Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Broedvogels
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Broedvogels, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "De veugelkus van Lind"  De broedvogels van Leende-dorp, Strijp en bungalowpark


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder


Broedvogels:  ďDe veugelkus van Lind in 1974

Om enig inzicht te krijgen in de soorten en aantallen vogels, die aan de huizen en in de tuinen van Leende wonen, werden door ons in voorjaar en zomer van 1973 broedvogeltellingen gedaan. We deden een aantal verrassende waarnemingen, die verband houden met de 'groenheid' van Leende en dit wordt daarom een leuk hoofdstukske. Aanvankelijk gebeurden de tellingen tamelijk globaal. Maar eind april '73 besloten we voor de aardigheid de broedvogelstand van Leende eens te vergelijken met die van Strijp en van het bungalow≠park. Daarvoor moest nauwkeuriger en wetenschap≠pelijk verantwoord geÔnventariseerd worden. Bovendien wilden we de resultaten van deze drie inventarisatiegebieden vergelijken met eerder gedane tellingen elders. Er zijn nl enkele broed≠vogelinventarisaties uit eerdere jaren bekend, die uitstekend vergelijkingsmateriaal bieden. De tellingen, die L. Tinbergen in 1942 deed in een 'boomrijk dorp op de Veluwe' zijn mooi te verge≠lijken met onze tellingen van Leende en Strijp, boomrijke dorpen in Zuidoost-Brabant.
De tellingen van 1961 door Dr. M. F. MŲrzer Bruijns in een villawijk met oude bomen en ruime tuinen in Zeist kunnen we naast onze inventarisa≠ties van het bungalowpark leggen. Verder kunnen we alle 'groene' woongebieden van Leende, Strijp, bungalowpark, Zeister villawijk en boomrijk Veluwedorp vergelijken met de resultaten van tellingen in een stadsdeel van Utrecht, door MŲrzer Bruijns verricht in 1951.

De broedvogel bevolking van al deze gebieden is omgerekend per 10 hectaren. Niet heel Leende is geÔnventariseerd. Alleen in het oude dorp en de al wat oudere uitbreidingen, waar al veel hout groeit, zijn de tellingen gedaan. We wilden vooral cijfers verzamelen van het 'oude' dorp om aan te tonen hoe talrijk daar de vogelstand wel zou kunnen zijn. Daarom zijn de telgebieden begrensd; de plaatsen, die niet typisch genoeg zijn voor het betreffende vergelijkingsgebied, zijn er buiten gelaten. Zo is het inventarisatiegebied Leende-dorp als volgt begrensd: vanaf de Kortestraat in het noord≠oosten tot de rijksweg in het zuidwesten; in het westen is de begrenzing de Oosterikkerdijk tot aan het gedoetje van Toontje Smulders, de Broekerstraat (ook de erven aan de Aa-kant van die straat) en de Dorpsstraat tot en met garage Roothans en het erf van de fam. Vlassak, waar vroeger Janus Laak woonde; in het noordwesten Iigt de grens bij de buitenkant van de achtertuinen, de Haalvennenstraat tot aan het erf van Hein Rutjes, Boschhoven tot en met de erven van de burgemeester en van Dientjes, de Valkenswaardseweg tot en met de erven van Frans Vogels en mijnheer Moes. De Kerkakkers zijn niet geÔnventariseerd. Ook Zevenhuizen en de Renhoek rekenden we voor dit doel niet bij het dorp, omdat de structuur van huizen, bomen, hagen en tuinen hier evenals in het westelijk deel van Boschhoven te veel gelijkenis heeft met die van Strijp en afwijkt van de rest van het dorp. De vergelijking met Strijp zou niet goed te maken zijn als we de Renhoek, Zevenhuizen en geheel Boschhoven ook bij Leende-dorp geÔnventariseerd zouden hebben. Bovendien moesten de telgebieden beperkt van grootte zijn, omdat er veel tijd gaat zitten in broed≠vogeltellingen en het uitwerken van de resultaten daarvan.

Het telgebied Strijp bestaat uit de Strijperstraat van af 't Eindje (inclusief het erf van Wout Schoone), Klooster, Zandbergstraat en Strijperdijk; in het westen is de grens het SintjanshŲfke in de tip tussen de Heerstraat en de Kapelstraat, de Zandbergstraat tot en met het erf met nieuw land≠huiske (Theodoor Cardinaal), net voorbij het zandwegske naar het SintjanshŲfke; in het zuiden is de begrenzing de achterhaag van de achtertuinen, inclusief het oude centrum van Strijp, waaraan o.a. Westmijze woont en tot en met het erf van houthandelaar H. Bax.

In het bungalowpark is geteld in alle percelen waarop huizen staan en ook in de enkele tussen≠gelegen nog niet bebouwde percelen, in het vennetje en in de strook tussen de Fazantlaan en de rijksweg. De inventarisatiegegevens zijn verwerkt op kadastrale kaarten, schaal 1 : 2500. Deze kaarten hebben gediend als basis voor de kleine vereen≠voudigde kaartjes, waarop enkele soorten zijn aangegeven. Van het bungalowpark konden niet tijdig genoeg kaarten bemachtigd worden. Van dit gebied zijn de tellingen eenvoudig in lijsten verwerkt.

Het doen van broedvogeltellingen is niet zo moeilijk als het lijkt. Met uitzondering van een soort als bij v de huiszwaluw hoeft helemaal niet naar nesten te worden gezocht. Er zijn andere bewijzen aan te voeren voor de aanwezigheid van een broedpaartje.
Om dat duidelijk te maken eerst wat uitleg over de betekenis van de vogelzang en iets over broed≠territorium en biotoop.
Het broedterritorium is het gebied, dat een vogel≠mannetje als zijn eigendom in bezit neemt en dat hij verdedigt tegen indringers. Die indringers zijn andere mannetjes van dezelfde soort, die elkaar allemaal als vijanden of liever gezegd als rivalen beschouwen. In het algemeen zijn de territoria van paartjes van dezelfde soort duidelijk gescheiden. Het territorium kan groter of kleiner zijn. Grotere vogels hebben gewoonlijk een groter territorium dan kleinere soorten. Koekoeken (broedparasieten) hebben een erg groot territorium, dat zeer veel territoria van kleine zangvogeltjes moet omvatten.

Steeds echter heeft een territorium een zekere minimumafmeting. Dit schijnt vooral te maken te hebben met het opgroeien van de jongen, waarvoor het territorium voldoende van het voor de betreffende soort geŽigende voedsel moet bieden. Het territorium moet bovendien voldoen aan andere eisen: een geschikte nestplaats, zang plaatsen, dekking, nestmateriaal; de storingen door mensen en roofdieren mogen de grens van de 'maximaal toelaatbare onrust' niet overschrijden. Voor iedere soort is dat anders. De vogelmannetjes maken door zingen bekend, dat ze een territorium in bezit hebben. Ze doen dat vanaf de dag, dat ze dit gebied in eigendom nemen, tot het moment, waarop het hebben van een eigen gebied overbodig wordt, nl. als er geen jongen meer gevoerd hoeven te worden.

In de regel komen de vogel mannen het eerst terug van de lange wintervakantie in het zuiden. Zodra hij een nog niet bezet terrein heeft gevonden begint het mannetje dat bekend te maken. Hij gaat zingen en roepen. Dikwijls is het gekozen terrein het zelfde als dat van verleden jaar. Juist in deze eerste tijd zingt hij erg veel. Vogelzang betekent dus, dat een vogel mannetje bezig is zijn terrein af te palen. De later arriverende wijfjes zoeken na aankomst een man mťt een terri≠torium, een man dus die zingt. En een vogelman zingt alleen wanneer hij daartoe recht en reden heeft, wanneer hij een eigen erf heeft. Dikwijls is de man, die door een wijfje wordt uitgekozen, dezelfde als die van vorig jaar; beiden komen nl naar het vorige broedgebied terug. Maar dit is geen regel. Het komt ook voor, dat voor een nieuw seizoen een nieuwe partner wordt gezocht. Op de wijfjes heeft het mannelijk gezang de uit≠werking van genegen toenadering. Maar het zingen heeft nog een functie: het houdt andere mannetjes op een afstand.

Iedere soort heeft een eigen karakteristieke zang. De mannetjes doen hun best die binnen het territorium zo veel mogelijk te laten horen. Sommige soorten doen dat vanaf een duidelijke vaste zang post. Andere soorten kiezen steeds een andere zangplaats. Weer andere zingen vliegend boven het territorium. Iedere vogelsoort heeft een eigen zanggedrag. En zo worden de grenzen nogal precies en erg duidelijk afgebakend. Tjiftjaffen fladderen de hele dag al zingend door het broedgebied, vooral langs de grenzen ervan. Ook fitissen en spotvogels (beiden verwant aan de tjiftjaf) handelen ongeveer op deze wijze. Steeds doen zich schermutselingen voor met tegen≠standers, met burensoortgenoten.

De meeste nachtegalen hebben een vaste zang≠boom ergens in hun territorium. De vink laat zijn slag op zoveel mogelijk plaatsen horen, liefst aan de grenzen van het erf. Buizerden maken schroef≠vluchten boven het ruime broedgebied, af en toe een mauwend geluid roepend. Al in februari zit de bosuil op vaste plaatsen te hoeh-en en te sidderen. Leeuweriken, piepers en weidevogels zingen vliegend boven hun erven in het open wijde land. De watersnip maakt daarbij zelfs muziek met zijn staart. Bij het vechten, dat nu eenmaal hoort bij de bezits≠vorming en bezitsverdediging van ieders territorium, worden voor elke soort zeer typische dreighoudingen aangenomen. De mannetjes roodborst steekt zijn kopje omhoog en toont zijn van liefde gloeiende borst. De mannetjesvink houdt de kop lager en probeert de tegenstander af te schrikken met de spiegelend≠ witte epauletten. Kuifmezen en leeuweriken zetten de kuif op en koolmezen intimideren met de kool≠zwarte streep over het diepgeel van borst en keel. De steenuil maakt indruk op de tegenstander door op en neer te wippen; in een zittende houding is de kop laag en heel erg rechtop staand is even daarna de kop hoog geheven.

Zelfs de zangtijden zijn voor de verschillende soorten anders. Merels, roodborstjes en roodstaarten beginnen al vůůr zonsopgang te zingen, boomleeuwerik en nachtegaal zingen zowel overdag als 's nachts, houtduiven en tortels zingen vooral als het eenmaal goed en wel licht is, andere soorten zingen midden op de dag. Allemaal zingen ze ook wel op andere dan de voorkeurstijdstippen, maar dan meestal minder frequent. Zelfs als er jongen zijn wordt tussen de drukte van het voeren door toch tijd gevonden om door zingen de bezetting van het territorium regelmatig bekend te maken. Nog rondtrekkende mannetjes, die nog geen eigen gebied vonden, worden afgeschrikt door de zang van een soortgenoot in hun nabijheid. Ze worden schuwen bang en maken zich geruisloos uit de 'voeten'. Ze hebben nog geen rechten, er is niets te verdedigen. Het merkwaardige is dus dat pas na het in bezit nemen van een gebied een vogel man flink wordt en verdedigend gaat doen. En daarom zal het wel erg weinig voorkomen dat een territorium op een soortgenoot wordt veroverd. Wel worden broed-erven met nest en al overgenomen door andere soorten. Gierzwaluwen kunnen met grote superioriteit een mussennest - vort ermee! - vanonder de daklijst wegsmijten, waarna ze zelf op die plaats gaan wonen.

Enkele jaren' terug vond ik bij controle van nest ≠kasten in een kast, die kennelijk door boomklevers was ingenomen (aan de buitenkant al te zien aan het metselwerk rond vlieggat en overstekende dekselrand), behalve zeven jonge boomklevers ook nog twee jonge koolmezen. Hoe dat gegaan kan zijn? Wel, de boomklevers, die maar geen nestplaats konden vinden, hebben erf en woning afgenomen van een koolmeespaar, dat al twee eieren had. Er was weinig tijd, want met haast was een boomklevernest - van repen bast en losse schors - bovenop het koolmeesnest 'gebouwd'. De koolmees-eikes zijn blijven liggen en de jongen zijn tegelijk met de jonge boomklevers geboren. En bij het voeren krijgt immers ieder, die zijn bek opendoet, daar wat ingestopt. Ook onze haan zingt. Door zijn herhaald gekraai houdt hij de troep bij elkaar, maar hij bereikt tegelijk, dat andere hanen op een afstand blijven. Dikwijls kraaien verschillende hanen dan ook kort na elkaar en ze antwoorden elkaar dan letterlijk, net als nachtegalen en vinken dat doen.

De meeste vogels zingen uiteraard alleen in de broedtijd. Nadien heeft het weinig zin meer. Ze voegen zich dan weer soort bij soort bijeen om samen naar het zuiden te trekken en daarvan terug te keren.

Anders is het bij de standvogels, die het hele jaar in eenzelfde gebied blijven. Mussen, eksters, kraaien, sommige spechtsoorten, steenuiltjes en dergelijke kunnen we het hele jaar door horen, al is de zangfrequentie in de broedtijd wel wat hoger. Roodborsten en winterkoningen zingen - elk in zijn gebied - ook buiten de broedtijd, zelfs midden in de winter. Het opvallende daarbij is, dat ook de vrouwtjes nu zingen en dat zich op de grenzen van de wintererfjes zich zelfs schermutselingen voordoen tussen mannekes en wijfjes van dezelfde soort ťn van andere soorten. Ze verdedigen dan geen broedterritorium, maar een voedselterrein. Dikwijls is de grens van een vogelterritorium een bestaande grens in de vorm van een schutting, een haag of een pad. Daardoor kunt ge spreken van 'uw' vliegenvanger en 'uw' vink in de tuin.

Behalve de vogels bezitten ook andere diergroepen territoria en elke soort heeft zijn eigen manier om de begrenzing aan te geven. Het besprenkelen van bomen en lantaarnpalen, dat uw hond maar niet kan laten, heeft dezelfde betekenis als het zingen van vogels, het burlen van edelherten en het planten van hagen door mensen.
Mannetjes -sprinkhanen en -krekels houden er een klein erfje op na, waarheen ze door voortdurend 'zingen' een wijfje lokken. De roodgebuikte stekelbaarsjes verdedigen in de paaitijd hardnekkig dat stukje sloot, waar ze het nest bouwen, een vrouwtje heen lokken en de jongen beschermen. Door het opdelen van een gebied in territoria wordt de voor een bepaalde soort geschikte biotoop optimaal benut. Het komt dan niet voor, dat ergens binnen een gebied, waar de milieuomstandigheden ongeveer gelijk zijn, een soort geconcentreerd in grotere aantallen voorkomt en elders binnen datzelfde gebied ontbreekt.

Maar wat is nu een biotoop? We zouden dit kunnen vertalen met 'woonomgeving', het landschap, het milieu, dat een soort verkiest met alles wat daar bij hoort: grondsoort en bodem, waterstand en fluctuering in de waterstand, met of zonder al of niet stromend open water, vlak of heuvelachtig, vruchtbaarheid, af- of aanwezigheid van bomen, struiken, bosjes, grasvelden, enzovoorts, enzovoorts, maar zeker inclusief alle planten en dieren die in dat landschap, die woonomgeving wonen.
Zoals er veel landschappen te onderkennen zijn, zo stellen de verschillende diersoorten verschillende eisen aan het voor hen typische landschap. We kunnen dan de soorten vogels opdelen in bijv soorten van loofbossen, van dennenbossen en van parken, van de kust, van het rivierengebied en van boomrijke beekdalen, van heiden en moerassen en 158 venen. En zo zijn er vogelsoorten van ruime dorpen met grote tuinen, ook al komen veel van deze soorten ook wel in andere landschappen voor. Er is steeds een voorkeurslandschap, waarbinnen een soort de hoogste bevolkingsdichtheden bereikt. Daarom ook is het aantasten (= wijzigen of teniet doen) van biotopen door bijvoorbeeld ontginning en ontwatering en door schaalvergroting in het landschap door het opruimen van bomen, houtwallen en kavelgrens begroeiingen van veel grotere nadelige invloed op onze vogelstand dan de massale verliezen door vogelvangsten in zuidelijker landen en door de jacht (ook hier), hoezeer die ook te veroordelen zijn.

Door de biotoopstudie weten we, dat de tapuit alleen woont in open terreinen met konijnenholen, dat het korhoen een echte heidevogel is, dat zwarte mees, kuifmees en zwarte specht 'horen' bij het dennenbos, dat huismussen typische vogels zijn van dorp en stad en dat al deze soorten nauwelijks buiten het nauw omschreven gebied komen. Toch is het nog wat ingewikkelder en wat nauwer te omschrijven.
Voor het korhoen moet de biotoop aan meer voldoen dan de aanwezigheid van heide. Het gebied moet rustig zijn. Er moet zowel lange als korte heide zijn, die dient als slaapplaats, resp. bolderplaats. De aanwezigheid van niet te hoge dennen en berken is eveneens voorwaarde; de korren eten graag bladknoppen van bomen. En als er in of tegen de heide een enkel weilandje ligt is dat voor de korren gunstig.

Voor de huismussen is de aanwezigheid van huizen alleen onvoldoende. De huizen moeten daken hebben, waaronder de nesten gebouwd kunnen worden en waar de mussen onder kunnen schuilen. En de huizen moeten bewoond zijn; er moet eetbaar afval zijn op de erven en in de tuinen en er moet voer gebietst kunnen worden van kippen en ander vee.
Ringmussen nemen genoegen met onbewoonde huizen en met ruÔnes, maar er moeten wel bomen in de buurt zijn. Ze wonen zelfs graag bij knot≠wilgen en in loofbossen als er maar nestholten zijn. Ringmussen zijn als het ware veel minder geciviliseerd dan huismussen.

Het woonmilieu van sommige soorten omvat meer landschappen. Zo wonen kauwen - dikwijls in kolonieverband - in schoorstenen, in kerktorens of in bossen met veel holle bomen, maar ze foerageren in de velden. Voor blauwe reigers moet er opgaand bos zijn om in te wonen en binnen niet al te grote afstand niet te onrustig water om te foerageren.
Spreeuwen wonen, meestal geconcentreerd, onder de pannen van onze woningen of in holle bomen, maar ze zoeken voedsel in niet te hoog opgeschoten weiland, liefst in de buurt van grazende koeien, en ze slapen gezamenlijk weer ergens anders: in rietvelden, wilgen- of populierenbosjes, dennenbossen en soms zelfs in steden. Bij koloniebroeders ontbreekt de eigenlijke vogel≠zang. Hoe groter de kolonie wordt hoe beter in verband met verdediging en alarm. Alleen het eigen nest wordt als eigen territorium beschouwd en dat wordt dan door krijsen en roepen bekend gemaakt en door snavelhouwen verdedigd.

Het maken van nauwkeurige inventarisaties van de broedvogels is dus niet zo moeilijk als men de zang van de verschillende soorten kent. De zang van de mannetjes geeft in het algemeen nauwkeurig aan hoeveel broedparen een telgebied omvat.
Het is helemaal overbodig de nesten te gaan zoeken. In ons geval hebben we alleen de bewoonde nesten opgezocht van kauwtjes en huis≠zwaluwen, in kolonies broedende soorten. Frequent zingende soorten hoefden we niet eens te zien. Alleen bij de minder luidruchtige en op sommige uren zwijgzame soorten heeft het zien het horen aangevuld.

Gewapend met een goede kadastrale kaart heeft vooral Willem talrijke vogel telexcursies gehouden, te voet natuurlijk en meestal in de vroege morgen, na vertrek geruime tijd vůůr zonsopgang. De ochtendexcursies zijn aangevuld met nacht- en met overdag excursies.
Zo is vanaf eind april tot midden juli '73 ieder plekje van elk der vergelijkingsgebieden Leende-dorp, Strijp en bungalowpark minstens ťťn keer 's nachts, ťťn keer overdag en gemiddeld drie keer in de dageraad geÔnventariseerd op broedvogels. Door vaker te tellen worden vergissingen uitgesloten en zo worden ook mannetjes, die toevallig met wat anders bezig zijn, toch vroeger of later opgemerkt. Bij veel soorten broedt nl ook het mannetje, of ze kunnen eens niet zingen, omdat ze uitrusten of foerageren, of ze kunnen er een heel ander zangtijdstip op na houden. Bovendien zijn veel soorten er niet zo vroeg in het seizoen bij; van de huiszwaluw bijv is pas in juni de volledige omvang van de kolonies te tellen.

Wel was het oppassen voor dubbeltellen. Veel mannetjes verkiezen nl steeds andere zangplaatsen. Andere echter zijn vrij honkvast wat dat betreft en werden herhaaldelijk op precies dezelfde plaats gehoord en gezien.
De dageraadtellingen moesten meestal - behalve op de zondagen - vůůr zeven uur worden beŽindigd, in verband met te grote storing door het verkeer en door mensen, die wilden weten of 'het' voor de ruilverkaveling, voor de bouwinspectie of 'worejgeluk vur' was. Het verkeer van de rijksweg was om vier uur 's morgens al behoorlijk hinderlijk.
In het begin was zingende wildzang in voliŤres lastig en in de war brengend, maar bij de tweede telexcursie wisten we de gevangen zangers wel te lokaliseren. In kooien en voliŤres ontdekten we vrij veel zielige en nooddruftige kleine en grotere zangers. Opvallend was het grotere aantal voliŤre- en kooivogels in Strijp. Op elke telexcursie werd een blanco afdruk van de kaart meegenomen. Elke volgende excursie leverde vrijwel dezelfde soorten en aantallen op; er kwamen eigenlijk alleen 'latere' soorten bij.

In het nu volgende worden meer of minder uitgebreide mededelingen gedaan over de vogels, die in onze inventarisatiegebieden broedterritoria hebben bezet.

Om te beginnen de niet getelde soorten. Huismus, ringmus en boerenzwaluw zijn met opzet niet geteld. Deze soorten zijn ook haast niet nauwkeurig te tellen, omdat duidelijke zang ontbreekt en omdat huizen en schuren en hokken van alle kanten - voor de boerenzwaluwen ook van de binnenkant - zouden moeten worden bekeken, wat natuurlijk onbegonnen werk is. Bovendien zijn deze soorten zo talrijk, dat een hoge graad van nauwkeurigheid onmogelijk te bereiken viel in de korte periode, die we beschikbaar hadden voor een zo omvangrijk telgebied. Opvallend was wel, dat in Strijp de ringmussen veel talrijker zijn dan in Leende-dorp. De weinige ringmussen van Leende-dorp broeden naar onze indruk niet onder dakpannen, maar in nestkastjes, verlaten huiszwaluwnesten, schuurtjes en bouwvallen.

We bespreken 'onze' soorten nu hieronder.

De torenvalk, die meermalen in en bij het bungalowpark werd waargenomen, zal wel broeden in het Leenderbos of op Valkenhorst, of het betrof een torenvalkje van de broedgevallen van de Mariahoeve en het bos bij het kuurchalet. Er zijn geen aanwijzingen voor broeden in het bungalow≠park. Torenvalken fourageren graag in de omgeving van verkeerswegen (op verkeersslachtoffers?). In de droge bermen wonen misschien meer muizen. Het kan ook zijn, dat het langs een drukke weg makkelijker is de aan het verkeer gewende muizen op te merken, die door niets worden verontrust en zich vaker vertonen.

De fazant van het bungalowpark is wellicht een van de vele uitgezette en goed gevoerde jagerskippen. De houtduif (ko'ldeuf) is een soort, die overal voorkomt waar bomen zijn. Het is duidelijk, dat houtduiven vooral in het bungalowpark talrijk zijn, hoewel de gevonden broedgevallen van het dorp en van Strijp eigenlijk tegenvallen.
De tortelduif (torteldeufke) is veel schuwer en is veel meer bosvogel, ontbreekt in Strijp en Leende-dorp en kon alleen worden geteld in de rustigste gedeelten van het bungalowpark. Turkse tortels zijn pas sinds kort in Nederland. In de winter van '48-'49 werd de eerste Turkse tortel in Nederland waargenomen. In 1950 volgden de eerste broedgevallen. Het broedgeval in '54 in Someren betrof het eerste broed paar van Noord-Brabant.
De soort bleef altijd braaf binnen de oorspronkelijke verspreidingsgebieden, Voor-IndiŽ en Klein-AziŽ, en was in die streken beschermd; men maakte zelfs broedgelegenheden aan de huizen.
Het zijn dezelfde tortels, die sinds de intocht in Kanašn verplicht moesten worden geofferd voor de reiniging van een Joodse vrouw, die gebaard had. Hoewel ze erg verwant zijn is de 'turk' beslist een andere soort dan het lach- of roosduifje, het koekeroe-deufke, dat vroeger bij iedereen in de keuken hing.
De Turkse tortels hebben hun vroegere broed≠gewoonten veranderd. Het broeden aan gebouwen schijnt plaats te hebben gemaakt voor nestelen in bomen en struiken. Omdat deze vogels zelf helemaal niets voor de kost doen en volledig parasiteren op goedgeefsheid en slordigheid van de mensen kon na de wanorde door de laatste oorlog en de daarop gevolgde stormenderhand toegenomen welvaart (meer afval, grotere slordigheid met voer) deze soort zich over Europa uitbreiden.

In de Avifauna van Noord-Brabant van 1967 wordt de Turkse tortel voor Leende nog niet genoemd. Nu broeden ze overal bij de huizen, vooral in het bungalowpark en in het centrum van Leende. Bij toeval werd een nest gevonden in een van de meidoorns bij het doktershuis, zeker het drukste punt van Leende. Bij de vijf broedparen van Strijp is ťťn paar ontsnapte lachduiven inbegrepen. Bastaardering tussen 'turken' en lachduiven schijnt tamelijk veel voor te komen. Een paartje Turkse tortels brengt per seizoen minstens twee broedsels groot. Dikwijls echter brengen ze het tot vier of vijf broedsels, maar ze beginnen dan ook soms in februari al te broeden en in oktober kunnen er nog jongen op het ijle nest liggen. Het geluid van de turken is een eindeloos herhaald vervelend en eentonig gekoer (hoe-hoe-roer-oe) en een onwelluidend 'door de neus getrokken' c, Ťh-Ťh-Ťh. Overigens kan een paar Turkse tortels ook rustig uren lang stil zitten, lekker dicht tegen elkaar zoals het tortelduiven past. Ze kiezen daarvoor dikwijls 'Tv-masten, waarvan ze goed de omgeving kunnen afzien of er ook ergens voer te halen is.

De kuifleeuwerik (keufluwwer'k) van het dorp werd steeds gezien op en bij het braakliggende bouw≠terrein, waar de nieuwe boerenleenbank nu in aanbouw is. De kuifleeuwerik is van oorsprong een woestijn- en steppevogel, die uiteraard voorkeur heeft voor open terreinen, liefst waar los zand ligt. Deze soort van straten en pleinen zonder bomen en van open bouw- en sloopterreinen komt - buiten ons telgebied - ook voor in de Kerkakkers.

Over de huiszwaluwen is heel wat te vertellen. Het zijn onze gezelligste vogelkes, die door (bijna) iedereen op prijs worden gesteld. Ze kunnen kneuterig en parkietachtig met elkaar leuteren over de bouwmaterialen van tegenwoordig, die ook al niet meer zijn als het geweest is. In dat gepraat zijn ook geluiden van de boerenzwaluw te herkennen. De 'witpenskes' of 'zusterkes' zijn bij ons vrij talrijk: in '73 in Leende 110 bewoonde nesten en in Strijp 19. Huiszwaluwen broeden in kolonies aan de buitenkant van huisgevels.
De grootste kolonies van Leende zijn die in de Dorpsstraat-zuid (16 nesten), de Schoolstraat (18 nesten), de Kerkstraat Broekerstraat (24 nesten) en de Lindenlaan (31 nesten). De huiszwaluwen van Strijp wonen aan het nieuwe landhuis van L. van Asten aan de Strijperstraat en aan twee nieuwe huisjes aan de Zandbergstraat. De grootste kolonie 'zusterkes' (!) vonden we - buiten onze telgebieden - op de Achelse Kluis, waar meer dan 100 paartjes wonen. In de binnenhof tussen de eetzaal en de  bibliotheek waren 43 bewoonde nesten; van de zes hier opgehangen houtbeton kunstnesten was er maar ťťn bewoond. Opvallend is, dat de meeste huiszwaluwen wonen aan nieuwe of vrij nieuwe huizen en dat er een duidelijke voorkeur bestaat voor gevels met schuine overstekende dakranden, daar waar ruime ongehinderde aanvliegmogelijkheid is. De zwaluwen bouwen daar hun nesten onder tegen de uitstekende gordingen, liefst onder niet al te spitse en ook niet onder al te stompe daken. Uitzondering hierop is de kolonie aan de Kattestraat Dorpsstraat met 4 + 1 + 1 nesten onder hoge horizontale overstekende dakranden.

Voorkeur is er ook voor huizen met een verdieping, dus de wat hogere huizen. In begin juni werden ook nestelpogingen gezien onder ver overstekende horizontale dakranden aan de zuidkant van de Schoolstraat, dus aan de naar het noorden geŽxposeerde gevels; begin juli waren hier vier bewoonde nesten.
In Strijp wonen de huiszwaluwen aan lagere huizen; er zijn daar maar heel weinig hogere huizen, die aan de voorwaarden voldoen.
Aan oudere huizen (bijv huis meester Vugts) zijn wel sporen van vroegere bewoning onder horizontale dakranden. Toen er in Strijp bungalowtjes met schuine overstekende dakranden werden gebouwd, kregen die blijkbaar de voorkeur. Er is ook voorkeur voor plaatsen, die geŽxposeerd zijn op het noordoosten, plaatsen dus, waar in de midzomer, hoogtepunt van het broedseizoen, de opkomende zon op schijnt; maar bij uitbreiden van de kolonie worden ook andere plaatsen in de omgeving voor lief genomen. Sommige nesten zijn afgebroken onder druk van de jongen en door dendering van het verkeer. De constructie van de straat en van het betreffende huis schijnt wel daarmee in verband te staan, wat het doorgeven van de trillingen van zware wagens betreft. Op plaatsen, waar herhaaldelijk nesten afbreken, is het aan te raden de oude nesten af te stoten, pas in de herfst natuurlijk als de zwaluwen vertrokken zijn. Oude nesten breken eerder af. En de zwaluwen zien er helemaal niet tegen op een nieuw nest te bouwen. De nesten worden zo degelijk mogelijk gebouwd, ze worden zelfs gewapend met haar en met strooikes en ze worden in ongeveer 'halfsteens≠verband' opgemetseld. De metselspecie wordt gehaald aan 'droog' gevallen kanten aan de Aa en ook wel van zandwegskes, waar na een regenbui de fijne bodemdelen in wagenspoorgaten bijeen gespoeld liggen. Als een nest afbreekt hebben al wat grotere beveerde jongen daarvan geen hinder; ze blijven tot ze vliegen kunnen aan de overgebleven nestrichels hangen.

Kauwen (kewwe) komen in elk dorp en elke stad voor. Bij ons woonden ze in '73 in en tegen de toren, in een kleine kolonie in de Beukenlaan en in schoorstenen van het vogel namen park. Ze ontbreken in Strijp. Mogelijk waren de aantallen kauwen in eerdere jaren groter, maar door de tijdelijke afsluiting van de gaten in de toren i.v.m. het vangen van toren≠duiven zijn er in het dorp te weinig nest≠gelegenheden.
In Leende werd in 1965 een van de vijf van Noord-Brabant bekende waarnemingen gedaan van de oosterse vorm, de 'Russische kauw', de ondersoort 'soemmeringii', die een witte halsvlek heeft; deze vorm kan alleen 's winters hier worden waargenomen. Samen met roeken en dikwijls ook met bonte kraaien brengen kauwen in grote troepen de winter door. Ze maken dan tegen de avond indrukwekkende slaapvluchten naar de vaste slaapplaatsen. In het bungalowpark woonden twee paar eksters. Leende-dorp en Strijp zijn blijkbaar te druk en hebben misschien toch nog te weinig bomen voor eksters, die overigens daar wel steeds - vooral in de vroege morgen - werden gezien, kennelijk op rooftocht. Elders in de gemeente zijn meer eksters, ook broedend.

De gaai (mer'klof) is een heel gewone en algemene bosvogel. Broedgevallen werden daarom vooral vastgesteld in het bungalowpark en in de bosachtige tuinen aan de Valkenswaardseweg (tuin Frans vogels en buurtuin). Gaaien beroven in de broedtijd vooral de nesten van houtduiven en zang≠vogels, vooral merels. Kauwen, eksters en gaaien zijn bij ons standvogels. Mezen heten in Leende allemaal biejmeuske. Ze worden overal aangetroffen waar bomen staan. Alle soorten zijn standvogels, maar er komt ook trek voor. Koolmezen zijn zeker het meest algemeen. Ze bleken in alle telgebieden vrij talrijk. Ze maken vrijwel meteen gebruik van nieuw opgehangen nestkastjes.

Zwarte mees en kuifmees zijn soorten van dennenbossen en werden dan ook alleen waargenomen in het bungalowpark. Ook de pimpelmees was daar het talrijkst, maar broeden werd toch ook in het dorp en in Strijp vastgesteld. In het bungalowpark werden maar liefst zes paar matkopmezen genoteerd, evenveel als pimpeltjes. Deze toch wat minder algemene soort lijkt in onze omgeving toe te nemen. Ook in het Leenderbos, op Valkenhorst, op de Koekoek en in de loofbosjes langs de beken is de soort algemeen. Opvallend is het ene broed paartje midden in het dorp in achtertuinen van Dorpsstraat en Lindenlaan, aan de kant van de Kerkstraat.

Staartmezen komen ook voor: ťťn paar midden in Leende in achtertuinen van Lindenlaan en Beukenlaan en ťťn paar in het bungalowpark. Deze soort zou in het bungalowpark meer voor kunnen komen en zeker ook in Strijp, maar misschien zijn er broed paartjes over het hoofd gezien, omdat staartmezen weinig zingen. In een proefboomgaard in Lienden werden met observatienestkasten en automatische tellers interessante waarnemingen gedaan over de hoeveelheden voer, die door koolmezen en pimpelmezen voor de jongen werden aangedragen. Voor hun talrijke huishoudens van tien of meer jongen brengen de oude mezen 10.000 tot 16.000 insecten aan voor ťťn broedsel. Dikwijls zijn er twee en soms zelfs drie broedsels, maar de latere broedsels zijn doorgaans kleiner. Eťn koolmeespaartje met jongen maakte gemiddeld 16 vlieguren per dag en in die tijd werd gemiddeld 750 keer voedsel naar de jongen gebracht; elke 1.3 minuut arriveerde er een oude mees met voer bij de nestkast. Dit voer bestond hoofdzakelijk uit voor de fruitteelt schadelijke insecten, vooral rupsjes van bladrollers.

Winterkoninkjes zijn overal in de huizen land≠schappen heel gewoon. Bij ons is de dichtheid vier ŗ vijf paatjes per 10 ha in de bebouwde kommen, terwijl verder elk afzonderlijk gelegen houtrijk erf wel een of twee paar winterkoningen heeft. De soort komt ook elders in de gemeente, waar geen huizen zijn, algemeen voor. Zang en schetterende alarm roep van de kleine beweeglijke bruine vogeltjes kunnen we het hele jaar door horen; winterkoningen zijn dan ook standvogels. Ze broeden graag in dichte struiken, in met hout overgroeide slootkanten, in klimop en in hagen, in houthopen en zelfs in schuurtjes, bijv op verlaten boerenzwaluwnesten . Het mooiste broedgeval is zeker dat bij Harrie en Wim van Meijl op Oosterik, waar een winterkoningpaartje broedde in de put op ongeveer een meter beneden de begane grond. Het nest was gebouwd in een holte van de putwand, waar een steen was uitgevallen, naast een grote wijfjesvaren. Sinds de put niet meer wordt gebruikt groeit die helemaal vol met wijfjesvarens. Het nest was vooral gemaakt van die dorre varens, maar opmerkelijk was, dat van de varen naast het nest geen materiaal werd genomen, terwijl de varen er tegenover helemaal was kaal geplukt.

Van de grotere lijsterachtigen is de merel (melle) het talrijkst. Na de huismus is de merel zelfs onze talrijkst voorkomende soort. Veel erven hebben hun 'eigen' merel.
We vinden die merels heel gewoon; ze behoren tot de meest normale 'wildprooi van onze katten. Maar Brehm vermeldt, dat de merel voor 1840 alleen in bosrijke streken voorkwam en dat in steden maar hoogst zelden een merel werd gezien. Toen Gezelle ruim negentig jaar geleden 'Hebt ge nog geluisterd naar de Merellaan?' dichtte was juist de merel er goed en wel aan begonnen zijn manier van leven belangrijk te wijzigen. Zijn hele manier van doen, zijn voedsel, de broedgewoonten, het hele merelleven veranderde.
De schuwe bosvogel werd langzamerhand de cultuurvolger, die hij nu is. Hij hoeft in niets meer onder te doen voor andere dier- en plantensoorten, die zich aanpasten bij het bijzondere milieu van de gebieden, waar de mens woont en bezig is.

Mussen, huismuizen en kamervliegen en de onkruiden muur, kweek, herik, 'mannen', knopkruid en noem maar op zijn allemaal afkomstig uit de wilde ongemoeide natuur, maar ze blijken over eigenschappen te beschikken, waardoor het mogelijk werd de ingrijpende wijzigingen, die de mens in het landschap aanbracht, te weerstaan; ze konden zich daarbij zelfs geheel aanpassen. Sommige cultuurvolgende soorten kunnen zelfs de mens niet meer missen en volgen hem tot in en om zijn modernste uitingen.

Zo ook de merel. Hij plant zich sneller voort dan vroeger, brengt meer broedsels groot, begint eerder in het jaar met voortplanting, wordt waarschijnlijk op jongere leeftijd geslachtsrijp en voedt zich anders. In de omgeving van de mensen is er naast de huismus en de straathond haast geen alledaagser dier dan de merel, die in elk stadstuintje wordt gezien en broedt in alle tuinen en parken, naast keukendeuren, onder overstekende dakgoten, in klimop tegen muren, in schuurtjes (op oude fietsen bijv!) en soms in de huizen. De mereluitbreiding gaat in ons land nog steeds door. Dit is een gevolg van het meer en meer ontsluiten van bosgebieden, van de aanleg van bungalowdorpen, van stads- en dorpsuitbreidingen, de grotere oppervlakte tuinen en plantsoenen, de toenemende 'liefde' voor het dier, onze slordigheid met afval.
Toch is het niet juist te spreken van een totale aanpassing van de merel. In de vogelboeken wordt wel vermeld, dat de merel zich meer en meer in steden en dorpen uitbreidt, maar het fijne ervan is nergens te vinden.
Twee leden van de afd. Eindhoven van de Neder≠landse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), Peter Lippens en Henk van Hengel, hebben er onderzoek naar gedaan. In 1964 bewezen ze het bestaan van twee ondersoorten van de merel. Ze hebben naar merels gekeken en geluisterd, ze hebben honderden dode en levende merels in handen gehad en daaraan van alles opgemeten.
Aan dode merels werd maagonderzoek verricht. Veel steun kregen ze van mede-NJN-ers, die hun dode merels (verkeers- en ruitslachtoffers) brachten met een nauwkeurige opgave van de vindplaats in de stad, in dorp zus of zo, in het bos daar en daar, enz.
En zo hebben ze ontdekt, dat slechts een deel van de vroegere woudmerels is geŽvolueerd tot stads≠merel, dat er nog een groot aantal echte bosmerels bestaat en zelfs dat er een overgangsvorm is, de plattelandsmerel.
Ze onderscheiden nu twee ondersoorten: Turdus meruia meruia, de zichzelf gebleven bosmerel en Turdus meruia domestica, de naar de mens toe geŽvolueerde stads- of huismerel. De daartussen voorkomende plattelandsmerel is te variabel om ook als ondersoort te worden beschouwd.
De indruk bestaat, dat bij de bosmerel meer trek optreedt dan bij de huismerel. Aangetoond werd dat de bij de mensen wonende merels slanker en kleiner zijn. Door de andere levensomstandigheden (vaker vluchten, bijv voor auto's en katten) en het andere, meer plantaardige, voedsel werd de stadsmerel afwijkend van de oorspronkelijke vorm. Het schijnt, dat bij de huismerels meer kleuren≠afwijkingen in het verenkleed voorkomen. Heel opvallend blijken de verschillen in snavellengte en de lengte van het darmkanaal. Zo heeft de stadsmerel een kortere snavel gekregen: het snavelskelet meet hier gemiddeld 2.4 cm, de kop zonder snavel is gemiddeld 2.6 cm lang; de snavel is korter dan de rest van de schedel. Bij de bosmerel, de oorspronkelijke vorm, is dat juist omgekeerd. Het snavelskelet meet hier 2.7 cm, de rest van de schedel is 2.5 cm.

Nog interessanter wordt het met de gegevens over de lengte van het darmkanaal, dat bij de stadsmerel opvallend veel langer is. De bij de mensen aangepaste merelondersoort kreeg een langere darm.
De oorzaak moet worden gezocht bij de aard van het voedsel. In het algemeen is het zo dat vleeseters een korter darmkanaal hebben dan planteneters. Plantencellen hebben stevige celwanden en zijn moeilijker te verteren dan de cellen in dierlijk weefsel, die geen celwand hebben. De stadsmerel moet dus meer vegetarisch zijn gaan leven, wat nog niet hoeft te betekenen, dat hij een rups of een pier zal versmaden.
Het klopt. De merel bij de huizen vindt heel ander voedsel. Zijn menu bestaat voor een groot deel uit afval van het mensenvoedsel. Bovendien voeren we allemaal onze merels, bewust of onbewust, met zaden, brood, aardappeloverschot, vruchten en van allerlei dat we vergeten op te ruimen. En als we niet met opzet voeren weten ze ons voedsel zelf wel te vinden. Menig bedje malse sla krijgt regelmatig merelbezoek en zo is het ook met de erwtjes, de kersen, de aardbeien en de bessen. En wat laten we niet in de tuin, langs de straat en op de vuilstortplaatsen aan voedsel (steeds plantaardig) liggen?

De bosmerel voedt zich vooral met insecten, wormen en slakken, maar hij rooft ook nesten van andere vogels leeg. Het dierlijk aandeel in het voedsel is hier veel groter. De bosmerels maken hun nest doorgaans op een vrij constante hoogte, op een ŗ twee meter boven de grond in struweel of jonge bomen. De stadsmerel kan het niet zoveel schelen waar hij het nest bouwt. En zijn nesten zijn ook veel slordiger, de afwerking is maar zo-zo, en er wordt veel technisch materiaal (touw, papier, piestik) in verwerkt. De bosmerelnesten zijn erg netjes, er is aarde of mest in verwerkt en de nestkom is gevoerd met fijner materiaal.
De eieren van de huismerel zijn ook veel stomper, lichter en veel minder gevlekt.
De bosmerel is veel schuwer dan de huismerel, die lang zo gauw niet alarmeert en mensen dichterbij duldt dan zelfs mussen met hun slechte geweten dat doen. Wel is de huismerel vlugger en behendiger geworden. In Nederland is het aantal huismerels nog steeds stijgende, het aantal bosmerels neemt af. En wij moeten verder met onze lange broedvogellijst. Zanglijster en grote lijster komen in de drie telgebieden beide ongeveer evenveel voor. Beide soorten komen in Leende-dorp het minst voor. De grote lijster zingt al langdurig in januari van hoge zangplaatsen, meestal hoge bomen. De zang is vrij eentonig en veel minder gevarieerd dan bij merel en zanglijster, maar wel luid. Beide soorten zijn in deze eeuw toegenomen, de grote lijster als gevolg van de bebossingen, de zanglijster door de toename van parken en grote tuinen.

Opvallend is dat in het bungalowpark en in Strijp alleen gekraagde roodstaarten werden waargenomen en in 't dorp alleen zwarte roodstaarten. De zwarte roodstaart is eigenlijk een vogelsoort van bergachtige streken met steile rotswanden, die ongeveer dat milieu terugvindt in steden en dorpen. Onze zwarte roodstaarten werden dan ook steeds waargenomen bij hoge kale gebouwen: de kerk, de fabriek van van Engelen, de boerenbond en de loodsen van houthandel Verhees, transportbedrijf Verhoeven en loonbedrijf van Meijl. Beide soorten roodstaart zijn holenbroeders; de gekraagde broedt graag in nestkastjes en ook wel onder daken en in schuurtjes, de zwarte in holten van muren, daar waar een steen ontbreekt en ook wel op kapspanten in open loodsen. De roodborst is een bosvogel, ook al zien we die 's winters wel bij de huizen. Broeden werd alleen vastgesteld in het bungalowpark en nog behoorlijk talrijk ook: elf paartjes. Het kan zijn, dat ondanks de uitgebreide telexcursies in het dorp en in Strijp roodborsten niet zijn opgemerkt. De spotvogel, een soort van loofbossen en parken, werd niet waargenomen in het bungalowpark, is het talrijkst in Strijp (zes paartjes) en komt op vier houtrijke plaatsen in Leende voor. Spotvogels zijn drukke nerveuze vogeltjes, die veel, langdurig en zeer gevarieerd zingen.

De indruk bestond, dat de zwartkop, een aan tuin≠fluiter en grasmus verwant vogeltje van vochtige loofbossen, in '73 talrijker werd waargenomen dan in andere jaren. De zeven zwartkoppen van het bungalowpark werden bijna alle waargenomen op percelen met veel loofhoutaanplant. De drie broed≠gevallen van Leende waren alle in grote houtrijke tuinen aan de Valkenswaardseweg. Tuinfluiters werden alleen waargenomen in Leende≠ dorp, (vier paartjes), eveneens in grote tuinen met veel bomen en struiken. Grasmussen, vogels van het open agrarisch gebied, werden alleen gezien aan de buitenkant van Strijp en van het bungalowdorp, resp. twee en een zingende mannetjes.

De kleine braamsluipers - echte haagveugelkes≠ hebben voorkeur voor landschappen met doornhagen en bramenstruwelen. Ze kunnen daarom in Leende haast niet ontbreken. We vonden dan ook zowel in Leende-dorp als in Strijp drie broed paartjes. Maar zeer waarschijnlijk zijn er meer; de vrij zwijgzame schuchtere beestjes zijn mogelijk niet allemaal opgemerkt. Het 'berkenvogeltje' , de fitis, die overal voorkomt waar maar berken groeien, is vooral in het bungalowpark (vijf paartjes) aangetroffen. De twee fitissen van Leende woonden midden in het dorp, in achtertuinen tussen Dorpsstraat en Lindenlaan en in de pastorietuin. De tjiftjaf is in het bungalowpark veel talrijker: twaalf paartjes. Ook de tjiftjaffen van Leende (drie paartjes) woonden in het centrum: op het kerkhof, aan de Julianastraat en in achtertuinen tussen Lindenlaan en Beukenlaan, zowel fitis als tjiftjaf werden in Strijp niet opgemerkt.

De biotoop van het goudhaantje wordt gevormd door naaldbossen en ook wel loofbossen als daarin maar sparren voorkomen. Dit kleinste inheemse vogeltje bouwt het nest aan de onderkant van afhangende takken van sparren. Goudhaantjes werden binnen onze telgebieden uiteraard alleen aangetroffen in het bungalowpark (zes paartjes), maar ook op Valkenhorst en in het Leenderbos komen goudhaantjes algemeen voor.

De grauwe vliegenvanger leek aanvankelijk in al onze telgebieden te ontbreken. In geen enkel dorp ontbreken deze vogels en daarom is speciaal op deze soort gelet. Pas in de tijd, dat er jongen waren, zijn ze opgemerkt: vier paartjes in het dorp, twee in Strijp en drie in het bungalowpark. Op de erven van de Achelse Kluis broedden in '73 zeker vier paartjes. Het is door de zwijgzaamheid van deze vogels best mogelijk dat 't beestje hier of daar over het hoofd is gezien. De bescheiden heggenmus (blŤwmuske) is bij ons erg algemeen; het talrijkst in Leende-dorp (38 paartjes, 6 paartjes per 10 ha). Dit kan zeker worden verklaard door de aanwezigheid van veel oude hagen, waarin deze soort graag broedt.

Ook witte kwikstaarten zijn bij ons heel gewoon, vooral in Leende-dorp en in Strijp, met resp. 25 en 9 paartjes, dat is dus 4 paartjes per 10 ha; in het bungalowpark werden maar drie paartjes opgemerkt. Kwikstaarten broeden graag in door klimplanten overgroeide hagen, in klimop, in takken hopen en zelfs in schuurtjes en onder lage overstekende daken en afdaken en in muurholten. Spreeuwen komen overal bij de huizen algemeen voor. Ze broeden graag onder de pannen, maar in het buitengebied ook in holle bomen (oude spechtgaten). Het talrijkst zijn de spreeuwen in Strijp: 10 paar per 10 ha (totaal 24 paartjes), tegen in het bungalowpark en het dorp resp. 5 en 6 paar per 10 ha.
Maar waarschijnlijk zijn niet alle spreeuwen opgemerkt. Ze zijn nl vooral geteld op aanvliegen met voer en op piepende jongen, waarbij ook gelet werd op wit bescheten daken. Het was daarbij dikwijls moeilijk sommige achtererven te bezoeken om de daken ook van de achterkant te bekijken. Groenlingen zijn er evenveel in het dorp als in Strijp, vijf paartjes per 10 ha. De voorkeursbiotoop is een open cultuurlandschap met bomen. In het bungalowpark zijn dan ook veel minder groenlingen: 1 paartje per 10 ha.

De groenling wordt ook 'doodsvogel' en 'lijkroeper' genoemd en dat komt zeker door zijn enge kreten. Er wonen trouwens op elk kerkhof groenlingen. Maar dat komt doordat ze coniferen - kerkhof ≠cypressen - als nestelplaats verkiezen. Deze voorkeur is misschien de verklaring voor enige toename van groenlingen in bebouwde gebieden. Als uiting van modernisme (in dit geval: imiteren van voornaamheid en statigheid) worden immers steeds meer coniferen in tuinen aangeplant. Groenlingen broeden overigens ook veel in lindebomen, het liefst in lei linden met veel 'knotjes' .

Ook de vinken in Strijp en in het dorp (in beide gebieden vier paartjes per 10 ha) hebben we voor een deel te danken aan de linden en ook aan de kleine boomgaardjes en alleenstaande fruitbomen. In het dichter beboomde bungalowpark zijn de vinken wat talrijker (vijf paartjes per 10 ha). Het algemeenste vinkachtige vogeltje is bij ons de kneu (haajknuiter). Het talrijkst zijn ze in Strijp: 9 paartjes per 10 ha, tegen 6 in het dorp en 4 in het bungalowpark. Het zijn heel gezellige drukdoende kanarieachtige babbelende veugelkes; we zien ze dikwijls haastig twee aan twee van de ene haag naar de andere vliegen. In de vlucht lijken ze op ringmussen. Ze wonen dikwijls in kleine kolonietjes in elkaars gezelschap. Het kan daarom zijn dat er hier en daar te veel of te weinig zijn geteld. Ze broeden bij voorkeur in doornhagen en houden zich het liefst op in de overgang van hagen land≠schappen naar open terrein; dit verklaart de grotere bezetting in Strijp. De laatste soort van onze lijst is de geelgors (sgreever). Aan de rand van het bungalowdorp werd ťťn pŗartje opgemerkt. In het boerenland is deze soort overal aanwezig. Er werden uiteraard in onze inventarisatiegebieden ook vogelsoorten waargenomen waarvan broeden binnen die gebieden niet zeker is. Koekoeken werden steeds overal gehoord, vooral in de vroege morgen. Het is moeilijk om deze soort ergens op de kaart te plaatsen. In het aangelog van Janus van Hoof en in den hof van de van Meijls op Oosterik zagen we dagenlang een pas uitgevlogen jonge koekoek, die druk gevoerd werd door heggenmusjes.

Gierzwaluwen werden de hele zomer overal - vooral tegen de avond - boven heel Leende gezien op fourageur- en speelvluchten. Broeden kon niet worden vastgesteld. Maar gierzwaluwen broeden dan ook veel liever in grotere plaatsen, bij voorkeur in oude dichtbebouwde stadsdelen met veel nauwe straten. Het is bekend, dat ze zich - soms dagenlang - erg ver van de broedplaatsen ophouden. Voor de aardigheid zijn op de telochtenden ook de kraaiende hanen geteld: 37 in Leende-dorp en 8 in Strijp. Zonder de huismussen, de ringmussen, de boerenzwaluwen en ook zonder de hanen komen we in de drie telgebieden tezamen op een totaal van 38 soorten vogels, die samen 959 broedterritoria bezetten, als volgt verdeeld: Leende-dorp 28 soorten en 543 territoria op 64 ha, Leenderstrijp 20 soorten en 195 territoria op 24 ha, bungalowpark 32 soorten en 221 territoria op 22 ha. Omgerekend per 10 ha waren er in Leende-dorp 96, in Strijp 83 en in het bungalowpark 103 territoria bezet.
Het bungalowpark is zowel wat aantal soorten als territoriadichtheid betreft het vogel rijkste van de drie onderzochte Leendse gebieden, wat ook wel voor de hand ligt door de ijle bebouwingsdichtheid, het nog bosachtige karakter en de aanwezigheid van water (vijvers), open ruimten (gazons) en tuinen. Behalve typische bosvogels vinden we daar nu ook cultuurvolgers en parksoorten. Uit het tien-hectaren-overzicht op zijn aardige conclusies te trekken. Frappant is de overeenkomst tussen de Zeister villawijk (1961) en ons bungalowpark (1973) in het aantal soorten en territoria. En ook wat de mate van voorkomen betreft van houtduif, tortelduif, kauw, ekster, koolmees, staartmees, winterkoning, merel, roodborst, grauwe vliegenvanger, heggenmus, witte kwikstaart, groenling en vink. Gaaien zijn er in het bungalowpark wat meer, maar deze soort is de laatste tijd overal toegenomen. De Turkse tortel was in 1942 en 1951 nog overal afwezig en begon in de zestiger jaren pas aan de opmars in Nederland. Deze soort ontbreekt dus in de lijst van Veluwedorp en Utrecht-stad. Strijp is wat rijker dan Leende-dorp aan koolmees, spotvogel en braamsluiper. Ook zijn er in Strijp heel wat meer spreeuwen en kneuen.

Leende-dorp is rijker dan Strijp aan Turkse tortels, huiszwaluwen en heggenmussen.
Kuifleeuwerik, kauw, gaai, matkop, staartmees, zwarte roodstaart, zwartkop, tuinfluiter, fitis en tjiftjaf van Leende-dorp ontbreken in Strijp geheel. Omgekeerd is dat het geval met gekraagde roodstaart en grasmus. In het bungalowpark zijn vooral houtduiven, Turkse tortels en mezen talrijker dan in Leende-dorp en Strijp. Het betreft dan ook echte dennenbosvogels, maar ook zwartkop, fitis en tjiftjaf zijn er talrijker en verder zijn er soorten, die in het dorp en in Strijp ontbreken: fazant, tortelduif, ekster, zwarte mees, kuifmees, rood borst, goudhaantje en geelgors. De merels zijn in het Veluwedorp het geringst in aantal; maar de toename heeft dan ook vooral na de oorlog plaatsgevonden. In het Veluwedorp broedden wel zwarte kraai en ekster en ook boomkruipers.

Maar de volgende vogels van Leende en of Strijp ontbraken er: kuifleeuwerik, gaai, matkopmees, staartmees, zwarte roodstaart, zwartkop, grasmus en - merkwaardig! - ook witte kwikstaart, groenling en kneu, alle drie toch typische dorpsvogels. Het Veluwedorp was rijker dan Leende en Strijp aan pimpelmezen, zanglijsters, gekraagde roodstaartjes, spotvogels, braamsluipers, fitissen, tjiftjaffen, grauwe vliegenvangers, spreeuwen en vinken, maar was armer aan heggenmusjes.

De stad telde het geringste aantal soorten. Fazant, kraai, ekster, grote lijster, de mezen (behalve koolmees en pimpelmees), nachtegaal, roodborst, spotvogel, zwartkop, tuinfluiter, grasmus, braamsluiper, fitis, goudhaantje, kneu en geelgors ontbraken er; maar wel zijn er de typische stadsbewoners, de gierzwaluwen en ook waren er erg veel spreeuwen. De houtduiven, de kauwtjes en de vinken waren in Utrecht in vergelijking met de dorpen opvallend talrijker. Maar er waren veel minder merels.




   naar het begin


einde