Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Heg
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


De Heg, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "De natste plekskes zin 't aldersgonst",  Strijper heg en andere moerassen langs de beken


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


De Strijper heg 

De mooie moerassen langs de bovenloop van de Strijper Aa behandelen hieronder omdat ze sterk afwijken van de andere beekdallandschappen
en enkele interessante aspecten hebben.·

In de meeste vegetaties zijn processen gaande, waardoor in betrekkelijk korte tijd veranderingen kunnen optreden en een vegetatie in een andere overgaat. Deze processen worden voor een groot deel door de vegetaties zelf bewerkstelligd. Hierbij spelen allerlei verschijnselen een rol: beworteling, humusvorming, veenvorming, mineralisering van organische stoffen, bodemvorming, concurrentie (tussen individuen van één soort, tussen planten­soorten en tussen vegetaties), parasitisme, symbiose, coöperatie. Het totaal van de verandering veroorzakende processen noemen we successie. Aan het begin van een successiereeks van elkaar opvolgende gemeenschappen staat een pioniergemeenschap. Het laatste stadium is een climaxgemeenschap, meestal een of andere vorm van bos of struweel. Een pioniervegetatie bestaat meestal uit ijle korte begroeiingen; een climaxvegetatie is veel hoger en de begroeiingen zijn vol en bestaan uit meerdere etages. Tussen pionier- en climaxgemeenschappen kunnen allerlei 'kultuurklimaksen' eeuwenlang blijven bestaan als gevolg van elk jaar herhaalde maatregelen en kunstmatige invloeden: vegetaties van heiden, schraallanden, wegbermen, akkers, grienden, hakhoutbossen.

De successie is haast nergens beter waar te nemen dan bij de elkaar vrij snel opvolgende verlandingsgemeenschappen in min of meer voedselrijke en niet te diepe plassen. Meestal zijn van de rand (ondieper) naar het midden (dieper) van zo'n plas diverse verlandingsstadia aanwezig, terwijl rond de plas oudere boven-water-stadia aanwezig kunnen zijn. In onze moerassen in het dal van de Strijper Aa ten Z van Strijp vinden we veel verlandingsgemeenschappen vanaf open water en weinig begroeid water tot vrij dikke veen pakketten met prachtig opgaand elzenbos.


De klotwinning gebeurde op twee manieren. Zoals bij zoveel werkzaamheden werd ook hier coöperatief gewerkt; de buurtbewoners hielpen elkaar. Uit veenputten werd de klot gestoken. Voor dit 'klotschieten' moest in drie- of viermansploegen worden gewerkt. Een man stak de klot in keurig peperkoekformaat uit de vierkante of smal­rechthoekige put en schoot die op een platte kruiwagen. Een tweede man kruide de klot naar een droge open plek, die ook voor een kar bereikbaar was. Daar werd de natte klot voorzichtig in rijen opgestapeld. Een derde deed niets anders dan de put droog houden door met de gierschepper te hozen; het uitkomende water werd in een vorige (oude) put geschept. Het hozen was van groot belang omdat men daardoor ook dieper kon komen; en onderaan is de beste klot te winnen. Als de afstand naar de stapelplaats te ver was, was er nog een vierde persoon; er waren dan twee kruiers. Tussen de putten bleven dammen zitten. Soms braken die door, bijvoorbeeld bij hoog water en veel wind, zeker als de dammen te smal waren. Men ging dan over tot baggeren of moeren. Vooral in De Heg en in De Goorsche Putten werd gebaggerd. Ook daarbij bleven dammen zitten, maar deze dammen waren breder en lagen verder van elkaar. Klot van bagger was vaster en harder en brandde beter. Het maken van baggerturf ging als volgt. De vegetatielaag werd verwijderd en in de aangrenzende plas gegooid. Men stak (schop) of schepte (ijzeren beugelnet) veen en modder in een omwald gedeelte. Met de krebber werden kluiten kort gemaakt. Door vermenging met water en door aantrappen werd een egale puddingachtige massa verkregen die enkele dagen lang met water werd begoten om krimpscheuren te voorkomen. Met het baggerdmes werden na enkele dagen de turfblokjes gesneden. Ook werd de moer' of bagger wel uit de plas geschept en met een schuit naar de kant gebracht. Na enkele weken stapelde men de aangedroogde klot luchtig op in halvemaan­of torenvormige stapeltjes. Klotgraven en baggeren gebeurde in de zomer, vóór de graanoogst.
De jongste putten en baggerplassen dateren uit de periode 1940-1945.

De verkaveling van de baggerwinning in De Heg is in het terrein goed te herkennen aan de gespaarde dammen en aan de vegetaties van verschillende leeftijden, gekenmerkt door bijvoorbeeld meer of minder riet en lisdodde, met of zonder gele plomp, de aanwezigheid van zeggen, enz. De wilgen zijn op het ene perceel nog jong, op een ander vormen ze al 'wilgebol'-Iandschappen, elders zijn het al wilgenbossen met daartussen zachte berk en vuilboom. De grenzen tussen de verschillende vegetaties zijn steeds recht en haaks. De klotputten elders in het moeras zijn in de regel vrij klein. Hier en daar zijn enkele putten door het wegnemen van scheidingsdammetjes veranderd in grotere kuilen, waarin 'gemoerd' is. Men is vroeger het klotputtengebied binnengedrongen vanuit de hoger gelegen Dijksche Heide. Dit is tamelijk goed herkenbaar aan een aantal zandige banen, oude klotwegjes, waarover men steeds verder het gebied inging. Deze wegjes werden steeds langer. De draagkracht werd vergroot door ophoging met zand. In de flank van het beekdal, waar het moeras grenst aan de Dijksche Heide, vinden we nog een reeks laagten, die door het winnen van dit hoogzand zijn ontstaan. Aan een enkel omwald veldje herkennen we de baggervervening.  

De duur van verlandingsprocessen hangt o.a. af van diepte en grootte van de plas of kuil, de ligging (in de luwte of op de wind), de zuiverheid en de voedselrijkdom van het water, het optreden van kwel en de aard van de ondergrond. Deze factoren bepalen ook mede de samenstelling van de verplantingsvegetaties. Bij ons betreft het steeds vrij kleine tamelijk ondiepe en beschut gelegen putten met min of meer voedselrijk water op een zandondergrond. Uitzonderingen hierop zijn de grotere plassen van De Heg en De Goorste Putten, die ook kwelwater van hoger gelegen gronden ontvangen. De plassen in De Goorste Putten zijn thans vrijwel geheel verland. De verlanding van plassen begint met een rijke groei van allerlei wieren (vooral veel kranswieren) en daarna van fonteinkruiden. Later volgen het zwevende mosje watervorkje, gedoomd hoornblad en waterviolier. In korte tijd wordt vrij veel 'rottingsslib' (sapropelium) gevormd, waardoor het water ondieper en de bodem modderiger wordt. En daarna vormt zich een stadium, waarin planten verder boven water gaan uitgroeien, zoals de blauwgroene grote lisdodde (Iamperègers) met de dikke bruine rietsigaren, riet en grote egelskop. Op een enkele plek groeit ook nog kleine lisdodde, die niet kleiner maar wel fijner en ranker is. De mattenbiesvegetaties, die we hier en daar nog aantreffen, schijnen voor een deel geplant te zijn; Pietje van Engelen, stoelenmatter en boog- en pijlmaker, plantte eind vorige eeuw o.a. in De Donkerbroeken mattenbiespollen uit.

Op meer beschutte plaatsen gaat slangenwortel optreden, een nu zeldzame plant, die bij ons nog in massa groeit op het vroegere diepste punt van De Goorste Putten in het jongste nu aanwezige stadium van de verlanding van de vrij kleine plassen in dit terrein. Het smetteloos witte aronskelkachtige bloemblad omgeeft een gele kolf met meeldraden en stampers, die uitgroeit tot een stammetje met oranjerode vruchten. De lange min of meer drijvende stengeluitlopers met de boven water uitkomende bladeren van de slangenwortel breien het water dicht tot een 'vloertje' waarop een nieuwe gemeenschap een kans krijgt. Er ontstaan drijftillen, waarin belangrijke verlanders optreden: waterscheerling, Het stadium met krabbescheer, dat in veenplassen elders veel voorkomt, hebben we hier niet aangetroffen. Wel vinden we in de plas van De Heg en ook in kleinere klotputten het stadium met waterlelie en gele plomp, taaie planten die met knuppeldikke horizontale wortels in de modder wonen en drijvende bladeren en bloemen naar de oppervlakte sturen. Soms ook drijven de wortelstokken aan de oppervlakte. Ook in deze fase wordt veel organische modder gevormd. De fonteinkruiden verdwijnen en kikkerbeet verschijnt. Een schermbloemige waarvan de geveerde bladeren in de nazomer mooi roodachtig verkleuren, en waterdrieblad die verschijnt in dichte bladrijke vegetaties en die bloeit met mooie roze-witte tuilen. Wanneer de slappe modderbodem het water­oppervlak heeft bereikt treden belangrijke veranderingen in. Er ontstaan trilvenen, waarop men kan lopen. De aaneengesloten dichte vegetatie van dergelijk jong land heeft enige draagkracht, maar de bodem zwiept, veert en golft nog bij elke voorzichtige stap. Het centrale open deel van De Goorste Putten lijkt op het eerste gezicht een egaalliesgrasveld.

Maar het is in feite een al jaren geleden boven water gegroeid trilveen op een voormalige veenplas, die alweer opnieuw uitgeveend zou kunnen worden. Op de diepste plaatsen zijn nog enkele kleine resten open water waarop drijftillen met slangewortelliggen. Tussen het grove brede hardgroene liesgras groeit bij nader beschouwen veel meer: grote lisdodde, melkeppe, moeraswederik (zeldzaam), forse waterzuring, gele lis, grote boterbloem, holpijp, kattestaart, cyperzegge, hennegras, en op ouder trilveen ook kale jonker en engelwortel. Vooral de planten met rechte grasachtige omhoogstrevende bladeren overheersen. Dit is het domein van de watersnip, die er dan ook elk jaar broedt.

Rond de plas van De Heg vinden we andere trilveengemeenschappen, allemaal van elkaar verschillend al naar de ouderdom ervan en duidelijk van elkaar gescheiden door vaste veendammen, waarop bolle wilgenstruiken groeien. In deze trilvenen zijn vooral de zeggesoorten talrijk. Fragmentarisch komt hier o.a. voor de in het zuiden zeer zeldzame Veenmos-Draadzegge-gemeenschap met kostbare zeggesoorten als ronde zegge en draadzegge en ook met zompzegge, cyperzegge en snavelzegge, en met moeraswalstro, wateraardbei, wederik, blauw glidkruid, melkeppe, waterzuring en allerlei mossen (vooral veenmossen). In 1952 nog werd hier de zeer zeldzame slijkzegge aangetroffen; het is mogelijk dat deze soort er nog wel voorkomt, hoewel die door ons niet werd gevonden. Op sommige plaatsen groeien tussen de zeggen watermunt en waternavel.

De rietveldjes rond de plas van De Heg en ook elders langs de Strijper Aa zijn heel bizonder. Het zijn hoogveenachtige begroeiingen die volgen op de trilveengemeenschappen en dan ook al een eind boven water zijn uit gegroeid. Tussen het fijne dunne riet groeien nog enkele lisdodden, maar die zijn duidelijk aan het verdwijnen. De bodemflora van deze vegetaties is erg mooi. Op de bodem vormde zich een merkwaardige wereld van hoge donker- en lichtgroene mosbulten van gewimperd veenmos en haak veenmos. Hiertussen groeien opmerkelijke planten zoals moerasviooltje, bitterzoet, zompzegge, moerasvergeet-mij-nietje, waternavel, waterdrieblad. De bovenbeschreven plantengemeenschappen komen deels ook voor in Het Soeriks Goor en Turfwater, maar worden in wijde omgeving verder niet aangetroffen.

In de elzen broekbossen van De Goorste Putten, De Broeken, De Putten en De Dollinger Putten vinden we nog de sporen van de turfwinning uit klotkuilen. De verlanding verloopt hier geheel anders en veel langzamer dan in de plassen. De verlanding van de klotkuilen wordt mede in de hand gewerkt door bladeren en takjes van het omringende bos. In de verschillende putten treffen we o.a. aan: grote egelskop, gele lis, holpijp, lidrus, dotterbloem, wateraardbei, waterviolier, bitterzoet, wolfspoot, moeras walstro, engelwortel, zompzegge en enkele andere zeggesoorten. De samenstelling van de vegetaties wordt hier sterk bepaald door de hoeveelheid licht, diepte en afmetingen van de putten, en de beschutting van het elzenbroekbos.


De Spreeuwen:
We moeten we het hier nog hebben over de spreeuwen die elke avond komen slapen in rietveldjes en wilgenbossen van Heg en Goorste Putten en daarbij prachtige schouwspelen opvoeren. De spreeuwen van een bepaald gebied vertrekken tegen de avond naar een gezamenlijke zgn. sociale slaapplaats. Dit kan een dennenbos zijn of een ander soort bos en zelfs een boomgroep of een laan midden in een stad. Dikwijls echter verkiezen de spreeuwen rietvelden en moerasbosjes. De redenen waarom spreeuwen plotseling van slaapplaats veranderen is niet bekend. De Heg was jarenlang (in 1971 nog) de slaapplaats voor alle spreeuwen uit de verre omgeving. Andere bekende spreeuwenslaapplaatsen waren de rietvelden in en om het Beuven (Someren), de wilgenbossen van het Maasven (Heeze), een dennenbos bij Lierop, een ander dennenbos bij Someren, een broekbosje langs de E3 bij Veldhoven. De Leendse spreeuwen sliepen in 1973 in de moerassen van de Urkhovensche Zegge (Geldrop) langs de Kleine Dommel ten N van het Eindhovensch Kanaal. Het is niet onmogelijk dat op een of andere dag de slaapplaats van De Heg weer in gebruik wordt genomen. slaapvelden. Soms blijven ze spelen en praten en ruziën op een vóórverzamelplaats, meestal een weiland in de buurt, of ze vliegen voor even in bomen, waarvan de takken dan ver doorbuigen onder het gewicht van de vogels. Meestal echter voegen de uit alle richtingen aanvliegende spreeuwen zich aaneen tot één grote dichte levende wolk. Ze blijven rondvliegen. Elk nieuw aankomend troepje valt 'vanzelf' in die wolk. Het kan niet anders: door de geweldige luchtverplaatsing worden de nieuwkomers letterlijk in de wolk gezogen. De spreeuwenwolk beweegt zich als één geweldig wezen en lijkt door een geheimzinnige macht bestuurd. Alle vogels bewegen zich hetzelfde, alle slaan ze op dezelfde manier de vleugels uit, ze wenden allemaal tegelijk naar links of rechts. De wolk is donker, maar een moment later lijkt de vogelmassa ijler, lichter en grijzer. Sperwers en andere stootvogels proberen uit de slaapvluchten enkele spreeuwen te grijpen. Bij het Beuven was vroeger (in 1965 nog) elke avond een slechtvalk enkele minuten vóór de spreeuwen kwamen in de buurt van de slaapplaats. Vooral als er stootvogels in de buurt zijn kunnen we prachtige wolken zien. Zo gauw zich een stootvogel vertoont verdicht de wolk zich, wordt kleiner en ronder, zwenkt sneller om, stijgt op en valt terug. Alleen een spreeuw, die buiten de gelederen raakt, kan worden gepakt. Tegen het vallen van de avond komen de spreeuwen in kleine en grotere groepjes en in soms erg grote groepen uit alle richtingen lijnrecht naar de slaapplaats gevlogen. In korte tijd zijn er duizenden, even later tienduizenden. In oktober zijn de aantallen meestal het grootst; er kunnen dan op één slaapplaats enkele honderdduizenden tot een half miljoen spreeuwen bijeenkomen, maar het aantal is dan op geen vijftigduizend nauwkeurig te schatten. Bij slecht weer vallen de spreeuwen meteen in de En dan ineens daalt de wolk. De uitlopers ervan worden meegezeuld als massazang achter de trekkende muziek van een kerkorgel. In nog geen tien se kond en zijn alle vogels ingevallen. Een brede zigzaglijn van spreeuwen lijkt in het riet te worden opgevouwen. Want tijdens de val van de eerste vogels blijft de rest zich op en neer wenden als de staart van een reusachtige wervelwind. De laatst aankomende spreeuwen vliegen in lange reeksen golvend over bomen en bosjes en open stukken naar de slaapplek. Pas na het invallen horen we de eerste geluiden, die spoedig uitgroeien tot een hevig kabaal van tienduizenden kleine ruzietjes om een goede slaaptak. Als de vogels eenmaal zitten, laten ze zich niet meer verjagen. Het hele jaar door zijn de slaapplaatsen in gebruik. De aantallen zijn het kleinst in de broedtijd. In oktober en november en in zachte wintermaanden zijn er de meeste spreeuwen. Er zijn dan veel doortrekkers en in die tijd zijn de spreeuwenwolken dan ook elke avond anders samengesteld: een deel van de spreeuwen van een vorige dag is door­getrokken en er zijn nieuwe bijgekomen. 's Morgens verlaten de spreeuwen in de schemering de slaapplaatsen. Bij gedeelten vliegen de vogels weg. Het opstijgen gebeurt alsof de spreeuwen worden weggeschoten als bij een explosie. Vóór de zon opkomt zijn ze al op de foerageerterreinen of bij de broedplaatsen.


Meer over de Strijperheg op deze website: Fotoalbum/Gebied/Strijperheg


   naar het begin


einde