Plattelandsvereniging Hei, Heg & Hoogeind  Leende   

Google
WWW hei-heg-hoogeind.dse.nl

Gras oogsten
Start Omhoog Inhoudsopgave Zoeken in site  

Start
Omhoog


 

 


Fotoalbum op de boerderij: Gras oogsten

 

   

        Leende 2013


Leende Augustus

 
2007


                   Fendt Favorit 511c  en een Vicon trommelmaaier

Index:
   
- Fotoreportage grasmaaien / schudden / oprapen
    - Werking trommelmaaier

    - Grassen determineren
    
    -
Bronvermelding                 


Fotoalbum op de boerderij: Grasoogsten 

In tegenstelling tot vroeger, waarbij het soms weken duurde voordat het gras zover droog was dat het binnengehaald kon worden
(kijk hiervoor o.a in de rubriek
Historie/hooiruiteren) kan tegenwoordig het gras binnen 2 dagen, na het maaien, van het land af.
De 2 trommelmaaiers zijn van het merk
Vicon en hebben samen een totale maaibreedte van 6 meter. In de trommelmaaier zit behalve de 4
trommels met messen (foto 5) , ook een kneuzerrol (foto 6) , die het gras korter slaat, en meteen uit elkaar gooit,
zodat het eerder droogt en beter verwerkbaar is.
Na het maaien wordt het gras met een hooischudder omgedraaid en uit elkaar gegooid (foto 8)
.
De volgende dag gaat het gras op "duinen" waarna het (foto 9 en 10)van het land gehaald wordt met een hakselaar.
Hierna gaat het in een afgedekte 'voederkuil", zodat het gras (kuilvoer) gebruikt wordt als voeder voor de melkkoeien.


Foto's zijn gemaakt in augustus 2007 in Leenderstrijp  (kllik op onderstaande foto's voor een vergroting )

Fendt Favorit met een Vicon trommelmaaier

maaibreedte 6m

voor en na het maaien

de trommels met onderin de messen

de kneuser achter de trommels

hooischudden

opraapwagen met kneuzer


Het werktuig: De Trommelmaaier

Deze bestaan uit meerdere ronde of hoekige trommels die aan de bovenzijde gesteund en aangedreven worden
door middel van tandwielen of V-snaren. De trommels draaien paarsgewijs tegen elkaar in.
Ze laten daarbij meerdere duidelijk afgebakende zwaden na, behalve als er in de maaier een "kneuzer" is geplaatst.


Afbeelding  van een trommelmaaier met 2 trommels


Vereenvoudigde schematische afbeelding van het aandrijfsysteem van de trommels


Schematische constructie van een tweetrommelmachine


Vanaf de tussenas 1 wordt as 2 aangedreven, die via de vrijwielkoppeling 3 V-riemschijf 4 aandrijft.
Koppeling 3 dient ervoor om de machine gelegenheid te geven door te kunnen draaien wanneer de aftakas stopt.
V-snaren 5 drijven poelie 6, as 7 en conische tandwielen 8 aan.
Daardoor gaan as 9, conische tandwielen 10 en verticale assen 11 draaien.
Deze assen zijn verbonden aan de trommels 12, die de maai borden 13 en de meshouders 14 ronddraaien kunnen.
Aan meshouder 14 is een pen geklonken met ronde kop, waaromheen de mesjes 15 kunnen scharnieren.
Door de meshouder met een speciale hefboom omlaag te drukken veert deze zover mee dat een mesje over de kop geschoven kan worden.
Door loslaten veert deze kop omhoog tegen het maai bord waardoor het mes opgesloten zit.

De trommel steunt op een los om as 11 draaibare schotel 16 die op de grond rust.
Door de afstand tussen schotel en mesje wordt de maaidiepte of stoppellengte bepaald.
Soms worden verwisselbare schotels of vulringen toegepast. Ook traploos instelbare schotels komen voor.
Deze laatste oplossing verdient uiteraard de voorkeur. Frame 17 dat de maaitrommels bevat scharniert om as 7 aan frame 18
dat weer aan het driepuntsraam 19 is bevestigd. Bij het raken van een obstakel kan de hele machine achteruit scharnieren om draaipunt 20.
Frame 18 wordt vastgehouden door haak 21 die geholpen door veer 22 pen 23 vasthoudt.
Bij een botsing met een steen of in te zwaar gewas alsook op transport laat haak 20 los en zwaait de hele machine achteruit.


Op onderstaande afbeelding zien we een trommelsysteem met onderdelen afgebeeld.
De mesjes van de meeste machines kunnen door omwisseling aan beide kanten gebruikt worden.
In plaats van alleen boven zijn sommige trommels ook beneden gesteund.

 

Door de meshouder met een speciale hefboom omlaag te drukken veert deze zover mee dat een mesje over de kop geschoven kan worden.
Door loslaten veert deze kop omhoog tegen het maai bord waardoor het mes opgesloten zit.


Kneuzers, schudders
De laatste jaren bestaat de neiging om de veldperiode van het gewas te bekorten door dit tijdens het maaien iets te kneuzen en los te schudden.
Dit kan tot stand komen door op de trommels een paar staande schoepen of ribben aan te brengen die het gewas enigermate kneuzen.
Andere machines - vooral schijvenmaaiers - hebben boven de messen een sneldraaiende haspel met klepels aangebracht.
Deze nemen het gewas mee langs een dichte kap waarin soms ribben of verstelbare tanden zijn gemonteerd.
Ook kan men kneusrollen toepassen die het gewas meer of minder platwalsen (stengelknikkers).
Het effect van deze apparaten hangt af van het soort gewas en de weersgesteldheid.


maaier met kneuzer


 

Grassen determineren                                 

 

Ontwikkeling en bouw van de grasplant

 Wortels.
Wanneer een graszaadje kiemt, worden er kiemwortels en een stengel gevormd. Deze wortels hebben slechts een tijdelijke functie.
De stengel vormt namelijk in de bovenste grondlaag een kroon of uitstoelingsstreek. Hieruit komen de bijwortels te voorschijn.
Deze hebben een blijvende functie, de bijwortels groeien hoofdzakelijk in de bovenste grondlagen.

Uitstoelingsstreek.
De uitstoelingsstreek is een stengeldeel, waarin de knopen en leden zeer dicht opeen liggen .Op deze knopen bevinden zich schubachtige blaadjes.
In de oksels hiervan zitten knoppen, waaruit nieuwe stengels kunnen voortkomen. Het vormen van deze stengels heet uitstoelen.
De uitstoelingsstreek ver­zorgt dus zowel de vorming van wortels als die van nieuwe stengels.

Stengel.
In het stengeldeel boven de grond zijn de leden lang, zodat de knopen verder uiteenliggen. Deze knopen dragen de bladeren.
Boven de knopen bevin­den zich de groeipunten. Daar worden dus de nieuwe cellen gevormd.

Blad.
Het onderste gedeelte van het blad omvat de stengel. Men noemt dit de bladschede. Het afstaande gedeelte van het blad heet bladschijf.
Op de overgang van de bladschede en de bladschijf bevinden zich dikwijls bijzon­der gevormde vergroeiingen, die vaak kenmerkend zijn voor de soort.
Een jonge plant produceert verhoudingsgewijs veel bladweefsel en weinig stengelweefsel. Jong gras is daardoor eiwitrijk.
Een oudere plant daarentegen moet een bloeiwijze voortbrengen. Hiertoe is een sterke stengel nodig. Daarom wordt in een ouder
stadium hoofdzakelijk stengelweefsel gevormd. Het eiwitgehalte van het gras daalt dientengevolge.

De waardering van de grassen
Een 30-tal grassoorten komt regelmatig in blijvend grasland voor. Zij hebben zeer verschillende eigenschappen.
Daardoor is ook hun landbouwkundige waarde niet gelijk. Aangezien de in een perceel voorkomende grassoorten gezamenlijk de kwaliteit
van de grasmat bepalen, is het van belang te weten welke landbouwkundige waarde iedere grassoort heeft.
Voor het waarderen van de grassen zijn de volgende eigenschappen van belang:

Productievermogen
Het productievermogen van de grassoorten kan zeer sterk uiteenlopen.
Dit blijkt wel bij vergelijking van Engels raaigras met schapegras.

Productieverloop
Om verschillende redenen heeft men voorkeur voor grassen, die gedurende het gehele groeiseizoen produceren.
Lang niet alle grassen zijn hiertoe in staat. Beemdvossenstaart en reukgras groeien bijvoorbeeld hoofd­zakelijk in het voorjaar.
Fioringras en kropaar daarentegen produceren voornamelijk in de nazomer.

Smakelijkheid
Omdat gras tenslotte veevoeder is, verdienen alleen malse grassoorten een goede waardering.
Grassen, die vanwege hun ruwheid (smele), beharing (borstelgras) of muffe geur (fiorin) niet worden gegeten, zijn nutteloos.

Kwaliteit
Ook de verteerbaarheid en de chemische samenstelling van gras zijn belangrijk in verband met de veevoeding.
Wat deze eigenschap betreft, zijn de verschillen tussen de grassoorten echter niet zo groot. De kwaliteit wordt namelijk grotendeels bepaald
door het groeistadium van het gewas. Het suikergehalte van de grassen, dat van groot belang is voor het inkuilen,
loopt wel sterk uiteen. Vooral Engels raaigras heeft een hoog suikergehalte.

De mate en wijze van uitstoeling

De mate van uitstoeling hangt hoofdzakelijk af van de ontwikkeling van de uitstoelingsstreek.

Een geringe ontwikkeling van de uitstoelingsstreek heeft tot gevolg, dat er weinig uitstoeling plaats vindt.
Grassen met deze eigenschap schieten daarom snel door. Ze blijven voornamelijk in stand door het vormen van zaad,
omdat de uitstoelingsstreek meestal niet overwintert. Snel doorschietende, éénjarige soorten. bijvoorbeeld is bijvoorbeeld geknikte vossenstaart.
Hun waardering is gering. Overblijvende grassoorten met een goed ontwikkelde uitstoelingsstreek vertonen meestal een sterke uitstoeling.
De wijze van uitstoelen is echter verschillend.

We onderscheiden hierbij de volgende twee manieren:  

De nieuwe spruiten groeien omhoog.
Bij de meeste grassoorten groeien de nieuwe stengels vanuit de uitstoelingsstreek direct omhoog.
Er ontstaat daardoor een bosje grasstengels. We noemen dergelijke soorten bosjes­vormers of polvormers
(Voorbeelden hiervan zijn kropaar, witbol, smele en de hooitypen van Engels raaigras)

De nieuwe spruiten groeien horizontaal.
Bij een aantal grassoorten groeien de nieuwe stengels horizontaal over of door de grond. Op de knopen vormen zij wortels en één of meer
stengels die wel omhoog gaan. De plant vormt op deze manier een netwerk van vertakkingen. We noemen deze soorten uitlopervormers.
Uitlopervormers vullen dikwijls de open plaatsen op, zodat er een dichte grasmat ontstaat. Bovenaardse uitlopers treffen we aan bij
ruwbeemdgras en bij de struisgrassen, onderaardse bij veldbeemdgras en kweek.
Welke soorten zouden het best tegen droogte bestand zijn?

Bosjesvorming en uitlopervorming worden alle twee hoog gewaardeerd. Met het oog op een dichte grasmat is het echter gewenst,
dat beide wijzen van uitstoeling steeds vertegenwoordigd zijn.

Standvastigheid
Onder de standvastigheid verstaat men de lengte van de levens­krachtige periode van een grassoort.
Hoe langer een gras levens­krachtig is, hoe hoger zijn waardering. Sommige weidetypen van Engels raaigras bijvoorbeeld zijn
vrijwel onbeperkt standvastig. Daarentegen zijn vele hooitypen van Engels raai, alsmede Italiaans raaigras,
slechts enkele jaren levenskrachtig.

Bestendigheid tegen weiden en maaien
Grasland wordt tegenwoordig overwegend gemengd gebruikt. De grassoorten in het plantenbestand moeten
dus zowel tegen weiden als tegen maaien bestand zijn. Verder is het van belang, dat na ieder gebruik een snelle hergroei plaats vindt.
Aan deze eis voldoen de meeste goede grassen.

Bestendigheid tegen extreme weersomstandigheden
De grassoorten in blijvend grasland moeten redelijk goed be­stand zijn tegen bijvoorbeeld vorst en droogte. Wanneer dit niet het geval is,
krijgt men immers periodiek holle plekken in de grasmat. Goed tegen droogte bestand zijn kweek, rood zwenkgras en veldbeemdgras.
Ruwbeemdgras daarentegen is niet droogtebestendig.

 HERKENNING VAN DE GRASSEN

We weten nu hoe de verschillende grassen gewaardeerd worden. Deze kennis heeft echter weinig nut wanneer men de verschillende soorten
niet kan herkennen. Men kan dan immers nog geen indruk verkrijgen omtrent de kwaliteit van een grasmat.
Voor het herkennen van grassen gebruikte men vroeger de bloeiwijze. Dit kan thans niet meer op cultuurgrasland, omdat het overgrote deel der
soorten reeds voor de bloei wordt geweid of gemaaid. Tegenwoordig moet men de grassen dus kunnen herkennen aan de niet-bloeiende spruit.
Hierbij zijn de volgende kenmerken, die alle te zien zijn aan de bladschijf of aan de bladschede, van belang.

Kenmerken


De wijze, waarop het blad te voorschijn komt. In verband met de wijze waarop het jonge blad te voorschijn komt,
maken we onderscheid tussen een platte spruit en een ronde spruit (fig. 7). Bij een platte spruit zijn de beide bladschijfhelften langs de
middennerf tegen elkaar gevouwen. Bij een ronde spruit is het jonge blad geheel opgerold. Enkele soorten hebben zeer smalle en
dikke bladeren. Hierbij kan men daarom geen onderscheid maken tussen gevouwen en gerolde bladeren.
Dergelijke bladeren hebben min of meer de vorm van een naald. Men noemt ze daarom naaldvormig.

Het tongetje
Het tongetje is een uitgroeiing in het verlengde van de bladschede, op de overgang van bladschijf en -schede.
Het ligt tegen de stengel aan (fig. 8). Bij de verschillende grassoorten zijn de vorm en de afmetingen van het tongetje zeer uiteenlopend.
Het is daarom een belangrijk kenmerk van iedere soort. Het tongetje kan kort of lang, wit of gekleurd, vliezig of stevig en gaaf of getand zijn.

De oortjes (fig. 9)
Oortjes zijn kleine uitsteeksels aan de basis van de bladschijf, die de halm min of meer omsluiten. Een aantal grassoorten bezit oortjes.
Voor deze soorten vormen ze een goed kenmerk, omdat vorm en afmetingen nogal verschillen. Een tweetal grassoorten heeft haartjes op de oortjes.
Men spreekt dan van bewimperde oortjes.

De beharing
Sommige soorten dragen haren op alle delen van de plant, andere daarentegen op slechts enkele.
Verder is een aantal grassoorten geheel onbehaard. Bij de behaarde soorten is er weer verschil in de dichtheid en de lengte van de haren.
Alle genoemde verschillen hebben betekenis voor het herkennen van grassen.

De ribben

Ribben zijn verhogingen op de bladbovenzijde, die als lijnen in de lengterichting verlopen.
Wanneer deze verhogingen ontbreken, noemt men het blad ongeribd.

Bij geribde bladeren maakt men de volgende onderscheidingen:
    a. zwak geribd, de breedte van de ribben overtreft de hoogte;
    b. matig geribd, de hoogte en de breedte zijn ongeveer gelijk;
    c. sterk geribd, de hoogte van de ribben overtreft de breedte.

De kiel
Wanneer de middennerf iets naar beneden uitwijkt en de beide bladhelften enigszins naar elkaar zijn toegebogen,
ontstaat een kiel. Bij enkele soorten (b.v. kropaar en Frans raaigras) is de kiel een duidelijk kenmerk.

Dwarsverbindingen
Bij enkele grassoorten zijn de vaatbundels, die in de lengterichting lopen, verbonden door korte stukjes vaatbundel,
die men dwars­verbindingen noemt. Deze dwarse vaatbundeltjes van ± 1mm lengte zijn zichtbaar als scherp afgetekende, donkere streepjes.

De glans
De onderzijde van het blad kan er sterk glanzend, matig glanzend of dof uitzien. Dikwijls levert de glans een duidelijk kenmerk.
De beste weidegrassen, zoals Engels raaigras, beemdlangbloem en ruwbeemdgras, zijn sterk glanzend.


Bronvermelding:  aangepast en aangevuld door webbeheerder:

-Landbouwwerktuigen 1982 door l. van Wingerden
-Weidebouw, cultuur en gebruik van grasland 1965

De trommelmaaier is van het merk Vicon,  voor website klik hier


   naar het begin


einde