Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Ree
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Er uitgelicht: Het Ree                                                                            



  
           
                 
Reegeit, Strijperheg Leende







                      ReeŽn in de bronsttijd, "Ut Langveld" Leenderstrijp


                          

Video's  van reeŽn in bronsttijd in het Langveld in Leende  (klik op de foto)

 

 

 





                             Reebok in de Congo Leende,   



 
                                     
Reebok, Goorseputten



                                   jong ree


Het Ree (Capreolus capreolus

Diersoort:        Zoogdier ,  Hoefdier
Mannetje:
        Reebok of bok
Vrouwtje:        Geit
Jong:               Kalf
Hoogte:            Volwassen ree varieert van 95 tot 125 cm 
Gewicht:         Tussen 17 en 27 kg
Bronsttijd:       Half juli tot half augustus

Geboorte:        In het voorjaar, soms ťťn, maar meestal twee kalfjes
Sprongen:        Alleen in de wintermaanden verblijven de dieren in kleinere of grotere groepen, sprongen genoemd
Roedels:          Zoals bij edelherten, komen bij reeŽn niet voor.
Zesenders:      Oudere bokken met drie einden aan elke geweistang.
Slaapplaats:    Klein kuiltje / woelplaats 
Vijanden:        Natuurlijke vijanden van deze dieren komen in Nederland niet voor.    

Laveien:
          Is een term uit het jagers jargon en betekent foerageren of voedsel zoeken.
                       ReeŽn doen dit bij voorkeur op open terrein in de ochtend- en avondschemering.



                                                           De Ree altijd oplettend

Omdat de laatste tijd commotie ontstaan is over de mogelijke (her)introductie in o.a. ons gebied
van het edelhert besteden we hier ook enige aandacht aan het edelhert.


Edelhert en ree

Behalve de kleinere knaagdieren die het bos bewonen, komen er ook hoefdieren voor, die door hun graasactiviteiten nogal veel invloed
kunnen uitoefenen op het karakter en de ontwikkeling van bos en halfopen landschappen.

Ook al bestaat er in Europa nauwelijks meer natuurlijk bos, toch zijn er nog steeds behoorlijk grote populaties van edelherten en reeŽn, vooral in de grotere bossen.
Dit, terwijl de voornaamste grote natuurlijke vijanden van deze dieren, namelijk wolf en lynx, uit grote delen van Europa zijn 'verdwenen.
De aantallen edelherten en reeŽn worden nu vooral bepaald door de beschikbare rust en voedselgebieden, door ziekten, parasieten en door maatregelen
in het kader van het wildbeheer.



                            De Reegeit


ReeŽn
ReeŽn zijn de kleinste en ook de meest algemene hertachtigen in Europa. De schofthoogte van een volwassen ree varieert van 95 tot 125 cm,
terwijl het gewicht ligt tussen 17 en 27 kg. De vacht is 's zomers roodbruin, 's winters grijsbruin gekleurd.
In Noord- en Midden-Duitsland en ook in Nederland komen ook gitzwarte reeŽn voor, en af en toe worden ook geheel witte of gevlekte dieren gezien.

Het mannetje, de reebok, draagt een gewei. Bij reebokken die nog geen jaar oud zijn, is het gewei nog zeer klein;
bij eenjarige bokken is het gewoonlijk nog onvertakt, maar soms zijn er toch al twee, en in uitzonderingsgevallen zelfs drie vertakkingen aan elke geweistang.
Op oudere leeftijd zijn de bokken gewoonlijk zesenders, dat wil zeggen dat ze drie einden aan elke geweistang bezitten.

ReeŽn komen in vrijwel heel Europa voor, met een voorkeur voor parklandschap, waarin een afwisseling bestaat van bos, weide, akker en heide.
Maar ook in andere terreintypen kunnen reeŽn leven, als er maar voedsel is en voldoende rust heerst. In tegenstelling tot de meeste andere hertachtigen
vertoont de ree een opvallende plaatst rouw. Alleen in de wintermaanden verblijven de dieren in kleinere of grotere groepen, sprongen genoemd;
roedels, zoals bij edelherten, komen bij reeŽn niet voor. In het voorjaar vallen deze sprongen uiteen en dan zoeken de oudere dieren meestal weer
de plaats op waar ze het voorgaande jaar hun territorium hadden.
Jonge dieren zoeken dan voor het eerst een geschikt gebied uit waar ze zich kunnen vestigen.

Bokken


                                                                              Reebok

Tijdens de winter vormen de bokken een nieuw gewei. Wanneer dit volgroeid is, sterft de bast af.
Dan worden de huid resten tegen dunne boomstammetjes afgeveegd.  De oudere bokken beginnen daar soms al omstreeks
eind februari/begin maart mee, de jongere bokken vegen gewoonlijk later in het jaar,
in mei of zelfs nog in juni. Dit noemen ze een BASTBOK.



Bastbok


             Bastbok in de dekking

Ree (bastbok) in de dekking, let op de schutkleuren t.o.v. de boom.
Ik heb bewust de ree niet scherp op de foto gezet om de camouflage en dekking meer
tot uitdrukking te laten komen




Bastbok


Bastbok. let op de schutkleuren!
 

 


 



Ontwikkeling van het gewei van een reebok

Het volwassen mannetje heeft een eenvoudig gewei, bestaande uit maximaal drie punten.
Het gewei is maximaal 25 centimeter lang. 's Winters groeit het gewei, en de basthuid wordt afgeschuurd tussen maart en juni.
Tussen oktober en januari wordt het gewei afgeworpen. Een enkele keer komen ook vrouwtjes (reegeit) met een gewei voor.
Een jonge reebok van een jaar met alleen nog twee knopjes wordt ook wel knopbok genoemd. Wanneer het gewei nog geen vertakkingen
vertoont noemt men het een spitser; en hoort bij een leeftijd van rond de twee jaar. Een gaffel heeft ťťn vertakking en de bijbehorende reebok
is dan twee a drie jaar. Oudere reebokken hebben een zogenoemde zesender, met twee keer drie punten.
Op latere leeftijd zouden ze weer een vertakkingsloos gewei kunnen krijgen.
Een jonge bok wordt spiesree genoemd.


Kalfjes


                                     Ergens op deze foto ligt een reekalf, zie jij waar?  
                                              Scroll naar beneden voor een uitvergroting.

 

 

 

 



.
                   Dezelfde foto maar dan uitvergroot, kun je het kalf nu vinden?  
                               Scroll naar beneden voor een uitvergroting.

 

 

 

 


                                                   Nog sterker uitvergroot.
Bij onraad blijft het kalf doodstil liggen


In het voorjaar, na het verliezen van de wintervacht, krijgen de geiten hun kalfjes (soms ťťn, maar meestal twee)

Reekalveren worden geboren in de periode half april tot eind juni, de geboortepiek ligt in mei. Het baren gebeurt in de randen het veld, hooiland en bos. Het moederdier en haar kalfjes zijn niet de hele dag bij elkaar, maar moeder houdt vanaf enige afstand haar kroost wel in de gaten. Zij is even weg om te eten of weggevlucht omdat iets in de buurt van haar kalf is gekomen. Reekalfjes blijven de eerste 10 dagen in dekking en verplaatsen zich bijna niet. Ze scheiden in die periode weinig of geen geur af, om predatoren niet in verleiding te brengen.
( Predator: een roofdier dat een ander organisme vangt en opeet)
Ook de schutkleuren zorgen ervoor dat een kalf bijna niet opgemerkt wordt ook al ligt het gewoon open en bloot op de grond

Bij onraad blijft het kalf doodstil liggen. Raak het kalf nooit aan! Mensengeur ontstaan door het aanraken van een reekalf kan betekenen
dat de moeder het afstoot. Neem het kalfje zeker niet mee. Een moeder reegeit zal haar kind nooit verlaten, ze is altijd in de buurt..

De natuurlijke vijanden van het reekalf in onze omgeving zijn loslopende honden, de vos en het everzwijn.
Er komen ook kalveren om het leven die in het hoge gras liggen tijdens het maaien
met de cyclomaaier
(cyclomaaier: grasmaaier gekoppeld aan de tractor)
van een hooiland.
Doordat tijdens het maaien van het gras het kalf ook daarin doodstil blijft liggen, betekent dat vaak hun dood.

De moedergeit zoekt het kalf diverse keren per etmaal op om het te laten drinken (zogen). Na +/- 10 dagen gaat het kalf de moeder volgen.
Na een week of twee begint een reekalf het eerste vaste voedsel te eten, bij voorkeur jonge blaadjes met zachte delen.
De jongen worden tot ongeveer november gezoogd, waarna ze geheel op, eigen benen moeten staan.


                                 
  2 kalfjes aan het drinken bij de moeder.
                        Een kalf ligt onder de moedergeit en is daardoor op de foto niet zichtbaar

De moedergeit zoekt het kalf diverse keren per etmaal op om het te laten drinken (zogen). Na +/- 10 dagen gaat het kalf de moeder volgen.
Na een week of twee begint een reekalf het eerste vaste voedsel te eten, bij voorkeur jonge blaadjes met zachte delen.
De jongen worden tot ongeveer november gezoogd, waarna ze geheel op, eigen benen moeten staan.


Dus nogmaals mocht u bij toeval een reekalf tegenkomen, bedenk dat het kalf:        

    - NIET VERLATEN IS DOOR DE MOEDER.                     
    - RAAK HET KALF NOOIT AAN
    - LAAT HET KALF MET RUST !!!!!!!        
    - NEEM HET KALF NOOIT MEE,                                
                           


Bokken

Intussen hebben de bokken hun territorium ingenomen, dat zij afbakenen met geurstoffen uit klieren op de kop en tussen de hoefjes.
Evenals de bast wordt ook de klierafscheiding tegen boomstammetjes geveegd. Het territorium wordt vanaf het voorjaar
 tot na de bronsttijd (half juli tot half augustus) verdedigd tegen mannelijke indringers.
Voor de copulatie wordt de bronstige geit door de bok 'gedreven': ze rent dan, achtervolgd door de bok, een aantal malen in eenzelfde kring rond.
Hoewel de geit meestal in juli al wordt bevrucht, komt de ontwikkeling van het embryo pas in november op gang.
Dit wordt een verlate implantatie genoemd.

 

                                                        
 Twee reekalfjes in de schemering op de Strijperheg

Wanneer in het najaar de wintervacht is verschenen, werpen eerst de oudste bokken, later ook de jongere, hun gewei af.
Omstreeks deze tijd worden ook de sprongen weer gevormd, waarin zowel geiten als bokken vreedzaam naast elkaar op het veld foerageren.

Wat het voedsel betreft, is een ree kieskeurig. Op de reuk worden de lekkerste hapjes uitgezocht die op dat moment in het gebied te vinden zijn.
Het voedsel omvat allerlei grassen en kruiden, blaadjes, twijgen en toppen van loof- en naaldhout, bosvruchten, land- en tuinbouwgewassen, etc.

  
De ree van achteren gezien.    (
Reegeit )                                                  Opvallend lange nek en klein hoofd t.o.v. de rest van het lichaam
Bij onraad blijft het ree stokstijf staan en beweegt alleen met
zijn oren om te achterhalen waar het eventuele gevaar vandaan komt.


Invloed op het landschap
ReeŽn kunnen, zeker waar ze in grote aantallen voorkomen, het karakter van de bestaande vegetatie sterk beÔnvloeden.
Door het eten van toppen wordt de groeiwijze van jonge boompjes drastisch veranderd: loofbomen vertakken zich sterker en in een vroeger stadium,
terwijl naaldbomen meestal op ťťn zijspruit verder groeien.
Een gevolg hiervan is dat er een rijker gevarieerd bostype ontstaat. Door het vegen en ook door het schillen ontstaan beschadigingen aan bomen,
die ertoe kunnen leiden dat de bomen afsterven. Meestal zijn de boomsoorten die hiervoor worden gebruikt inheems,
maar waar deze nagenoeg ontbreken, zoals in bepaalde productiebossen, moeten de houtteeltgewassen het ontgelden.

Begrazing van heideterreinen helpt de heide in stand houden, het grazen van grassen en kruiden en het eten van jonge opslag van boompjes houdt
gebieden in stand als grasland. De herten kunnen bovendien een goede steun zijn bij het omvormen van cultuurbossen tot bosgebieden met een natuurlijker karakter.
Dan is het evenwel gunstig om daarvoor betrekkelijk grote gebieden te bestemmen,
waarin ook voor populaties van natuurlijke predatoren plaats is (enige duizenden hectaren).

 


Video van reebok in het Langveld in Leende

 
(Voor een hogere afspeelkwaliteit: Klik na het opstarten van de video, rechtsonder op de pijlknop en dan HQ)


Slaapplaats
De slaapplaats van het ree bestaat uit niet meer dan een simpel gegraven kuiltje (woelplaats) in de grond, waar het ree zich inrolt.


                                           
Slaapplaats


Hoefafdruk
                                                          
Rechts voor                                                                                                     Afdruk  in het zand
(zoolballen zijn +/- 1/3 van de hoeflengte)

                      



Omdat de laatste tijd commotie ontstaan is over de mogelijke (her)introductie in o.a. ons gebied
van het edelhert besteden we hier ook enige aandacht aan het edelhert.

Sinds november 2005 zijn er ook in het Weerterbos op de grens van Limburg en Noord-Brabant edelherten aanwezig, zij het niet in het wild.
Het gaat om een groep van 15 uit BelgiŽ afkomstige dieren die daar zijn uitgezet. Deze herten bevinden zich nochtans in een wildraster van 150 hectare.
Het is de bedoeling dat de dieren binnen enkele jaren hun vrijheid verkrijgen en mogelijk kunnen uitzwermen over Noord-Brabant en Limburg.  (bron Wikipedia)

Edelherten
Edelherten zijn in West-Europa de grootste herten die in het bos voorkomen. In de zomer bezitten ze een roodbruine, tamelijk gladde vacht;
's winters is deze ruiger en meer grijs getint. Het mannelijk dier, het hert, draagt een fors gewei en heeft tevens een hals die bezet is met hals- of bronstmanen.
Het gewei van een eenjarig hert is meestal nog niet vertakt, maar dat van een tweejarig hert kan al drie, vier of vijf einden aan elke geweistang dragen.
Aan de top van het gewei van andere herten bevindt zich een kroon of gaffel. De schouderhoogte van een volwassen hert ligt tussen 1,20 en 1,40 m,
het lichaamsgewicht bedraagt 120≠150 kg.

Het vrouwelijk edelhert, de hinde, is ranker, kleiner en lichter. In het tweede levensjaar kan een hinde, afhankelijk van conditie, al deelnemen aan de bronst.
Edelherten zijn van nature eigenlijk bewo≠ners van open terreinen. In Nederland hielden ze zich vroeger op langs de grote rivieren,
waar vruchtbaar natuurlijk grasland en loofbomen elkaar afwisselden.
Toch zijn ze in Europa in de meeste gevallen uit deze voorkeursbiotoop teruggedrongen naar bosgebieden.

Niet alleen in het laagland komen edelherten voor; in het gebergte verblijven ze 's zomers tot rond de boomgrens, 's winters dalen ze af naar lager gelegen bosgebieden.
Zoals veel andere hertesoorten leeft het edelhert in groepen, ook wel roedels genoemd. Tijdens de winter, het voorjaar en een groot deel van de zomer bestaan er
afzonderlijke hertenroedels, die uitsluitend bestaan uit mannelijke dieren, en kaalwildroedels waarin de hinden,
samen met de jongere dieren van beide geslachten zijn verenigd. Eigenlijk bestaat een kaalwildroedel uit een aantal hinden met elk hun ťťnjarig jong en een kalf.
Meestal voert een van de oudere hinden de kaalwildroedel aan.


                                                            reeŽn in de wei  (foto Maarten Schoone)

De hertenroedels kennen ook een leider, die echter niet altijd de oudste of de sterkste hoeft te zijn. Zeer oude herten sluiten zich vaak niet meer aan bij een roedel,
maar leven solitair. Vůůr de bronsttijd, die tussen half september en half oktober plaats vindt, vallen de bestaande roedels uiteen.
De herten gaan dan op zoek naar kaal wild om bronstroedels te vormen. Daarvoor moeten ze soms grote afstanden afleggen.
Een hert dat zo'n bronstroedel heeft gevormd, ondervindt meestal concurrentie van ťťn of meer herten die nog een wat lagere rang innemen op de sociale ladder.
Tijdens de bronst kan men het roepen (burlen) van de herten horen, evenals het geluid van duellerende herten die de geweien tegen elkaar slaan.
Soms gebeurt het dat bij zo'n gevecht een van de herten wordt doodgestoken of dat de geweien zo met elkaar verstrengeld zijn, dat beide herten ten dode zijn opgeschrevŤn.


                                     reegeit

Meestal worden de kalveren in de tweede helft van mei of begin juni geboren. De hinde en haar kalf blijven gedurende de eerste dagen nog in de buurt van de plaats waar het jong is geboren. Daarna volgt het kalf de hinde en later in het jaar verenigen de 'families' zich tot een kaalwildroedel.
Omstreeks februari/maart verliezen de herten eerst de oudere, later ook de jongere hun gewei. Na het afwerpen begint direct de groei van het nieuwe gewei,
dat in juli volgroeid is. Tijdens de groei is nog een huid ('bast') om het gewei aanwezig, maar deze wordt later door het 'vegen' aan boomstammen verwijderd.


                                         
 reekalveren

Edelherten verzamelen hun voedsel grazend, zowel in het open veld als in het bos. Behalve grassen en kruiden eten deze herkauwers ook bladeren, naalden, knoppen, takjes,
heide, bosvruchten en dergelijke. Deze ruwere bestanddelen zijn voor een goede spijsvertering noodzakelijk.
Ook landbouw- en tuinbouwproducten en jonge bosaanplant worden meestal niet versmaad,
zodat het wenselijk kan zijn de terreinen waarop dergelijke gewassen worden geteeld, te omrasteren.
In de winter en soms ook nog in het voorjaar treedt in de gebieden waar edelherten voorkomen, vaak een schaarste aan natuurlijk voedsel op.
Om te voorkomen dat ze in deze periode schade berokkenen aan landbouw- en bosbouwproducten en ook om de bestaande populatie in stand te helpen houden,
worden edelherten vaak bijgevoerd. Meestal gebeurt dit met brokjes of bietenpulp op vaste voerplaatsen. In andere gevallen heeft men speciale voerweiden
of -akkers aangelegd, waar bepaalde gewassen zijn in≠gezaaid die de herten in perioden van schaarste van meer natuurlijk voedsel voorzien.

Meer info over het uitzetten van edelherten in ons gebied:    Stichting Limburgs landschap  pilot weerterbos eindversie



Bronvermelding:
Onder andere  bewerkte uitgaven van ''Spectrum Levende Natuur" en ''Natuur in Nederland'' door de webbeheerder.

stichtingreeenopvangnederland.nl

reewild.nl

wikipedia



   naar het begin


einde