Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Iven: Beekdalen
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


De Beekdalen, naar het boek van Willem Iven uit 1974


Bronvermelding: Het boek:    "Lind dė is de sgonste plats"
                          "Natuur en landschap van Leende een Oost-Brabants dorp"                           
                           Hoofdstuk: "weje, wejkes en boskes";  de beekdalen


Auteurs Willem Iven en Teo v Gerwen, uitgegeven in 1974,   (Voor biografie Willem Iven: klik hier)
Aangepast en bewerkt door de webbeheerder  (
zie ook het gedicht "witte nog")


De beekdalen 

De beekdalen zijn onze meest gevarieerde landschappen. Door de vele ruimtelijke verschillen en de aangename kleine
schaal die daardoor wordt veroorzaakt, zijn onze beken landschappen mooi, hebben een hoge belevingswaarde en zijn rijk aan soorten.
Grondsoort, bodemopbouw en waterstanden wisselen sterk. Het dal zelf is breder of minder breed, dieper of minder diep.
Er zijn natte en minder natte plekken, zandige en venige, zure en minder zure, min of meer voedselarme en tamelijk voedselrijke.
De oorspronkelijke geomorfologische verschillen zijn door de werkzaamheid van de beken en van de mens versterkt. Het aantal landschapselementen is groot. Beken en beekoevers, dode beekarmen en klot- en moerkuilen in alle stadia van verlanding, drinkkuilen, sloten en slootjes en greppels,
perceelgrenzen met houtige begroeiingen, alleenstaande bomen. Vooral de vele doodlopende onverharde wegjes hebben een hoge ecologische en landschappelijke waarde. Er zijn vooral weilanden en hooivelden, maar ook ruige stukjes, echte moerassen en moerasbossen.

Veel van de terreingrenzen en overgangen zijn 'vage grenzen' . Dergelijke terreinen hebben altijd een grote soortenrijkdom,
vooral wanneer er een hoge mate van gelijkheid in de tijd is: jaarlijks vrijwel dezelfde behandelingen
(maaien, beweiden, turven, sloot- en wegonderhoud), ieder jaar ongeveer dezelfde bewegingen in de waterhuishouding
('s zomers droger, 's winters nat met soms overstromingen). Vele typische eigenschappen van beekdalen komen bij ons nog tot uiting in het
landschapsbeeld en in de samenstelling van flora en fauna. Pas in de 12e eeuw kon men (betere ploegen, kennis van ontwatering) vanuit de akkerdorpen
in de richting van de beken ook ontginningen plegen. Dit werden de 'velden', die afwisselend als bouwland en grasland in gebruik waren (wissellandpercelen).
In de 13e eeuwen later (bevolkingstoename) had verdere 'Ausbau' plaats: vooral in de beekdalen werden nieuwe gronden (graasgronden en hooipercelen) 'beheymd' (afgerasterd). Sinds die tijd hebben hier en daar - vooral vlak bij de dorpen - niet onbelangrijke ophogingen met aarde in de beekdalen plaats gehad. De beekdalen waren vanouds vooral belangrijk door de hooilanden,'beemden'of 'eeuwsels'.

Het vroegere landschap van onze beekdalen is ­behalve aan lage ligging, vorm en schaal - vooral te herkennen aan de resten van de talrijke heggen,
alleen of in rijen staande grote bomen, aan vrij veel fijne bosjes, aan de honderden slootjes met hun eigen verrassingen en aan vrij uitgestrekte moerassen.

Alle percelen waren langgerekt van vorm, sommige wel tien of meer keren lang dan breed; de lengterichting van de percelen staat haaks op de beek.
De beekdalen waren zeer houtrijk. Het meeste hout groeide eigenlijk in de beekdalen, vooral in de vorm van heggen op de scheidingen van de percelen.
De heggen waren vooral samengesteld uit spontaan verschenen (niet geplante) houtsoorten, die van nature in de bosgezelschappen van beekdalen voorkomen. Vooral de bosrandplanten waren daarin sterk vertegenwoordigd.

Op natte plaatsen, bijv. die welke door klotwinning waren uitgelaagd, groeiden struweelachtige en opgaande broekbossen, die voornamelijk werden beheerd als hakhoutbos. Maar niet alle bosjes zijn echt oud. Door het beschikbaar komen van weidegronden in de heideontginningen zijn ook in deze eeuw veel bosjes ontstaan op de laagste plekken langs de beken en zijn er populierenbeplantingen aangelegd. Na de hooitijd liet men de beemden en misschien ook wel de eeuwsels door het vee (zowel schapen als rundvee) begrazen. Het vee werd altijd gehoed, twee keer per dag gedurende maar enkele uren, meestal door kinderen en ouden van dagen. Dit gebeurde overigens in het begin van deze eeuw nog. Op de velden en op spurrie- en klaverland werd het vee ook wel 'getuierd' (aan ketting of kopzeel vastgezet). Hoewel er werd gehoed en er dus toezicht was, werden toch de beekdalheggen door kappen, ineenvlechten en bijpoten zo veel mogelijk dicht gehouden, waardoor ze echt de functie van afrastering (veekering) hadden. Behalve klot uit de kuilen in de beekvenen en brandzoden uit de heide werd ook hout gestookt voor huisverwarming, in bakovens en onder sopketel en middagpot. Het hout werd vooral in de vorm van mutserd (takkenbossen) gewonnen in heggen en broekbosjes van de beekdalen. Om een grotere hoeveelheid mutserd te verkrijgen werden in de heggen en langs de wegjes ook knotbomen gemaakt. Opgaande jonge bomen werden daartoe op een gemakkelijke hoogte gekopt, waarna het takhout om de zoveel jaren kon worden geoogst. Niet alleen wilgen en peppels werden geknot, ook elzen en essen en op wat hogere plekken eiken en berken. Jonge bomen van een mooie rechte vorm liet men opgaan; eiken voor timmer- en zaaghout, essen voor o.a. stoelen, wilgen en populieren voor klompen. Nog in deze eeuw waren er in Leende diverse kleine klompenbedrijfjes. Dries Verhees begon hier in 1918 een echte klompenfabriek met machines en zo. Daar hij maar één model kon maken en elk omliggend dorp een eigen plaatselijk klompenmodel had en er dus te weinig afzet was, werd de fabriek omgezet in houthandel Verhees. Driek van Asten, 'haamspaandermaker' , maakte in de Langstraat paardehamen uit de gebogen wortelaanlopen van essenbomen. Omstreeks 1900, toen schapen en potstallen gingen verdwijnen, de begintijd van kunstmest en heideontginningen, begon men de beekdalen te ontwateren. Het vee bleef voortaan ook 's nachts buiten. De oude heggen voldeden niet meer als veekeringen en stonden perceelsvergroting in de weg. Het prikkeldraad of puntdraad werd uitgevonden (ca 1900) en overal aangebracht.

Prikkeldraad is sterk geïnspireerd op de vroegere heggen. De stalen prikkelpunten kwamen in de plaats van de doorns van bramen, meidoorns, sleedoorns en wegedoorns uit de heggen. Nog later (ca 1950) werden de punten vervangen door elektrische prikkels (schrikdraad). In Leende zijn omstreeks 1960 enkele coöperatieve schrikdraadverenigingen in het leven geroepen. Toen men het vee buiten ging laten werd het ook nodig drenkplaatsen te maken in percelen, die niet aan een beek of waterhoudende sloot grensden. De 'drinkenskuilen' zijn dus nog vrij jong. Waar de grondwaterstand 's zomers niet al te laag was liet men het vee rechtstreeks uit de kuil drinken. Zo'n kuil had dan één flauwe kant, de andere zijden waren met hout begroeid of werden met vlechtwerk of prikkeldraad tegen inlopend vee afgeschermd. Waar de zomerwaterstand lager was moest met de gierschepper of een zinken emmer aan een zeel uit de diepe kuil water worden geschept in een ton of bak binnen de afrastering; zo'n kuil was dikwijls een uitdieping in een sloot. Bij heel lage grondwater­standen moesten putten worden gebouwd. Van bakstenen, zoden of turven, later van betonnen ringen. De putten lagen vooral op de hogere gronden, in de heideontginningen. Nog maar enkele tientallen jaren geleden kon je 's avonds na het melken in droge streken overal van heel ver het waterputten horen aan het dof neerkomen van emmers in kuilen en putten. Vrijwel alle drinkenskuilen zijn nu vervangen door automatische drenkpompjes of door voorraadtanks op wagens. Wel jammer. Want hoe mooi waren de drenkkuilen: donker, met hout overgroeid, met lichtgroene varenkanten en met donkergroene mossen, dikwijls met kroos, soms met viskes en altijd met kikvorsen, salamanders en grote watertorren.

Als gevolg van perceelsvergrotingen en van mechanisatie in de landbouw en door het vervallen van de waarde van brandhout zijn overal in het land veel heggen en ook houtwallen verdwenen. En de discussie over het al of niet bewaren van de heggen begon. Er ontstond een papieren strijd over de voor­ en nadelen van heggen en wallen. De voorstanders, in het geweer gekomen door de grote verliezen aan landschapsschoon, kregen bijstand van onderzoekers, die de grote voordelen van heggen en wallen aantoonden. De tegenstanders vonden een lange reeks nadelige invloeden. Vanuit de houtstroken zouden zich onkruiden en schadelijke insecten kunnen verbreiden (door modern wetenschappelijk onderzoek is deze bewering weerlegd), schaduwen vocht- en voedselonttrekking zouden nadelig zijn, het drogen van hooi werd bemoeilijkt, de mechanisatie werd gehinderd, ongelijke rijping van de oogst, het onderhoud van de heggen, optreden van nachtvorst langs heggen, enz. Talrijk zijn de binnen- en buitenlandse publicaties uit de jaren veertig en vijftig waarin de nadruk wordt gelegd op het nut van houtstroken voor het cultuurland en voor de jacht en op de noodzaak van het integreren van dergelijke natuurlijke elementen in landbouwstreken, die insectenplagen juist tegengaan (hogere ecologische differentiatie), en beschutting bieden (verbetering van het microklimaat, beteugelen van erosie). Vooral de onderzoekingen van Dr. Ir. J. A. van Rhee (Itbon, Arnhem) toonden aan, dat, hoewel in een vrij smalle strook naast een 'windscherm' de opbrengsten lager zijn, over veel grotere oppervlakten hogere opbrengsten worden verkregen door heggen of wallen op regelmatige afstanden. Zowel kort vóór een heg als in de luwte er achter neemt de windsnelheid af en neemt de beschuttende invloed toe, ook wanneer een 'windscherm' onbebladerd is. "Gebleken is, dat in de meerderheid van de gevallen de meeropbrengst in de beschutting groter is dan het verlies onmiddellijk naast het scherm, zodat als totaal een gunstige invloed van beschutting op het gewas meer regel is dan uitzondering ... Het effect kan zeer groot zijn bij fruit en is duidelijk aantoonbaar bij bonen, maïs en een aantal andere landbouw­gewassen." (van der Linde, 1969). Het opbrengstverhogende effect is afhankelijk van de onderlinge afstand en de hoogte van de schermen. De meeste bosjes en ook de overgebleven heggen in de beekdalen kunnen vegetatiekundig worden ingedeeld bij het Elzen-Vogelkersverbond en het Elzen verbond. Hiertoe behoren enkele bosgemeenschappen, die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Het Vogelkers-Essenbos komt in een bepaalde vorm fragmentarisch voor, het mooist in de Rey, maar ook langs de Strijper Aa. De houtsoorten uit deze bosgemeenschap zijn soms gemengd met zomereik en hazelaar. Hier en daar groeit daaronder de ijle zegge. Een bekende soort uit deze gemeenschap, de vrij zeldzame adderwortel, vinden we echter doorgaans en hier zelfs vrij algemeen alleen nog aan sloten en greppels. De bijbehorende bosgemeenschap van es, els, vogelkers, Gelderse roos en zwarte bes is dan verdwenen. De begroeiingen met adderwortel en ook die met bosbies, die buiten bosverband hier algemeen voorkomen, noemen we 'vervangingsgemeenschappen' van de bovengenoemde verbonden. Ook behoren hiertoe de vegetaties van de hier niet zeldzame dotterbloem, moerasrolklaver en koekoeksbloem van slootkanten en drasse plekken.

Ook het Koningsvaren­Elzenbroek komt voor, hoewel we al te dikwijls alleen nog maar de sterke koningsvaren aantreffen zonder de bijbehorende houtsoorten en andere bosplanten. Vooral in het dal van de Kleine Aa en plaatselijk langs de Tongelreep groeien veel koningsvarens, bij voorkeur op sloot- en greppel kanten langs wegjes en in perceelgrenzen. Het Elzenbroekbos komt in onze beekdalen vrij veel voor. Vooral langs de Strijper Aa in De Dollinger Putten, De Putten, De Broeken en De Goorsche Putten vinden we er erg fraaie vormen van met hoog opgaande elzen en alles wat daarbij hoort: een drasse venige en hier en daar 'gevaarlijke' bodem met stilstaand grondwater en ijle bodembegroeiingen van gele lis, de zeldzame moeras varen en elzenzegge op de natste plekken. Plaatselijk groeit onder het elzen broek veel grote brandnetel. De tot deze gemeenschap behorende zwarte bes komt hier veel voor. De slingeraars van het Elzenbroekbos hop en bitterzoet ontbreken niet; ze komen vooral in de randen voor. Hier en daar groeien onder de elzen bovendien cyperzegge, scherpe zegge en stijve zegge, wolfspoot, melkeppe, pitrus en ruwe smele, en in kuilen waterviolier, holpijp en het merkwaardige onderwatermosje dat watervorkje heet. Op enkele plaatsen vinden we, daar toch nog vrij dicht bij de beek, fragmenten van prachtige opgaande vrij droge bossen van dikke knokige eiken, die blijkens de ondergroei van rode bosbes, blauwe bosbes, struikheide, valse salie, bochtige smele, brede stekelvaren en adelaarsvaren kunnen worden gerekend tot de gemeenschap van het Eiken-Berkenbos. Als gevolg van de terrein­gesteldheid is het beek bos bij het kuurchalet zeer gevarieerd; zowel Elzenbroekbos en Vogelkers­Essenbos als Eiken-Berkenbos komen daar voor. De meeste bosjes zijn echter niet duidelijk onder te brengen in een of andere beschreven bosgemeenschap, wellicht als gevolg van de grote bodemverschillen op korte afstanden. We kunnen er heel gewone soorten vinden als speenkruid (haneklootjes), hondsdraf, zevenblad, kleefkruid, gewone ereprijs, riet, maar ook robertskruid, ruige veldkers, vogelmelk, de hier zeldzame bosandoorn, salomonszegel, framboos, kantig hertshooi en wespenorchis. De heggen zijn vooral samengesteld uit els, es en berk, maar ook vogelkers, eik, vuilboom en hier en daar zelfs meidoorn en sleedoorn komen voor. De populierenbosjes zijn botanisch het armst, zeker wanneer er ook nog fijnsparren tussen zijn geplant. Er zijn ook enkele dubbelculturen aangelegd: populierenbos in combinatie met weiland. In de overgangen naar de (nu ontgonnen) heide vinden we plaatselijk begroeiingen, die behoren tot het Gagelstruweel, dat op veel plaatsen overgaat in een volgend stadium van bolvormige wilgstruwelen, waarin vooral geoorde wilg en vuilboom (vlooienhout of hondshout) voorkomen en hier en daar ook berken. Ook rijkere struweelgemeenschappen met o.a. grauwe wilg, zwarte els, Gelderse roos, gele lis en moerasmuur komen voor langs de Tongelreep en plaatselijk langs de Strijper Aa.
Het Moerasspirea­verbond is hier en daar nog vertegenwoordigd met zgn. Ruigtkruidengemeenschappen van moerasspirea, moerasandoorn, wilde bertram, berenklauw, wederik, valeriaan, leverkruid, hennegras en rietgras; plaatselijk kunnen hierin ook riet, gewone zegge, wijfjesvaren, engelwortel en melkeppe optreden. In sloten en slootkantjes vinden we bosbies, wijfjesvaren, adderwortel (soms over tientallen meters aspectbepalend), dotterbloem, moerasspirea, melkeppe, kleverig walstro, grote brandnetel, holpijp, valeriaan, wilde bertram, geoord en knopig helmkruid, dagkoekoeksbloem, witte dovenetel, smeerwortel. Onze soortenrijkere weiden en hooilanden, die er ook nog wel enkele zijn, behoren tot gemeenschappen, die kunnen worden gerekend tot de Kamgrasweide en de Glanshavergemeenschap. De vegetaties van de drassigste hooilanden behoren meestal tot het Dotterverbond. Hoe intensiever een grasland wordt gebruikt, des te zwaarder en frequenter is de bemesting en des te kleiner wordt daardoor het aantal plantensoorten.

De zgn. schraallanden, die maar één keer worden gemaaid en nooit worden bemest, herbergen vele tientallen plantensoorten. Daarentegen zijn de modern behandelde ontwaterde graslanden zeer soortenarm. De moderne landbouw heeft een enorme nivellering van de graslandgebieden tot gevolg gehad. Er is helaas geen enkel voorbeeld te noemen van botanische verrijking door moderne landbouwkundige en cultuurtechnische ingrepen. De verliezen aan botanische en faunistische rijkdommen zijn echter zeer groot. De gewenste productieverhoging door een hogere veebezetting (in sommige streken vier maal hoger dan dertig jaar geleden) maakt het winnen van voederplanten met hoge voedingswaarde noodzakelijk. Daarom zijn oude graslanden gescheurd en 'verbeterd'.
De weidegronden werden vroeger nauwelijks bewerkt.

Nu worden een- en tweejarige kunstweiden ingezaaid met een of maar enkele grassoorten. Door herhaalde hoge mestgiften (vooral stikstofkorrels en drijfmest) worden veel hogere opbrengsten verkregen. Ook onze beekdalweiden zijn sterk verarmd. Engels raaigras is daarin steeds het meest vertegenwoordigd. "Gras bevat alles wat de koe nodig heeft" (sic). De soortenarme plantengemeenschappen van de moderne weiden rekenen we tot het Verbond van de Storingsgemeenschappen, het Agropyro-Rumicion crispi, dat de grootste oppervlakte van ons land inneemt.
Maar d'r zijn nog enkele van die stukken weiland, die in de eerste week van mei van de ene dag op de andere ineens geel zijn van de bloeiende paardenbloemen. Elke volgende ochtend wordt het geel dieper en voller. Maar bij donker weer en op warme namiddagen blijven de bloemen dicht. Met de uitbundigheid van zo'n frisse voorjaarswei is het gedaan als het gras de hoogte in wil en halmen en aren gaat vormen. De gesloten - al of niet bevruchte - paardenbloemen verlengen hun stelen, boven het gras uit. Dit doen wel meer soorten, die voor het verspreiden van hun zaden op de wind zijn aangewezen.
Het groen van de paardenbloemomwindsels verdroogt, de zaadjes worden dik en bruin en de kelken van elk van de ongeveer honderd bloempjes waaruit zo'n paardenbloem is samengesteld groeien uit tot grijs-witte wijduitstaande parachutepluisjes. En de wei staat dan op een zonnige morgen vol met hooggesteelde ronde 'kaarsjes', die de kinderen komen plukken om er zich honderd jaar mee te blazen. Dikwijls is dezelfde weide kort daarna opnieuw geel van de later bloeiende boterbloemen. Langzaam gaat dan het lilablond van de witbol/pluimen het geel verdringen. Het is midden juni en veel meer weideplanten komen dan in bloei. De meeste graslanden bereiken het bloeihoogtepunt echter niet, omdat ze voordien gemaaid worden of al lang zijn beweid. Aan de perceelkanten is later nog wel iets te zien van het bloemensortiment, hoewel deze kanten dikwijls een heel eigen grensaspect vertonen, waarin andere planten optreden. Hier en daar vinden we zeldzaam nog een lekkere ruige verwaarloosde wei met kale jonker, pinksterbloem, scherpe en kruipende boterbloem, engelwortel, berenklauw en een menigte grassoorten.

Vogelrijk
Door de vele overgangen en houtranden in het landschap zijn onze beekdalen zeer vogelrijk. Hoewel zowel fuut als geoorde fuut wel eens op de plas van De Heg worden gezien is broeden van deze soorten gedurende de laatste jaren niet bewezen. De geoorde fuut was in 1952 nog broedvogel in Heg en Soeriks Goor. De dodaars broedde zeker in '73 nog in De Heg. De landelijke dodaarstelling van de KNNV noemt voor Leende in 1967 3 broedgevallen, alle vermoedelijk in De Heg. Op 14.4.1965 werd in De Heg een purperreiger gezien. Het woudaapje, vroeger een gewone broedvogel van Heg en Soeriks Goor, wordt nog wel eens gehoord, maar broedt daar niet meer. De roerdomp (domphorre) broedde waarschijnlijk in '73 in of bij De Heg. De wilde eend broedt overal in de beekdalen.
Veel minder algemeen zijn wintertaling en zomertaling. Vooral wilde eend, maar ook wintertaling, pijlstaart en slobeend worden ook buiten de broedtijd waargenomen. Vooral de laatste jaren zien we op de ontginningen maar ook in de beekdalen steeds meer overwinterende buizerden. De bruine kiekendief wordt steeds boven de moerassen gezien vooral boven Heg en Goorsche Putten, in De Rey en langs de Tongelreep. In 1968 broedde één paar in De Heg; in dat jaar waren er ook 2 broedgevallen in het Soeriks Goor. Later zijn geen broedgevallen meer bekend geworden. Grauwe kiekendieven broedden vroeger in Leende, in de dertiger jaren nog in De Rey en De Heg en ook in het Soeriks Goor; het laatste bekende broedgeval was in '67 in het Soeriks Goor. Door Lammers ringde in maart '73 een zwervende blauwe kiekendief. Vroeger (vóór ± 1960) broedde deze soort nog in de moerassen ten Z van Strijp; op 19.6.'62 zag Braaksma nog een paartje boven De Heg. Het smelleken wordt wel eens gezien op de doortrek, vooral in het najaar. In juli '73 werd een jagende boomvalk gezien bij de Kleine Aa; de soort broedde vroeger (ca 10 jaar geleden) in de Leenderhei en ook wel in de beekdalen.

Patrijzen komen in alle open terreinen van Leende voor, in hei en akkers, in de weiden langs de beken en in de ontginningen.
Fazanten zijn vooral in de houtrijke gebieden langs de beken heel gewoon, maar de stand is deels kunstmatig. Waterrallen broeden vooral in het Soeriks Goor (6-8 paar) en in de meer stroomafwaarts gelegen moerassen op Leends gebied (4-5 paar). Waterhoentjes zijn overal heel gewoon; meerkoeten broedden in de omgeving van De Heg.

Weidevogelsoorten
De weidevogelsoorten zijn vanouds bewoners van min of meer vochtige open terreinen met weinig bomen en struiken en met vooral korte vegetaties. Sinds de uitbreiding van de ontbossende mens migreerden ook de weidevogelsoorten vanuit hun oorspronkelijke leefgebieden (steppen, savannen, boomloze venen, kustvegetaties en rivieroevers) naar de 'nieuwe' weiden en vochtige heiden. We kunnen stellen, dat kievit, tureluur, kemphaan, grutto, watersnip en wulp pas sinds de 12e eeuw in onze beekdalen gingen wonen. Door ontwatering (vroeger in het jaar hoog gras) verdwijnt met name de kievit tegenwoordig meer en meer uit de beekdalen om naar het schijnt in de akkers wat toe te nemen.
In Heg en Goorsche Putten broeden de laatste tijd elk jaar 1 à 2 paartjes watersnippen.
Grutto's, zenuwachtige bibbervogels, broeden behalve in vochtige heide ook ten Z van Strijp (2-3 paar), in de Dijksche Heide (3-4 paar), in De Renheide (2-3 paar) en in Hulschbroeken en Molenschut (1-2 paar).
Tureluurs broeden vooral aan de vennen; 1 paartje broedde in '73 ten Z van Strijp; het is mogelijk dat, zeker in eerdere jaren, ook elders langs de beken een enkel paartje broedde.
De kemphaan is al sinds lang geen broedvogel meer in onze beekdalen.

Elk seizoen vallen veel jonge vogels - vooral weidevogels - als slachtoffers van scherpe vlugge maaimessen. Door ontwatering en bemesting is de maaitijd belangrijk vervroegd. Bij het machinaal maaien van kuil- en hooigras, maar ook bij het kneuzen van maïs en het bewerken van andere culturen wordt veel moois gedood. In de maaitijd zijn al veel nesten uitgelopen. Direct na hun geboorte verlaten de weidevogelkuikens het nest. Bij gevaar kunnen de jonge dieren zich drukken of zich uit de voeten maken. Maar juist daardoor vallen er veel als slachtoffer van rijdende snijdende messen. Men begint nl gewoonlijk aan de buitenkant rondom een perceel te maaien en men werkt dan al rondrijdend naar binnen toe. De jonge vogels vluchten van de lawaaimachine weg, dus ook naar binnen in de dekking van het nog niet gemaaide gras. De kuikens kunnen nog niet vliegen en de laatste trekken over het midden van een perceel kunnen het kerkhof worden van soms tientallen jonge vogels.

Ook hazen, kikkers, egels e.d. komen op deze wijze om het leven. Door een iets gewijzigde maai methode zou evenwel veel leven gered kunnen worden. Wanneer nl eerst wendakkers worden gemaaid en daarna van een baan over het midden naar buiten toe wordt gewerkt, krijgen de vogels kans door het nog niet gemaaide lange gras te ontsnappen naar aangrenzende percelen. Een andere vogelreddende methode is het plaatsen van flapperende plastic zakken of lappen aan stokken (ca 4 per ha) enkele uren vóór het maaien begint. De oude vogels lokken dan de jongen weg van zo'n onrustig geworden perceel. Houtsnippen broeden er zeker in het vochtige gedeelte van het Leenderbos; de stille vogels die weinig worden opgemerkt broeden echter haast zeker ook langs de Kleine Aa in De Rey. Visdiefjes fourageren wel eens boven De Heg; wellicht zijn dat broedvogels van de kolonie in het Ringselven bij Dorplein. Zwarte sterns waren in '73 als broedvogels afwezig.

De tortelduif (torteldeufke) is vooral in de beekdalen een heel gewone broedvogel. Maar de houtduif(ko'ldeuf) is er veel talrijker. Koekoeken worden overal in Leende gehoord en gezien, wel het meest in de beekdalen, omdat daar de kleine zangvogelsoorten het talrijkst zijn. In de beekdalen broeden enkele groene spechten. De grote bonte specht wordt vooral waargenomen langs de Tongelreep en de loofbosgebieden ten Z van Strijp. Op 28.8.1971 werd door Lammers een draaihals gezien juist buiten Leende bij de Hoeve Ulkendonk. Een paartje kleine bonte specht broedde waarschijnlijk in '73 in elzenbroekbos van Soeriks Goor of Goorsche Putten. Veldleeuwerik (Iuwwer'k) en graspieper zijn algemeen in de open gebieden, fitis en tjiftjaf in de bosjes en bosranden; de tjiftjaf is in de beekdalen beslist talrijker dan de fitis. De grauwe klauwier (bremspelder) was in de dertiger jaren nog vrij algemeen in Leende, vooral in de beekdalen waar de soort broedde in doornige heggen en bosranden; een NJN- excursie telde op 12.3.1972 nog 17 doortrekkende exemplaren ten W van De Broeken.
Winterkoning en heggenmus (blewmuske) zijn nog heel gewone beekdalvogels. Grote lijster broedt in enkele paren, zanglijster is wat algemener. De merel (melle) is ook in de beekdalen talrijk. De roodborsttapuit is het talrijkst in de open beekdallandschappen, maar ook in de ontginningen; ik schat het aantal broedparen van '73 op 10 à 12. De blauwborst is vooral langs de Strijper Aa ten Z van Strijp een algemene vogelsoort, daar ca 12 paartjes; verder minstens 1 paartje in De Rey. Blauwborstjes zijn vlugge nachtegaalachtige veugelkes die wat meer bescheiden en zachter (alleen overdag) zingen en een veel schoner pak hebben dan de verwante nachtegaal. De nachtegalen van Leende wonen trouwens ook alle langs onze beken; in '73 niet meer dan 6 broedpaartjes. De roodborst broedt en overwintert o.a. in de opgaande bossen langs de beken; ten Z van Strijp is de soort beslist talrijk. Er waren in '73 1 paartje sprinkhaanrietzangers en 1 paartje snorren nabij De Heg. Rietzangers en grote en kleine karekieten waren altijd broedvogels langs de Strijper Aa; in '73 waarschijnlijk echter geen enkel broedgeval van geen van deze soorten. De zwartkop neemt de laatste jaren toe; de tuinfluiter ( in '73 in de beekdalen 6 à 8 broedgevallen) schijnt af te nemen. De grasmus, vroeger de meest algemene hegvogel, broedt nog vrij talrijk in houtranden, o.a. langs wegjes.

Spotvogels broedden in '73 bij het kuurchalet (1 paar), in het eikenbos van De Ren (1 paar) en in het heggen/bosjeslandschap van Leende Strijp (ca 4 paar). Braamsluipers werden in het buitenlandschap van Leende niet opgemerkt, wel in de dorpskernen. Goudvinken broeden in Heg en Goorsche Putten; aantal paren onbekend. Baardmannetjes worden op de trek gezien langs de Strijper Aa. Koolmees, pimpelmees, matkop en staartmees worden het gehele jaar ook in de beekdalen waargenomen. De geelgors (sgreever) is een vogel van gevarieerde landschappen en komt in de beekdalen en ontginningsgebieden nog vrij algemeen voor, maar de soort is sterk afgenomen. Rietgorzen broeden vrij talrijk op ruigbegroeide plaatsen, vooral ten Z van Strijp en in De Rey. Sijs en barmsijs trekken uiteraard (elzen!) vooral door langs de beken. Ook kneuen (haaiknuiters) zijn vrij algemene broedvogels van heggen en bosrandjes. In de wat hogere bossen (o.a. De Rey, kuurchalet) is de vink broedvogel; groenling is in het buitengebied minder álgemeen. Kraai en ekster, soorten van gevarieerde parkachtige landschappen, broedden in '73 in resp. ca 4 en ca 8 paren in de beekdalen. Ook de gaai (mer'klof) is vrij algemeen. bereiken de grootste dichtheden in de beekdalen; ze zijn het talrijkst in het dal van de Tongelreep en ten Z van Strijp. Het zijn dieren, die zich het best thuis­voelen in gevarieerde kleinschalige landschappen.

Reeën
Het aantal reeën is sinds ± 1950 sterk uitgebreid. Ook mol (in '73 vrij talrijk) en egel komen algemeen in de beekdalen voor. Over de omvang van de knaagdierpopulaties is weinig bekend, maar rosse woelmuis, woelrat, muskusrat, aardmuis, dwergmuis (in riet- en ruigteveldjes) en bruine rat komen zeker voor, en mogelijk ook veldmuis en bosmuis. Het schijnt dat de haas (bewoner van stille rustige gebieden) plaatselijk afneemt, mogelijk als gevolg van slecht wild beheer en van de te dichte konijnenstand. Bepaalde inwendige parasieten, die normaal in konijnen leven, kunnen als er veel konijnen zijn ook op hazen overgaan. Het is trouwens vanouds bij alle jagers bekend dat in konijnenrijke streken de haas verdwijnt. Hermelijn, wezel en bunzing leven eveneens in de beekdalen, de bunzing waarschijnlijk het talrijkst.

Salamanders
In slootjes, klotkuilen en afgesneden beekbochten planten salamanders zich voort. De kleine water­salamander is de algemene soort, maar vermoedelijk komen ook de alpenwatersalamander en de grote watersalamander voor. Van knoflookpad en boomkikker zijn geen waarnemingen bekend. De gewone pad is een tamelijk algemene soort. Groene kikker en bruine kikker zijn vrij algemeen; ze paaien in de plas van De Heg en in zonnige niet te diepe slootjes en kuilen. In '73 werd in de omgeving van het kuurchalet een hazelworm gezien. Hoewel veel minder dan in de heide komen toch ook in de beekdalen levendbarende hagedissen voor. Slangen zijn er voorzover bekend niet in Leende. Wel zijn er waarnemingen van gladde slangen in Maarheeze (1942, 1957) en Budel (na 1945).



   naar het begin


einde