen we nog bloeiende pollen vinden.
De bloeiurntjes zijn roze, naar de lichtkant hebben ze een donkerder wangetje.
In de schaduw groeiende planten hebben veel lichtere bloemen. Heel soms vinden we eens een struik, die zuiver wit bloeit;
bij dopheide schijnt witte bloei meer voor te komen dan bij struikheide. Insecten met korte tongen (bijen en bepaalde hommels)
kunnen de diepliggende honing in de dopheide­bloemen niet bereiken.
Ze plegen 'inbraak' door opzij van de bloem, dicht bij de bloembodem een gaatje te bijten om zo toch bij de nectar te kunnen.
Wat later in de bloeitijd hebben bijna alle dopheide­bloemen een of meer van die bijtgaatjes.

Waar hoog en laag, of liever: droog en vochtig, aan elkaar grenzen groeien struikheide en dopheide door elkaar.
Op jonge pollen struikheide en maar heel zelden op dopheide groeit het warkruid of duivelsnaaigaren,
een parasiet zonder bladeren en zonder wortels, die zich met een wirwar van roodachtige draderige stengeltjes over de heideplanten legt.
Op de raakpunten van zo'n duivelsdraad met heistengels vormt de parasiet zuigcellen die water en voedsel uit de 'gastheer' zuigen.
De bloemen van het warkruid lijken in kleur en bouw sterk op de heidebloemen en zo profiteert de plant ook
nog van het insectenbezoek op de heideplanten (bestuivingparasitisme).

Tussen de dopheide groeien op de natste venige plaatsen mooie pollen veenbies en hier en daar vinden we kleine veldjes bruine snavelbies.
Rond de vennen en in de wat diepere laagten groeit de dop­heide gemengd met pijpenstrootje en daartussen groeit dan soms
'de blauwe klokjesgentiaan'.
Op open venige plekjes kunnen we rondbladige en kleine zonnedauw aantreffen.
De roodachtige blaadjes dragen tentakels met glinsterend-Iokkende  maar verraderlijke ‘dauw’druppeltjes waarmee
deze planten kleine insecten vangen. Want de druppels zijn kleverig en ze bevatten stoffen die de gevangen vastgekleefde
insecten ontleden tot via de bladhuid opneembare stikstof- en fosfaatverbindingen.
Op een heel enkel plekje in de dopheide groeit heidekartelblad.


Tussen de struikheide komen veel soorten korstmossen voor, schapezuring (surpel) is overal vrij algemeen en we vinden
er ook steeds een aantal grassen: schapegras, roodzwenkgras, tandjesgras (zeldzaam), fiorin en kruipend struisgras,
bochtige smele en op overstoven podzolprofielen ook borstelgras. Kruipbrem en stekelbrem komen overal verspreid in de heide
voor op de wat minder arme gronden. Maar de gewone brem (struikbrem of bezembrem), die vroeger wel voorkwam langs wegen
op de grens van heide en cultuurgronden (paardenmestindicator?) wordt nergens meer gevonden.

Op vaste bodems in vochtige heiden en ook op natte heipaadjes groeit trekrus, een stijve rus met donkergroene bladeren.
Op open vochtige plaatsen, bijv. natte paadjes, groeit een paars wier, Zygogonium ericetorum, dat zo glad is dat we er op uitglijden.

Het mooist moeten onze heiden zijn geweest in de flanken naar de beekdalen. Door een regelmatige ondiep-ondergrondse
waterstroming vormden zich hier en daar mooie 'hangvenen'. We kunnen ons daarvan nog een beeld vormen in het Laagveld,
een gespaard open heidegedeelte in het Leenderbos op de oostelijke oever van de Tongelreep. In de vrij vochtige en drassige
terreingedeelten zijn daar prachtige veen- en dopheidevegetaties ontwikkeld.

In de dopheidegemeenschap komt veel pijpenstrootje, kruipwilg, gagel, blauwe zegge, klokjesgentiaan en rondbladige zonnedauw voor.
In de venige laagten vormt de vegetatie horsten en slenken van klein formaat.
De horstbultjes zijn begroeid met gagel, dopheide, pijpenstrootje en de veenmossen Sphagnum tenellum en Sph. papillosum.
In de slenkjes, die veel ijler begroeid zijn, vinden we bruine snavelbies, veenpluis (wollegras), kleine zonnedauw
en het veenmos Sphagnum contortum ssp platyphyllum. De zeldzame witte snavelbies groeit daar zowel op de horsten als in de slenken.
In de laagten naar de vennen toe overwegen in het Laagveld knolrus (moerasrus) en veelstengelige waterbies.
Plaatselijk vinden we nog enkele pollen van de zeldzame beenbreek, die vroeger hier (en elders) veel algemener moet zijn geweest.
Beenbreek, een kleine plant uit de leliefamilie, heeft prachtige heldergele stervormige bloemen (juni-aug.) in trossen op
rechtopstaande bloemstelen. De naam beenbreek is aan deze plant gegeven omdat ze groeit op slecht begaanbaar ongelijk
terrein met horst- en slenkvegetaties en misschien ook omdat in het zure milieu waar beenbreek groeit het vee zwakke beenderen kreeg.
Ook aan het Raadbroek (terrein bij kuurchalet) (
1974, de webbeheerder)  zijn de oude overgangen van de Renheide naar de Kleine Aa
plaatselijk herkenbaar aan dichte gagelstruwelen. Daar groeit ook massaal de vrij zeldzame rode bosbes of vossenbes met
glanzende donkergroene harde bladeren, die 's winters aan de plant blijven en bij strenge vorst zwart verkleuren.
Deze plant kan van april tot ver in de herfst klokvormige witroze bloemen dragen, soms tegelijk met de helderrode eetbare bessen.
Vroeger kwamen hier ook heidekartelblad en liggende vleugeltjesbloem voor.

In de heide herkennen we in streepvormige grasbegroeiingen veel oude karrensporen van de plaggenhalers en ook oude verkeersbanen.
Na een brand wordt een tevoren onzichtbaar karrenpad soms duidelijker omdat de heide er eerder terugkomt en daar ook eerder bloeit.
De oude weg van Strijp naar de grenskapel bij het Kerkven op het Achels vinden we terug als een diepe rechte sleuf.

In de 12e en 13e eeuw had in West-Europa een nogal belangrijke bevolkingsuitbreiding plaats als gevolg van minder oorlogen,
een wat beter klimaat, ontwikkelingen in de landbouw en een algemene economische bloei; tegelijk zien we opbloei van de beeldende
kunst, betere arbeidsverdeling, uitbreiding van de handel en opkomst van de steden, allemaal factoren die elkaar beďnvloedden.

Uit de behoefte naar meer landbouwproducten ontstond druk op de wilde gronden, die dan ook deels verder werden ontgonnen.
De mogelijkheden voor veehouderij werden daardoor kleiner, terwijl men juist meer vee moest houden voor mest en trekkracht.
Overal treden spanningen op met de heren. In bepaalde gevallen zwichtten die; ze behielden wel de eigendom van de gemeenten,
maar gaven sterkere garanties voor het blijvend gebruiken ervan door de dorpelingen. Hier en daar werd een deel van een herenbezit
in gemeenschappelijk eigendom aan het dorp afgestaan, meestal tegen blijvende betaling van een cijns.
Misschien dateren uit die tijd onze 'marken': het Cijnsgoed van Oosterik,
het Leenderbroek van de Leenderstraat, de Heg van Strijp en nog enkele andere terreinen, die in de aanhef van dit hoofdstuk zijn genoemd.

Als gevolg van meer intensieve beweiding en het ontginnen van de laatste bossen ontstaan vooral in die tijd grote stuifzanden.
De stuifgronden liggen bij de Oost-Brabantse dorpen meestal ten westen van de akkers en langs de oude heiwegen.
Dicht bij huis en langs de wegen was de beďnvloeding immers het grootst.
Er ontstonden alsmaar ijler wordende vegetaties, die door schapenpootjes en karwielen gemakkelijk werden vernietigd,
waardoor de wind vat kon krijgen op het zand. Er werden verbodsbepalingen ingevoerd op beweiden en plaggen
in en bij het 'vliegende zand'. Men legde aan de westkant van de akkers en langs de wegen nog meer beschuttende houtwallen aan.

Van Oudenhoven schrijft in 1670:
"Dese Duynen die sijn voor de Landen seer schadelijck want door den wint verstijft het guile sandt! ende bedeckt het bijgeleghen goet Landt!
ende maeckt dat gantsch onvruchtbaar. Om dat voor te komen  sijn de Ingeseetenen genoot­saeckt! wijde slooten daer teghens
te graven ofte hooghe graften daer teghens op te werpen I om daer door het overweyen van het Sandt te verhinderenlende
om de Duynen met Bont of Bunt te beplanten / ende het afstijven van het Sandt daer mede voor te komen.
"

Toch zijn veel akkers nog overstoven. In Bakel, Handel, Son, Venray en Knegsel kwam het zand tot in het dorp;
daar en op veel andere plaatsen zijn oude akkers onder het stuifzand terug te vinden.
Ook in het wingebied van onze Molenheide werden door ons in 1973 oude akkerbodems onder het stuifzand terug gevonden.
De zwarte akkergrond, die we vanonder het gele zand opgroeven en thuis uitspreidden, bleek geen kiemkrachtige zaden meer te bevatten.
Later (18e eeuw) zijn in onze stuifzanden weer akkertjes (kampen) aangelegd, die geheel werden omwald. Enkele van deze
akkertjes zijn nog goed herkenbaar aan de houtwallen er omheen; er zijn zelfs nog enkele kampen in gebruik als bouw- of weiland.
De oude wallen rond de akkertjes in De Kampen van de Molenheide en in De Hoeven bij Bruggerhuizen zijn door ons gekarteerd.

De wallen zijn begroeid met zomereiken, die kennelijk (stobben) regelmatig werden gehakt. Hier en daar vinden we er eikvaren en
- heel zeldzaam ­ ook het varentje dubbelloof. Algemeen voorkomende mossen van de houtwallen zijn het grijsgroene
kussentjesmos (Lycobryum glaucum) en het donkergroene sterremos (Mnium hornum), dat zelfs op de eikenstammetjes groeit.
 In Leende vinden we het stuifzand in een langgerekte strook aan de oostkant van de vroegere Groote Heide
vanaf Den Dubbele Paol tot voorbij de Schietberg, en verder nog in De Kooyen, in de Zevenhuizensche Heide (Mariahoeve)
en aan de Strijperdijk op de grens met Soerendonk. De meeste stuifzanden zijn doorgespit en bebost.
Maar er zijn nog enkele heel mooie gedeelten over: tussen Den Dubbele Paol en het Turfwater, tussen de Heerstraat (brandtoren)
(
inmiddels verdwenen, de webbeheerder) en Jagershorst en bij de Schietberg.
Die terreinen zijn zeer geaccidenteerd; op korte afstanden 'zijn hoogteverschillen van 3-5 m heel normaal.
We vinden er alle stuifzandvegetaties in alle stadia tussen levend onbegroeid stuifzand en droge struikheide of vliegdennenbos.


Stuifzanden

Stuifzanden zijn heel bijzondere milieus.
Ze zijn niet alleen droog en sterk windgevoelig, er heerst ook een heel extreme microklimaat met grote temperatuursverschillen.
Aan het oppervlak van stuifzandbodems kunnen op onbewolkte dagen in de zomer temperaturen van 600 C worden gemeten,
terwijl het juist boven het gele zand na heldere nachten bij zonsopkomst midden in de zomer korte tijd kan vriezen.
Enkele centimeters onder het oppervlak zijn de temperatuursverschillen gedurende een etmaal al veel geringer.
Op noord hellingen met dooiende sneeuwplekken werden in maart temperaturen gemeten van 0-60 C, terwijl het even
verder op een zuidhelling vlak boven de grond 350 C was. De stuifzandhellingen zijn droog, maar na herfstregens
zien we mooie stroomgeultjes en minidelta's van naar beneden gespoeld zand, waar al gauw lichtgroene algen groeien.

De pioniergemeenschap van stuivende humusarme zure levende zandbodems bestaat uit maar een soort:
het mooie buntgras, dat groeit in blauw- of grijsgroene polletjes, die overstuiving met zand verdragen.
Soms treden tegelijk ook Iicht- en bronsgroene soorten haarmos (Polytrichum spec.) op. In latere stadia, als het zand wat is vastgelegd,
komen daarin een groot aantal soorten bruine, grijsgroene en zilveren soorten lichenen (korstmossen), meestal Cladonia's.
Nog later wordt de vegetatie uitgebreid met schapenzuring, (surpel), kruipend struisgras, borstelgras, schapengras,
heidespurrie en heel sporadisch ook zilverhaver.
Waar de grond wat rijker is verschijnen muizeoor, zandblauwtje en gewoon biggekruid. Nog weer later vestigt zich de struikheide,
die in het stuifzand tot vrij hoge ruige en brede struiken uitgroeit, en die na lange tijd kan overgaan in het climaxstadium: eikenberkenbos.
Een tussenstadium, dat zeer lang stand kan houden, treedt meestal eerder op: een vliegdennenbos,
dat zich al gauw in een grazige stuifvegetatie vestigt en waarin zich op den duur wel jonge eiken ontwikkelen.
In en om de vliegden­begroeiingen, in ijle stuifzandheide en ook wel op kaal zand groeit op een plaats
ten Noorden van de Heerstraat een heel bijzonder korstmos, (
1974, de webbeheerder) het grove elandgeweimos of ijslands mos, Cetraria islandica ;
 deze plek is de zuidelijkste groeiplaats van dit korstmos op een na.

Op plaatsen met stagnerend grondwater, bijv. boven een overstoven podzolprofiel, kan ook hoog in het stuifzand pijpenstrootje voorkomen.
De kruipende zandzegge, die met lange uitlopers hele vlakten stuifzand en duinen aan elkaar kan breien, is bij ons niet zo algemeen.
De helm, die nog in rapporten van 1943 en 1952 wordt genoemd als pionier van opgewaaide stuifheuvels in ons zuidelijkste
stuifzandgebied, werd daar niet meer gevonden.

Jeneverbesstruiken, die volgens zeggen vroeger in dichte struwelen op stuifzand van o.a. Renheide en Dijksche Heide voorkwamen,
treffen we in onze stuifzanden nog wel aan, maar ze worden overal sterk verdrongen door vliegdennen.

Het hierboven genoemde borstelgras, dat in de meeste Brabantse dorpen 'truttenhaar' heet en dat hier om zijn taaie zode
ook wel 'ossenteug' wordt genoemd, groeit in het eenmaal vastgelegde stuifzand dikwijls in kringen.
Een eenmaal gevestigde pol breidt zich naar alle kanten opzij uit, maar bij een diameter van enkele decimeters
begint het centrum af te sterven.
De dan gevormde kring groeit steeds verder naar buiten uit, terwijl de open dode middenruimte steeds groter wordt.
In heel grote kringen met een doorsnede van een meter kan zich in het midden weer een nieuwe borstelgrasplant vestigen.
Ook komen hoefijzervormige kringsegmenten voor, waarvan de open kant altijd naar het noordoosten is gericht.
Ook de gesloten kringen zijn aan de zuidzijde duidelijk vitaler met grotere planten en een dikkere laag afgestorven materiaal.
Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door het afbraakproces van het dode grasmateriaal door schimmels, die een antibioticum produceren,
dat giftig is voor borstelgras. Ook de wind speelt hierbij een rol; het meeste dode materiaal wordt door de ZW-wind aan de NO-zijde
van de levende borstelgrasplant neergelegd.
Hierdoor ontstaan de hoefijzervormige segmenten en breiden zowel kringen als hoefijzers zich vooral tegen de wind in uit.

Uitgestrekte min of meer oorspronkelijke stuifzanden, die ontstonden door verstoring van preiglaciale dekzanden,
vinden we eigenlijk alleen nog in ons land. De stuifgebieden van Noord-België en NW-Duitsland zijn op enkele stukjes na geheel bebost.
Ook in ons land zijn vooral door bebossing en ook door afgraving en villabouw veel stuifzanden verloren gegaan.
Op de onvervangbare restanten moeten we zuinig zijn; de levensgemeenschappen van het stuifzand zijn zeer bijzonder.
De lichenen­vegetaties van onze stuifzanden behoren tot de rijkste van het West-Europese laagland;
de studie ervan is nog maar pas begonnen.


Dierenleven
Over het dierenleven van onze heiden en stuifzanden moeten we wegens plaatsgebrek helaas kort zijn en ons beperken tot globaal
opsommen van onze waarnemingen en die van anderen. Het konijn is vooral de laatste jaren weer zeer talrijk.
Als gevolg daarvan schijnt de haas af te nemen. De holenduif, die broedt in verlaten konijnenpijpen, wordt talrijker;
men schat dat het gebied Leende-Soerendonk in 1973 het dichtst bewoonde holenduifterrein van Nederland was.
De tapuit, die ook graag in grondholen broedt, wordt echter steeds zeldzamer: maar een paartje in de Moesse Hei.
Van de kleine zoogdieren noemen we alleen egel, wezel, bunzing, hermelijn (zeldzaam), eekhoorn, rosse woelmuis, bosmuis.
De grappige oranjebruine dwergmuis woont behalve in riet- en graanvelden ook in pijpenstrootjessavannen.
Zelfs in droog stuifzand vinden we soms graverij van mollen. 

Wilde eenden broeden in de omgeving van de vennen; wintertalingen en zomertalingen broeden graag in gagelveldjes van het Laagveld.
Op stille vennen zien we 's winters wel eens pijlstaarten.
Misschien kwam het paartje slobeenden, dat bij de Klotvennen geregeld in '73 werd gezien, er tot broeden.
 Het gebied Strijp/Soerendonk/Gastel is een bijzonder rijk overwinteringgebied van buizerden en bonte kraaien;
de vogelringer Door Lammers (Maarheeze) ringt elke winter op Leends gebied zeker 15 buizerden (
1974, de webbeheerder).
De bruine kiekendief van het Turfwater foerageert op konijnen boven de heide. Zowel rode als zwarte wouw worden in de
 heide en op ontginningsgronden op de trek gezien; in sept. '73 was er weken lang een rode wouw o.a. in de Kluisse Hei.
Smelleken en sperwer zien we op de trek, torenvalk het hele jaar.
Een tiental jaren geleden broedden nog twee paartjes boomvalken in Leende.
De ideale biotoop van het korhoen is in Leende wel aanwezig: heide, jonge bossen, vliegdennen, weiden en akkers;
de stand wordt geschat op hoogstens 20 stuks. We zien de korren het meest aan de oostkant van de Kluisse Hei.
Sinds een jaar of tien broedt jaarlijks een paartje scholeksters op de Gastelsche Ontginning.
Op de trek wordt wel eens een enkele goudplevier gezien. Watersnippen trekken vrij talrijk door en broeden
ook in enkele paartjes op natte ruige plaatsen.
Bokjes worden ieder jaar gezien op een vaste pleisterplaats bij een bepaald ven in de Groote Heide.
De stand van de wulp omvat hoogstens 8 paren, waarvan nog altijd 1 of 2 paartjes in de Dijksche Heide / Renheide.
leder jaar broeden er nog enkele paartjes grutto's in het Laagveld. Tureluurs broeden vooral in de omgeving
van de vennen, totaal jaarlijks 5 a 6 paartjes. Ook kieviten broeden in laagten en rond de vennen.
Tot ± 1951 broedden er nog kemphanen in de Groote Heide. Tortelduiven broeden liefst in loofbosjes, maar ook in vliegdennen.
In de waaibomen bij de brandtoren komen elke avond tientallen Turkse tortels slapen. De zeer zeldzame duinpieper
(hoogstens 15 broedpaartjes in heel Brabant!) broedde in '73 in het stuifzand van de Groote Heide; mogelijk was er
ook een broedgeval in de Molenheide. Boompieper en graspieper zijn overal in heide en stuifzand vrij algemeen,
evenals geelgors en veldleeuwerik.
Voor de weinige oppervlakte heide die we hebben was de boomleeuwerik in '73 talrijk (6 paartjes);
in het begin van de zestiger jaren werd de stand voor Leende op 20 paartjes geschat.
Klapeksters kunnen we elke winter in Leende zien.  In '65 was er een broedgeval bij de Hasselsvennen.
In 1970 vlogen bij de Klotvennen 5 jonge klapeksters uit; dit was het laatste broedgeval van Leende en
 voor zover bekend het voorlaatste broedgeval van Nederland.
Het koppel, dat in 1971 werd gezien, werd vermoedelijk door een heidebrand verjaagd.

Het aantal vinken, kneuen en merels, dat in vliegdennen broedt, is vrij hoog.
Fitissen zijn overal in heide en stuifzand zeer talrijk. Rond de vennen broeden vrij veel rietgorzen.
In ruige heide bij de Kraanvennen broedde in '73 een paartje sprinkhaanrietzangers.
Boven de vennen kunnen we 's zomers alle soorten zwaluwen foeragerend aantreffen.
Van kuifmees, zwarte mees, staartmees, matkop, koolmees, pimpelmees, heggenmus, ekster, gaai en zwarte kraai,
die wel in en om vliegdennen worden waargenomen, ontbreken nadere gegevens.

Groene kikker, heidekikker, bruine kikker, rugstreeppad en gewone pad worden alle in onze heide waargenomen.
Voor zover bekend ontbreken alle soorten slangen. Hoogst zelden wordt eens een
hazelworm gezien.
De levendbarende hagedis is overal in heide en stuifzand talrijk.
Ook de zandhagedis komt voor, zij het in veel mindere aantallen. (
1974, de webbeheerder)


Insectenleven
Het insectenleven van onze heiden en stuifzanden is zeer uitgebreid.
Hoewel we daarover veel gegevens hebben moeten we er kort over zijn.
Er komen in Leende op de heide tientallen soorten libellen voor, en een vrij groot aantal soorten spinnen,
wilde bijen, zweefvliegen, wespen en hommels.  Van de sluipwespen noemen we de harkwesp van het
stuifzand en rupsendoder en spieswesp van de harde heidepaadjes.
Er is in '72 en '73 enige inventarisatie verricht naar het voorkomen van loopkevers.
In totaal werden 28 soorten gevonden in de Groote Heide.
Hiervan noemen we alleen de prachtige schallebijter Elaphrus cupreus met zijn rood omrand metaalgroen achterlijf,
de streeploopkevers pterostichus lepidus, Pt. aterinus en Pt. coerulescens, de groene zandloopkever Cicindela campestris
en de hier zeer algemene Cicindela hybrida, de basterdzandloopkever.
De mestkevers zijn sinds het verdwijnen van de schapen zeker afgenomen, maar we vinden nog geregeld enkele soorten
die azen op konijnenkeutels. Veldkrekels werden in '73 in Leende overal op droge plaatsen gehoord,
vooral in grazige heide. Het heidehaantje wordt op oude heide nog wel aangetroffen.
In de vijftiger en zestiger jaren was dit kevertje overal op de heiden zeer talrijk. De larven en ook de kevers
kunnen oude heide helemaal kaal vreten, waardoor die kan sterven en dan snel in een grasvlakte kan veranderen.
De kevertjes overwinteren in het strooisel van beschaduwde oude heide met veel mossen.
In vitale jonge heide kan deze kever niet plaagvormend optreden; gegevens over heide keverplagen uit vroeger tijden,
toen er nog veel schapen in de heide liepen en de heide altijd jong was, ontbreken dan ook volledig.
Vooral de alleenstaande berken in de heide worden de laatste jaren mei en juni helemaal kaal gevreten
door de bladsnuitkever Phyllobius piri, maar de taaie berken vormen in juli steeds weer nieuw blad.


Heidevlinder of heidezandoogje is een vrij grote "ijsbruine vlinder met op elke voorvleugel twee zwarte stippen.
In onze heiden algemeen; de rupsen en van grassen. De prachtige nachtpauwoog is hier heel gewoon;
overal in de heide zagen we in '73 van juli tot in oktober de dikke zwarte harige beatlerupsen, vooral vretend op struikheide.
Overal in de heide vinden we ook de taaie perkamentachtige peervormige pophuiden, waarvan de uitgang door borsteltjes is afgesloten.
De mooie kleine gentiaanblauwtjes vliegen in de zomermaanden boven de vochtige heide.
Deze vlindertjes leggen helderwitte eitjes tegen bloemen en bloemknoppen van de klokjesgentiaan.
De purperen rupsjes leven een 'tijdje van gentiaanbloemen, maar ze komen tenslotte terecht in nesten van knoopmieren.
Na de derde vervelling begint zo'n rups uit klieren aan het achterlijf zoetstof af te scheiden.
Dit lokt geelrode knoopmieren naderbij die de rups mee naar huis nemen.
De rups blijkt tegelijk vleeseter te zijn geworden en leeft voortaan van het broed van haar kostjuffrouwen.
De rupsjes overwinteren in de mierennesten; ze verpoppen er in het voorjaar. In juli verlaten ze als vlinders
de veilige mierenwoningen, precies op tijd, want de gentiaanbloei begint dan.

In het stuifzand langs de Veestraat zijn enkele oude zandwinplaatsen, waar de boeren zand haalden
en er vuil en puin terug brachten. Er ontstonden droge steile kanten, beschermd door een 'dak' van boomwortels
en nog niet afgebrokkelde bovengrond, die door plantenwortels wordt bijeengehouden.
Daar vinden we enkele kolonietjes van graafbijtjes en graafwespen en ook nog enkele vangtrechtertjes van mierenleeuwlarven,
die alleen in droog zand kunnen leven.  


Valkerij

In een hoofdstuk, over de heide mag een passage over de valkerij niet ontbreken.
Juist in een periode van verval in grote delen van Europa (na 1650, dalende graanprijzen, pest) begon in onze streken
een periode van enige bloei en ontwikkelde zich hier het valkenbedrijf.
Rond de Groote Heide ontstonden centra van valkenvangst en valkenhandel.
De valken werden in de heide gevangen; na 'zeeg' maken en 'treinen' werden ze als jachtvalken geleverd aan
hoven van vorsten en edelen, waar ze vooral werden gebruikt voor de jacht (valkenjacht, vederspel, vluchtbedrijf) op reigers.
Door de hoge prijzen, die voor de valken werden betaald, zorgden de heiden voor enige welvaart.

De vangplaats of 'legge' werd meestal ingericht op een stille plaats nabij een ven of moeras.
In onze heiden weten we met zekerheid twee van deze vangplaatsen: tussen de Klotvennen, de Heg en het Turfwater
(topogr. kaart 1837) en bij de Hasselsvennen, waar de restanten van een tobhut nog aanwezig zijn.(
1974, de webbeheerder)
Die tobhut speelde een belangrijke rol bij de vangst. Het was de schuilplaats voor de vanger, een plaggenhut, gebouwd
rond een zware staak met daarop een karwiel waartegen stokken werden gezet die met plaggen werden afgedekt.
Het geheel zag er uit als een heiheuveltje. Dat tob- komt van tobben = het moeilijk hebben; maar een oudere betekenis van tobben is:
rukken, trekken. De tobhut werd betrokken ver voor het eerste licht daagde.
Alle voorbereidingen moesten in het donker worden uit­gevoerd. De te vangen vogels mochten vooral op die plaats geen mens zien.

Het vangen van valken was een herfst- en winterbedrijf. Het ging vooral om de slechtvalk of edelvalk, die op de trek ons land passeert.
Niet ver van de tobhut bouwden de valkeniers een of meer veel kleinere hutjes met een open zijde, die gericht was naar de tobhut.
In zo'n hutje werd een min of meer tamme klapekster (het 'handwerk') geplaatst, die zich aan een lijn vrij kon bewegen.
Vanuit de tobhut kon de valkenier de gedragingen van de klapekster volgen. Aan de bewegingen en manieren van het zeer scherp ziende
handwerk kan de valker zien of er iets in de lucht is en wat dat is: een gewone kraai of een wouw,  een havik of een valk.
Als er voor ons nog geen stipke in de lucht te zien is, ziet dat toch de klapekster al,
die bovendien op elke soort anders reageert.

Een hoog overtrekkende valk komt alleen naar beneden voor een bewegende prooi.
Daarom stonden er drie zgn. tobroeien waarover lijnen liepen die vanuit de tobhut konden worden bediend.
Met een van die lijnen kon een houten kunstvalk ('den dove') in beweging worden gebracht; dat gebeurde regelmatig om
de aandacht van de overtrekkende valken te trekken.
De twee andere lijnen, die bij nadering van een door het handwerk aangekondigde valk werden bediend, brachten achtereenvolgens
een levende valk ('den zege') en een duif in beweging om de valk uit de lucht naderbij te lokken.
Een vallende valk kon tenslotte in een klapnet worden gevangen. Andere jachtvogels dan valken (haviken bijv. )
werden wel als jonge vogels 'uitgehorst'.
Na moeizaam zeeg maken en africhten ('treinen') kon een valk tenslotte worden afgeleverd.

Het valkbedrijf ontstond hier pas begin 16e eeuw (oudere gegevens ontbreken althans) en ging door tot in de 19e eeuw.
De laatste valkenvanger was Karel Mollen (Valkenswaard 1854-1935), wiens laatste nog herkenbare tobhut lag onder
Heeze tegen het Grevenshutven. Veel valkenvangers uit onze streken traden voor kortere of langere tijd in dienst
van vorsten en edelen in het buitenland. Valkeniers waren dikwijls aanzienlijke bemiddelde voorname persoonlijkheden,
die zelfs geld leenden aan heren en gemeenten. Valken waren duur.
De Staten van Holland moesten in 1629 twee keer twaalfhonderd goudguldens betalen voor twaalf slechtvalken
en twee giervalken, die bedoeld waren als geschenk aan de koning van Frankrijk.
Valkenswaard (dat vroeger Weerd of naar de varkensmarkt aldaar ook wel Verckensweerd heette)
heeft de naam als valkenvangerscentrum (Mollen, Booms, Bots, Danckers, Verhoeven, Royarts),
maar ook in Eersel en Waalre (Booms, van de Gruythuijsen, Bijnen, Vrancken) woonden valkeniers.
De oudste valkeniersplaats in de Kempen is wellicht Arendonk (o.a. fam. Hezemans). Maar het belangrijkste
valkenvangerscentrum was bijna zeker Leende en in het bijzonder Strijp. Daarvoor zijn allerlei bewijzen aan te voeren.

Philips Baron van Leefdael, heer van Waalwijk en ook van Beek ('bij Aarle'), die veel belangstelling had voor historie,
 maakte een beschrijving van de Meierij van Den Bosch omstreeks 1640.
En hij schrijft o.a.:
"Leende is van ghelycken een Schoon groot dorp ; .... sinde eene vermaerde plaetse door de valckenieren,
 die daer veele woonen ende by alle vorsten en princen de gansche weerelt door, jae by den Turckschen keiser selfs gaen dienen ....
"
In zijn beschrijving van Valkenswaard (toen nog gewoon Weerd) vermeldt hij niets over valkeniers.

Uit de beschrijving van van Leefdael weten we ook dat Leende toen een bevolking had, die meer dan dubbel zo
groot was als die van Valkenswaard.
In 1846 schrijft J. van der Aa over het centrum van Leende: "Dit deel, de Leenderstraat, was vroeger een welvarende plaats,
waar behalve landbouwers vele valkeniers, voerlieden en kooplieden gevonden werden. "

Er zijn bovendien zeer veel Leendse en vooral Strijpse valkeniers bekend.
Enkelen daarvan waren waarschijnlijk niets anders dan teuten, die slechts handel dreven in valken.

Hieronder volgen de namen van de tot nu (1974, de webbeheerder) toe bekende Leendse valkeniers:

Jacob Booms (kleinzoon van Jacob Jan Vogel, zie hierna, in 1718 valkeniersknecht bij zijn oom Gijsbert Royaerts of Royers),
Francois Bijnen (1676-na 1711, valkenier bij de koning van Pruisen ; in o.a. 1711 reisde hij met 40 valken van Leende naar Berlijn),
Francois Bijnen (1713-na 1752, valkenier in Saxen-Gotha),
Jan Baptist Bijnen ( ?- ± 1690),
Jan Jacob Bijnen (1667-v66r 1704, valkenier bij de koning van Pruisen),
Willem Bijnen (broer van Francois, eveneens valkenier bij de vorst van Saxen­Gotha),
Henrick Clevers (1640) en zijn broer Jan Clevers,
Aert Henrick Dingens (15?-v66r 1618, probeerde o.a. valken te vangen of te kopen in IJsland),
Peter Willem Geuen (in 1604 valkenier bij Graaf Maurits van Nassau),
Johan Gielissen (1641),
Anthonis Robbers (in 1604 valkenier bij de Koning van Spanje),
Jacob Royaerts (1725-na 1785, zoon van Frans, valkenier bij de hertog van Beieren),
Jan Royaerts (1699-na 1752, meester-valkenier bij de Prins-Bisschop van Luik),
Frans Royaerts (1685-na 1741, meester-valkenier van de Graaf van Hessen en Darmstadt, leerde het vak bij Sir Gijsbert Royaerts in Valkenswaard; de landmeter Hyacinthus van Dijk, 1786-1851, die de eerste kadastrale kaart van Leende maakte
en later burgemeester van Leende werd,     was zijn kleinzoon,
Gisbertus Royers, Henrick Willem Steymans (± 1600-na 1650, reisde minstens 33 keer naar Noorwegen om er valken te kopen, of uit te horsten?)
Willem Peter Tielens (± 1650),
Heindrijck Pieter Tilens (in 1646 koning van het gilde Sint Jan Baptista van Strijp),
Willem Thonis Verbraecken (± 1650, valkenier bij de vorst van Keulen),
Bartholomeus Vermeulen
(voor 1697-?, afkomstig van Valkenswaard, valkenier bij de Koning van Frankrijk, later bij de keurvorsthertog van Beieren),
Jacob Vermeulen (zoon van Johan, v66r 1731-?, valkenier bij de keurvorsthertog van Beieren; dit was de laatste valkenier van Strijp,
die het Hooghuis bouwde; bij de doop van zijn eerste kind trad Carolus Albertus, hertog van Beieren, op als doopheffer,
bij het tweede kind was dat diens gemalin Maria Amalia, aartshertogin van Beieren),
Johan Vermeulen (v66r 1690- ± 1741, afkomstig van Valkenswaard, valkenier bij de keurvorsthertog van Beieren; deze Johan had zeer veel bezittingen)Jacob Jan Vogel (1640-1680, valkenier van de hertog van Loneburg; leende op 15.12.1672 500 guldens aan Mierlo en later nog eens 759 carolus guldens),
Jan Vogel (v66r 1640-na 1687),
Antonis Willems (1604).

Volgens de overlevering vingen de Strijpse en Leendse valkeniers vooral bij de Galberg.


   naar het begin


einde